- Versie
- Downloaden 5
- Bestandsgrootte 219.38 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 10 april 2026
- Laatst geüpdatet 10 april 2026
Preek 13e zondag door het jaar, A jaar, 28-6-2026
28 juni 2026
Dertiende zondag door het jaar
Lezingen: 2 Kon. 4,8-11.14-16a; Ps. 89; Rom. 6,3-4.8.11; Mat. 10,37-42 (A-jaar)
Inleiding
‘Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is…’ – woorden van Jezus uit het evangelie die je voor vandaag heel goed kunt verstaan tegen de achtergrond van het eerder gelezen verhaal over het gastvrije onthaal van de profeet Elisa door de Sunammitische. Een profeet (m/v) is een gezondene die niet voor of namens zichzelf spreekt maar die het woord voert namens Hem door wie hij gezonden werd. Een profeet is iemand die vanuit het verleden het heden interpreteert met het oog op de toekomst. Het gaat dus om het duiden van een actuele situatie. Iemand opnemen die daartoe geroepen werd, is niets minder dan een blijk van openheid en ontvankelijkheid voor de boodschap die gebracht wordt. Als zodanig is de gezondene ook te waarderen.
‘De arbeider is zijn loon waard’ – het zijn andere woorden van Jezus maar ditmaal uit het Lucasevangelie (10,7), woorden die echter op hetzelfde neerkomen. Bij Matteüs is eveneens sprake van het loon van een profeet (10.41), dat wil zeggen: de waardering voor zo iemand mag er dan ook naar zijn. Het aanreiken van een beker koud water kan in dat verband al betekenisvol zijn (10,42).
2 Koningen 4,8-11.14-16a – moment van herkenning
De profeet Elisa geniet herhaaldelijk gastvrijheid bij een welgestelde vrouw uit de plaats Sunem. Het gaat zelfs zover dat er op instigatie van de vrouw een apart vertrek voor de profeet gerealiseerd wordt. Zij komt op die gedachte omdat zij in de profeet ‘een heilige man Gods’ (4,9b) herkent. Daarmee geeft deze vrouw blijk van het besef dat zij hier met een gezondene te maken heeft, een man met een zending van Godswege. Haar openheid en ontvankelijkheid blijven niet onbeantwoord want de vrouw ontvangt van de profeet een belofte voor de toekomst: zij zal een zoon ter wereld brengen. De onbaatzuchtige houding van de vrouw blijkt voor de tweede maal uit haar reactie op deze aankondiging (vgl. v. 13b met v. 16b). Overigens valt het met het oog hierop serieus te overwegen om dit bondige verhaal toch maar integraal te lezen, dus inclusief de weggelaten verzen 12-13 en de afsluitende verzen 16b-17 waarin het uitkomen van de belofte door Elisa verhaald wordt. Op die manier krijgt het verhaal immers meer reliëf in combinatie met de evangelielezing...
Romeinen 6,3-4.8.11 – doop en opstanding
In het vijfde hoofdstuk van zijn Romeinenbrief schrijft Paulus uitvoerig over de relatie tussen zonde, genade, rechtvaardiging en vrijspraak. Meerdere keren verwijst de apostel daarbij naar de eerste mens Adam waardoor de zonde en de dood in de wereld zijn gekomen en als gevolg waarvan alle mensen daarna veroordeeld werden (5,12.15vv.18v). In dit volgende hoofdstuk wordt de redenering voortgezet in de stijl van een diatribe, een socratisch retorisch stijlmiddel dat bestaat uit vragen en antwoorden dat in de Oudheid veel gebruikt werd door filosofen en redenaars. Daarbij is het Paulus vooral te doen om de gedachte te bestrijden dat de zonde noodzakelijk of onmisbaar zou zijn voor het verkrijgen van de genade (sterke ontkenning in 6,2). Om deze visie kracht bij te zetten interpreteert Paulus de doop nu als een vorm van sterven en opstanding. Zoals Christus uit de dood is opgestaan na de dood aan het kruis, zo is de gelovige uit de dood door de zonde opgestaan tot een nieuw leven.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 10,37-42 – Zendingsrede
Na de Bergrede (Mat. 5-7) vormt de Zendingsrede (Mat. 10,5–42) de tweede toespraak van Jezus in dit evangelie, gericht tot de twaalf apostelen die kort daarvoor aangesteld zijn (in 10,2 worden de leerlingen ook zo genoemd: ‘uitgezondenen’). De tekst als geheel is geladen met een sterk besef van grote verantwoordelijkheid, ingegeven door pastorale bewogenheid van de Heer (9,36-38). De apostelen zijn geroepen om mede uitvoering te geven aan het initiële programma van Jezus zelf: 'Het koninkrijk der hemelen is nabij!' (10,7 moet dus in verband gebracht worden met 4,17). De apostelen zijn niets minder dan medewerkers van de Heer.
We beluisteren nu de slotpassage van deze redevoering. De afbakening van de tekst is vatbaar voor enige discussie: waarom niet gelezen vanaf vers 34? Daar wordt immers gesteld dat het volgen van Jezus niet vrijblijvend kan zijn maar zelfs scheiding teweeg kan brengen tussen mensen die door bloedverwantschap nauw met elkaar verbonden zijn. Dit is in feite ook het thema in het beginvers van de lezing.
Een ander perspectief
De keuze om Jezus te volgen, en dus om zich als apostel te engageren met zijn programma, impliceert een relativering van natuurlijke familieverhoudingen. Bij Matteüs zijn de uitspraken van Jezus hierover minder scherp dan met name bij Lucas. Daar staat het woord miseô in 14,26 – enigszins verbloemd weergegeven met ‘verfoeien’ in de Willibrordvertaling, maar ook vaak niet onterecht vertaald met ‘haten’. Bij Lucas is dit niet de enige plaats waar de verhoudingen op scherp gezet worden, zie met name ook 9,61v. In onze lezing staat daarentegen slechts: ‘Wie meer houdt van vader of moeder dan van Mij…’ (philôn … huper eme) en dat komt toch iets anders bij ons over... Niettemin is de strekking van de gedachte min of meer identiek: de bereidheid om de consequenties van de navolging te aanvaarden, ook als deze op gespannen voet komen te staan met de familieverhoudingen. Gesteld voor de keuze zal de gezondene van de Heer trefzeker moeten kiezen tussen het engagement met een bloedverwant (vader of moeder, zoon of dochter) óf met een geestverwant: eerst met de Heer zelf maar in feite gaat het Jezus om ‘Hem die Mij gezonden heeft’ (10,40b). Iets verderop in 12,46-50 spreekt Jezus er zich ondubbelzinnig over uit: ‘Want wie de wil doet van mijn Vader in de hemel, die is mijn broer en zuster en moeder’. Daaruit blijkt dat Jezus in feite doelt op een ander perspectief dan de biologische banden van vlees en bloed: zijn volgelingen kan men wel beschouwen als kinderen van één Vader.
In verlegenheid?
Soms strijken de woorden uit de Bijbel je tegen de haren in. Misschien is dat met dit evangeliegedeelte ook wel het geval. Want een keuze (moeten) maken tussen het liefhebben van vader of moeder of het liefhebben van de Heer heeft zo ogenschijnlijk de trekken van een heus dilemma. Maar hoe zit het dan met het gebod om vader en moeder te eren, een goddelijke opdracht die we zó toch ook terugvinden in dit Matteüsevangelie (15,4-7)? Kan het er voor een volgeling van de Heer werkelijk zó om spannen? Er zijn echter wel meer van zulke krasse uitspraken van Jezus te vinden in het evangelie, uitspraken die je misschien wel in verlegenheid kunnen brengen. ‘Als je hand of je voet je ten valt brengt, hak hem dan af en gooi hem weg’ (Mat. 18,8), om slechts één ander voorbeeld te noemen. De vraag komt bij je op: Hoe moeten we dit nu eigenlijk begrijpen? Vraagt de Heer dit werkelijk van ons, tot aan zelfverminking toe?
Misschien komen we er iets verder mee als we deze uitspraken zien – modern uitgedrukt – als een sterk staaltje van communicatietechniek. Jezus ‘chargeert’ zogezegd, Hij zet de zaken op scherp om duidelijk te maken waar het Hem feitelijk om te doen is. Jezus was onmiskenbaar góed in het communiceren met mensen, Hij had duidelijk het talent om bijvoorbeeld met gelijkenissen en onverwachte uitspraken (iemand de andere wang toekeren na een slag op het gezicht) zijn gehoor aan het denken te zetten. Het doen van zulke krasse uitspraken heeft misschien wel dezelfde bedoeling. Zoals ook in het Marcusevangelie de herhaalde opdracht aan het adres van de leerlingen om te zwijgen over de ware identiteit van Jezus (zie bijv. 9,9). De nuance draagt niet veel bij aan de receptie van een belangrijke boodschap. Het zet ons daarmee misschien wel aan het denken, het schudt ons wakker én het roept ons weg uit een al te gezapig leventje…
Preekvoorbeeld
Ik hoop dat u nog bereid bent te luisteren… Want dit soort uitspraken van Jezus zoals aan het begin van het evangelie van vandaag zijn woorden waarbij mensen afhaken en de boel voor gezien houden. Wat Jezus hier zegt over de omgang met je familie en over je bestaan gaat te ver. Een reactie die ik herhaaldelijk gehoord heb op deze lezing… En ik begrijp daar ook wel iets van… deze vlijmscherpe woorden… zo ken je Jezus niet… Als ik kijk naar het hele evangelie hoe Jezus daarin naar voren komt, wat Hij zegt en wat Hij doet, dan is dit héél anders. Dan zijn het onbegrijpelijke woorden. Ze staan ook wel in een heel specifieke context. Deze passage is het besluit van wat in het Matteüsevangelie de ‘zendingsrede’ heet.
We kennen in het evangelie de veel beroemdere ‘Bergrede’ – de lange toespraak die Jezus houdt voor iedereen die op Hem af is gekomen. Hij legt daarin uit wat leven met God voor een mens inhoudt – en dat draait om liefde krijgen van de Vader die er altijd zal zijn voor ons en die liefde aan mensen door willen geven. En Jezus nodigt ieder uit daar in te stappen; zich eraan over te geven en in die Geest te leven en te handelen.
De zendingsrede ligt in het verlengde van de boodschap van de Bergrede.
In de zendingsrede geeft Jezus zijn leerlingen die Hij erop uitstuurt om de boodschap van Gods koninkrijk van liefde te gaan brengen in alle dorpen en steden, adviezen hoe op weg te gaan, hoe te handelen. Hij draagt ze op niets mee te nemen en letterlijk met lege handen op weg te gaan en overal binnen te komen met de groet ‘Vrede aan dit huis.’ Hij raadt ze aan bescheiden te zijn en niets te verwachten. Hij waarschuwt ze dat Hij hen ‘als lammeren onder wolven’ zendt en dat ze op weerstand moeten rekenen. Want de liefdevolle boodschap die Jezus voor iedereen heeft staat wel haaks op wat voor de wereld gewoon, gebruikelijk en vanzelfsprekend is en zoals dat in onze dagen weer opnieuw zo onverkort klinkt en schaamteloos gedaan wordt: ik eerst, ik eerst, ik eerst.
En dan – om de urgentie daverend te onderstrepen en de leerlingen goed te doordringen van alle gevaren, komen de woorden die zo zwaar vallen: om te beginnen zullen ze zichzelf totaal over moeten geven, over moeten leveren. Het zijn scherpe woorden. Woorden die je aanvankelijk helemaal niet wilt horen: ‘wie meer van vader of moeder of zoon of dochter houdt dan van Mij, is Mij niet waard’ en ‘Je leven verliezen omwille van Mij om het te behouden.’ Het is Jezus in zijn radicale stand van aanspreken en wakker schudden. Dit is een Jezus die tegen kan staan omdat Hij zo anders is als wat we als kern van zijn boodschap kennen: heb God lief en je naaste als jezelf. Toch moeten we accepteren dat deze harde woorden ook klinken uit Jezus mond en dat ze gesproken zijn uit zorg voor ons leven in Gods ruimte. Want in de gang van ons leven kunnen wij mensen, al van kleins af, beheerst raken door gewoontes en plichten die van ouder op kind worden doorgegeven en opgelegd – en dat kan vormen aannemen die mensen knechten en verslaven en afbrengen van de oorsprong en de vrijheid waar God iedere mens voor geschapen heeft en toe roept. Het gaat hier over de zonde waar Paulus in de tweede lezing uit de Romeinenbrief over spreekt. Paulus legt de gelovigen in Rome nog eens uit dat zij door de doop bij Jezus de Christus zijn gaan horen en met Hem mee de gang door dood en het doodse hebben gemaakt. Zij hebben de doorgang gemaakt naar een leven met God, zij mogen meebouwen aan zijn rijk .
Dat is de missie en de kern waar Jezus voor gaat en voor staat. Hij brengt het leven dat God geeft terug in contact met God – en daar mag en moet alles voor wijken – radicaal. En dat geldt zeker ook voor wie zijn boodschappers zijn.
En dan is er nog een tweede waarschuwing – en dat zijn de woorden waarmee Jezus de leerlingen op het hart bindt om mild te zijn voor de mensen die ze tegen zullen komen. Ze mogen de verwachtingen die ze hebben van die mensen en hun acceptatie van de boodschap niet te hoog opschroeven. We zijn immers niet allemaal zo – en zo welgesteld – als de vrouw over wie we in de eerste lezing hoorden, die een kamer bij liet bouwen voor de profeet Elisa omdat ze in hem een boodschapper van de Liefde(volle) herkende. De leerlingen van Jezus moeten zich realiseren dat overal waar ze ontvangen worden en waar ze de ‘normale gastvrijheid’ zullen ontmoeten – want daar gaat het over bij die beker koel water – de mensen al doen wat er van ze gevraagd wordt. Daar is al het begin van het koninkrijk van God. We mogen erin horen dat we de lat vooral niet te hoog moeten leggen – want dat rijk van God is misschien wel meer ‘onder ons’ dan we soms geneigd zijn te denken. En ook dat we misschien wel meer kunnen dan we geneigd zijn te denken
Schrik en bemoediging, zo schudt Jezus ons wakker voor zijn werk dat mede in onze handen ligt. En ieder mogen we het op onze manier aanpakken, groot of klein, dicht bij huis of op wereldschaal en iedere bijdrage wordt gezien en gewaardeerd. We mogen ervan uit gaan dat dat op een passende, maar misschien voor ons verrassende en onverwachte, manier zal gebeuren.
inleiding drs. Harry Tacken
preekvoorbeeld Gerard Martens
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,