- Versie
- Downloaden 28
- Bestandsgrootte 214.76 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 16 juni 2026
- Laatst geüpdatet 16 juni 2026
Preek 15e zondag door het jaar, A jaar, 12-7-2026
12 juli 2026
Vijftiende zondag door het jaar
Lezingen: Jes. 55,10-11; Ps. 65; Rom. 8,18-23; Mat. 13,1-(9)23 (A-jaar)
Inleiding
De profeet Jesaja maakt in de eerste lezing van deze zondag gebruik van beelden uit de natuur en het alledaagse leven om de verbondenheid tussen hemel en aarde, Gods trouw tegenover mensen, aan te tonen. Geworteld in die traditie doet Jezus hetzelfde: aan de hand van een beeld uit de natuur – het groeien van het zaad – verduidelijkt Hij de groei van het koninkrijk der hemelen, daar waar God werkelijk koning is. Zo weet Hij een verbinding te leggen tussen het leven van elke dag en het koninkrijk der hemelen en laat Hij zien dat hemel en aarde met elkaar verbonden zijn.
Jesaja 55,10-11
Jesaja 55 vormt het slot van Deuterojesaja – geschreven in de laatste periode van de Babylonische ballingschap –, waarin een aantal centrale thema’s wordt samengevat (Jes. 40-55). Dit hoofdstuk is een en al goede boodschap, evangelie (vgl. Jes. 40). In een hartstochtelijk pleidooi richt Jesaja zich tot het volk Israël. Hij spreekt namens de Eeuwige in de vorm van een heilsorakel. God roept en vleit het volk als een koopman die zijn waar op de markt aanprijst, in de hoop dat het volk naar Hem zal luisteren: ‘… en u zult eten wat goed is … een eeuwig verbond zal Ik met u sluiten’: alleen bij de Eeuwige is het ware voedsel te vinden en Hij is een God die zijn volk altijd trouw blijft (55,2-3). En dat alles om niet.
In de verzen 6-7 spreekt Jesaja, hij roept de mensen op om terug te keren naar ‘onze God, want Hij vergeeft rijkelijk.’ In de volgende verzen is God opnieuw aan het woord. Nu gaat het om de terugkeer uit de ballingschap, hoe onwaarschijnlijk en hoe ver weg die ook lijkt te zijn. Daarom maakt God duidelijk dat zijn wegen en gedachten anders zijn dan die van de mensen. De mens is te klein om dit te bevatten (55,8v). Dat zou betekenen dat er een onoverbrugbare kloof is tussen hemel en aarde.
Toch wordt die kloof in de lezing van vandaag weer enigszins gedicht. Er is immers sprake van verbondenheid tussen hemel en aarde door het beeld van sneeuw en regen die voor vruchtbaarheid op aarde zorgen, voor zaad en voedsel voor de mensen. Zo vruchtbaar als sneeuw en regen is ook het woord van God en zijn zorg voor de mensen. Gods woord is betrouwbaar, teken van verbondenheid tussen hemel en aarde. Alles gebeurt zoals God het wil. Hij bestiert de geschiedenis van de mens en heeft in alles de leiding, zelfs het land en de bergen luisteren naar Gods woord (55,12v).
Gods woord lijkt op een dienaar of boodschapper die koste wat kost Gods opdracht uitvoert: ‘Want het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het gedaan heeft wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden’ (55,11). Hier staat het Hebreeuwse woord dabar dat zowel ‘woord’ als ‘daad’ betekent.
Jesaja 55 eindigt met de aansporing om in vreugde op weg te gaan uit de ballingschap en in vrede thuis te komen.
Romeinen 8,18-23
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 13,1-(9)23
Vandaag lezen we het begin van de derde rede van Jezus in het evangelie van Matteüs, de zogeheten parabelrede, waarin zeven parabels of gelijkenissen over het koninkrijk der hemelen zijn opgenomen (13,1-53). De lezing begint met de woorden: ‘Op die dag verliet Jezus het huis…’ Dat moet het huis zijn waar Jezus aan het onderrichten was, toen zijn moeder en broers Hem zochten; het is het huis waar Hij zijn leerlingen zijn ware familie noemde, niet gebaseerd op conventionele kenmerken als geboorte en verwantschap of afkomst maar op het doen van Gods wil (12,46-50). Uit de voorafgaande hoofdstukken 11–12 blijkt dat lang niet iedereen overtuigd is van de boodschap van Jezus over het koninkrijk der hemelen. De vraag wordt steeds indringender of men wel bij de familie van Jezus wil horen (12,46-50)? Zou dat niet uiteindelijk op niets uitlopen en vergeefse moeite zijn?
In de nu volgende parabel over de zaaier en het zaad wordt het tegendeel beweerd: het zal geen vergeefse moeite zijn, want de opbrengst zal groot zijn: ‘honderdvoudig, zestigvoudig of dertigvoudig’ (13,8.23). Tegenover zo’n buitenproportionele opbrengst verdwijnt alle zaad dat door de vogels wordt opgegeten, dat verdort of verstikt, in het niet, zelfs als dat het merendeel van het zaad zou zijn. Een bemoediging voor de toehoorders/lezers.
De opbouw van deze passage is overzichtelijk: na de inleidende verzen (13,1v) vertelt Jezus de parabel over het zaad aan de menigte (vv. 3-9). Na de tussenvraag van de leerlingen in vers 10 – ‘Waarom spreekt u tot hen in parabels?’ – neemt Jezus opnieuw het woord, nu tot het einde toe (13,11-23). In dit tweede gedeelte van de parabel legt Jezus uit, waarom Hij tot de menigte in gelijkenissen spreekt en waarom Hij dat niet doet tegenover de leerlingen (13,10-17). Vervolgens verklaart Jezus de parabel tot in detail in het derde en laatste gedeelte van de perikoop (13,18-23).
Met de zaaier kan zowel God als Jezus bedoeld zijn. Het zaad is in de parabel het woord van het koninkrijk der hemelen, terwijl de grond waar het zaad terecht komt, het beeld is van (het hart van) de toehoorders of lezers. In de uitleg van de parabel (v. 19a) duidt het zaad echter steeds de mensen aan, bijvoorbeeld ‘Dat is degene, die op het pad is gezaaid’ (v. 19c).
Matteüs presenteert Jezus graag als de grote leraar, de tweede Mozes. Dat blijkt ook hier weer uit het woord ‘zitten’ (13,1; vgl. 5,1 en 24,3): halverwege de eerste eeuw werd het gebruikelijk dat een leraar tijdens het onderricht zat; voordien werd de Tora staande onderwezen.
Dat Jezus in een bootje stapt om de mensen te onderrichten, kan een louter praktische reden hebben, maar de scheiding die het water tussen Jezus en de mensen bewerkstelligt, mag men wellicht ook zien als beeld van de werkelijke scheiding die er tussen hen bestaat. Zij verstaan de woorden van Jezus immers niet, ook al horen ze ze wel. Matteüs onderstreept dat het niet om blind geloof in Jezus en zijn boodschap gaat, maar om het werkelijke ‘verstaan’ van de boodschap van binnenuit, vanuit het hart (13,15.19).
Met deze eerste zo bekende parabel over het zaad is toch iets vreemds aan de hand, dat niet eens direct opvalt. Bij een parabel spreekt men over een zogeheten beeldhelft en een zaakhelft. Het ‘beeld’ is in de vorm van de zaaier en het zaad aanwezig, maar de ‘zaak’ die door het beeld verduidelijkt moet worden, ontbreekt. Vandaar de veelbetekenende afsluitende woorden van Jezus: ‘Wie oren heeft, moet horen.’ (13,9).
Pas uit het antwoord van Jezus aan de leerlingen in vers 11 blijkt dat het om het koninkrijk der hemelen gaat (zie ook de verzen 18-23): ‘Jullie is het gegeven de geheimen van het koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun niet.’
Waarom spreekt Jezus tot de leerlingen niet in parabels? De uitspraak die deze vraag moet verduidelijken, lijkt vreemd: ‘Want aan degene die heeft, zal gegeven worden, en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft (13,12). De leerlingen ‘hebben’ dus … .
Wellicht kunnen de rabbijnen ons verder helpen: Een vrouw vroeg eens aan rabbi Jose b. Halafta: ‘Wat betekent het vers Hij gaf wijsheid aan de wijzen [Dan. 11,21]? Had de tekst niet moeten luiden: Hij gaf wijsheid aan hen die niet wijs waren en kennis aan hen die niet in staat waren te begrijpen?’
Hij antwoordde haar: ‘Ik zal het uitleggen met een gelijkenis: Als twee mensen geld zouden komen lenen bij jou, de een rijk en de ander arm, aan wie zou je het dan lenen, aan de rijke of aan de arme?
Zij antwoordde: ‘Aan de rijke man.’
‘Waarom?’, vroeg hij, waarop zij antwoordde: ‘Omdat hij de middelen heeft om het mij terug te betalen; maar als de arme man mijn geld verliest, hoe kan hij het mij dan terugbetalen?’
Hij zei tegen haar: ‘Horen je oren, wat je met je mond hebt gezegd? Als de Eeuwige, Gezegend zij Hij, wijsheid aan de dwazen zou geven, zouden zij gaan zitten en haar [de Tora] overpeinzen in het verborgene, in theaters en in badhuizen; maar de Heilige, Gezegend zij Hij, gaf wijsheid aan de wijzen die haar overpeinzen in de synagogen en de leerhuizen, daarom geeft Hij wijsheid aan de wijzen en kennis aan hen die weten te verstaan (Kohelet Rabba I.7.5, een verzameling verhalende teksten op Prediker).
Enerzijds is het een geschenk van God, genade, om de geheimen van het koninkrijk der hemelen te mogen verstaan, maar anderzijds is er dan wel ‘goede grond’ voor nodig, horen én verstaan, te weten dat Jezus de messias is, dat in Hem het koninkrijk van God gekomen is. Degenen die ‘goede grond’ zijn, de leerlingen van Jezus, kunnen met recht makarioi, gelukzalig, worden genoemd (13,16).
Preekvoorbeeld
Matteüs is zich bewust dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is in zijn geloofsgemeenschap. Hij schrijft zijn evangelie aan het einde van de eerste eeuw. Het verrijzenisgeloof is de grondslag geweest van de eerste christengemeenschappen. Maar algauw doen zich strubbelingen voor. Matteüs heeft te maken met mensen met een verschillende achtergrond. Sommigen hechten veel meer belang aan de joodse traditie dan anderen die eerder aanleunen tegen een Hellenistische tendens. Samenleven brengt onvermijdelijk wrijvingen met zich mee. Misschien heeft de parabel van het zaad daarmee te maken. Kan gedeeld geloof samengaan met diversiteit? In elk geval een uitdaging om mee om te gaan. Duidelijk is dat het samenleven in de geest van Jezus haaks staat op de vigerende cultuur van de Romeinse overheerser.
Wat de Romeinen als ‘cultuur’ en ‘gerechtigheid’ beschouwen gaat regelrecht in tegen de idealen die de vrienden van Jezus erop na houden. ‘Zalig de armen van geest’. Daarmee is Jezus zijn toespraak op de berg begonnen. Daarmee wordt een heel andere wereld tot leven geroepen. Wat dwaas is in de ogen van de Romeinen wordt door de volgelingen van Jezus als wijsheid ervaren. En vice versa. Dat heeft ook Paulus ondervonden in zijn confrontatie met de vergoddelijking van de Romeinse keizers die hij op zoveel plaatsen tegenkomt. ‘Allen die door de geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn’ (8,14v). Dat is de levensstijl die de christengemeenschap in het hart draagt en daadwerkelijk in praktijk probeert te brengen.
Het is geen sinecure: dat wil de parabel ook duidelijk maken. Er zijn niet alleen de materiële omstandigheden die in de praktijk als hobbel ervaren worden (rotsachtige plekken, ondiepe grond, distels, enz.). Er wordt gesuggereerd dat ook de persoonlijke inzet niet voor iedereen dezelfde hoeft te zijn. Merkwaardig is hoe het slot van de parabel in neergaande lijn gaat. Er is sprake van honderdvoudig, zestigvoudig, dertigvoudig (13,8). Verscheidenheid mag blijkbaar een plaats hebben in de gemeenschap. Het troost te weten dat niet iedereen hetzelfde resultaat hoeft te boeken. Het klinkt in de parabel niet als een verwijt. Het is een vaststelling. Jezus’ volgelingen hoeven niet allemaal even intelligent, handig, diepzinnig, vroom of maatschappelijk actief te zijn. ‘In het huis van de Vader zijn vele woningen’.
Wellicht herkennen we dat ook in onze tijd. Er zijn opvallende ontwikkelingen gaande in de christelijke geloofsgemeenschap. De aversie jegens de kerk is over zijn hoogtepunt heen. Ook al blijven we voorgoed opgezadeld met de schandalen die de kerk blijvend achtervolgen, er is ook een nieuwe interesse zichtbaar. Het einde van de massakerk betekent blijkbaar niet het einde van het geloof. Er ontstaan nieuwe geloofsgemeenschappen. Ondanks het wegvallen van zoveel voorgangers en voorgangsters in de kerk zijn er bezielde mensen die er proberen de geest in te houden.
Er is geen reden tot euforie, maar er zijn schuchtere tekenen van een soort revival. De leegloop die we de laatste decennia hebben meegemaakt is over zijn hoogtepunt heen. Ouderen die hadden afgehaakt ontdekken opnieuw de betekenis van feestelijke rituelen. Vooral naar aanleiding van bijzondere gelegenheden zoals communiefeesten, doopvieringen, inzegening van relaties, enzovoort. Ze willen niet terug naar het patroon van weleer, maar ze hervinden de warmte van feestelijke bijeenkomsten voor zover het niet gaat om het opdissen van kerkelijke antiquiteiten. Het valt op dat ook bij jongeren een interesse merkbaar is voor momenten van verstilling en inkeer, binnen en buiten de kerk. Het heet dat veel mensen zoekende zijn, dat ze behoefte hebben aan een houvast dat hun leven ruggengraat geeft.
Het zijn ook vooral jongeren die geplaagd worden met een sombere toekomstvisie. Zij beseffen dat de toekomst er voor hen niet rooskleurig uitziet. Dat geldt voor verschillende aspecten van het leven. De geneugten van de welvaartsmaatschappij zijn opgebruikt. Er is ook de algemene vervlakking en onverschilligheid in onze samenleving. Jongeren vragen zich af waar het met hun leven naartoe moet. Ze kijken uit naar voorbeelden die een bron van inspiratie kunnen zijn. Langs verschillende wegen zoeken ze contact met een soort innerlijke stem waarmee ze ‘in gesprek’ kunnen gaan.
Sommigen vinden een weg via het Boeddhisme of via één van de verschillende vormen van meditatie. Anderen vinden het in traditionele vormen van kerkelijke liturgie. Merkwaardig is dat. De feeling voor het sacrale manifesteert zich vooral bij de jongere generatie, ook al zijn ze niet zo vertrouwd met het kerkinstituut. Het ‘heilige’ of het ‘hogere’ helpt hen om de banaliteit van de samenleving te overstijgen.
Het zaad valt overal: op de weg, op rotsachtige grond, tussen de distels, in goede grond, maar we mogen hopen dat het op de één of andere manier overal vrucht draagt.
inleiding dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld Ignace D’hert OP
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,