- Versie
- Downloaden 4
- Bestandsgrootte 222.29 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 10 april 2026
- Laatst geüpdatet 10 april 2026
Preek 12e zondag door het jaar, A jaar, 21-6-2026
21 juni 2026
Twaalfde zondag door het jaar
Lezingen: Jer. 20,10-13; Ps. 69; Rom. 5,12-15; Mat. 10,26-33 (A-jaar)
Inleiding
Onderlinge samenhang van de lezingen
‘Vreest niet’, ‘weest niet bang’ lijkt wel een thema in de lezingen van deze zondag te zijn. Zo krijgt Jeremia, na eerst over God te hebben geklaagd, in de eerste lezing de zekerheid dat zijn tegenstanders de ware vijanden zijn, en niet God die hem tegen hen heeft verdedigd. En in het evangelie wordt het vertrouwen uitgesproken dat de leerlingen in Gods handen geborgen zijn, en dat Hij hen door het lijden heen naar het eeuwig leven zal leiden.
Jeremia 20,10-13
Jeremia is medio 7e eeuw vChr. in een priesterfamilie geboren en behoorde tot de gevestigde orde binnen de samenleving. Het lag dan ook niet in de lijn der verwachting dat hij als profeet zou optreden. Profeten waren immers de grote critici van het establishment en traden als Gods woordvoerder op. Zij waren in staat om Gods visie op de maatschappij te vertolken. Men hoorde hun kritische woorden niet graag. Zo drukt Jeremia in Jeremia 20,7-18 een zeer intense pijn uit die bijna aan wanhoop grenst. Deze lange poëtische klaagzang bestaat in de eerste plaats uit twee jammerklachten, waarvan er een over jhwh gaat (20,7-9) en een over de vijanden van de profeet (20,10vv). Vervolgens treffen we in 20,13 een korte hymne aan, waarna Jeremia in 20,14-18 - in de vorm van een vervloeking - de wanhoop overbrengt die hij voelt als hij het onophoudelijke lijden in zijn eigen leven overdenkt.
Jeremia begint zijn klaagzang met een klacht over God. Dit klinkt opmerkelijk, maar is het niet. Jeremia is namelijk deels vrijwillig (hoewel door overreding) en deels onder dwang (door overweldiging) een profeet van God geworden. Het gevolg hiervan is dat men Jeremia, vanwege de kritische boodschap die hij met enige regelmaat verkondigt, met spot en hoon is gaan bejegenen. Zijn boodschap is altijd ‘geweld en verwoesting’ geweest (v. 8). Hierbij is het vaak onduidelijk of het nu gaat om een dreiging van Gods oordeel, de inhoud van de spot door het volk, een verslag van de zonden door het volk, of een verslag van wat hij uit hun handen (of zelfs uit Gods handen) heeft ontvangen.
Jeremia hoort – aldus de eerste lezing van deze zondag – de laster van het volk, die zijn woorden bespot. Ik hoor velen fluisteren’, aldus Jeremia, ‘daar heb je: “Ontzetting-overal” (v. 10). Breng hem aan. Ja, we brengen hem aan.’ Misschien beschouwen zij Jeremia als een schrikbeeld voor iedereen. Hij predikt immers alleen maar rampspoed en ellende. Zij wachten op zijn val en nemen, in een ironische wending, de woorden van Jeremia over die beschrijven hoe God hem heeft overweldigd: ‘misschien laat hij zich misleiden; dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.’ Deze woorden klinken dreigend in de oren. En toch. Uiteindelijk zal Jeremia niet door zijn vijanden worden overwonnen. God is zijn heldhaftige strijder, zijn kampioen die hem verdedigt en al zijn vijanden verslaat. Daarom zullen de vijanden struikelen, en niet Jeremia. Zij zullen worden overwonnen en te schande worden gemaakt.
Jeremia sluit zijn poëtische klaagzang af met een lofzang. Misschien beeldt hij zichzelf af als de arme uit deze lofzang, die door de Heer uit de handen van de boosdoeners wordt bevrijd. Let op de verandering die heeft plaatsgevonden. Jeremia begon met een klacht over God. Maar toen hij overging op een klacht over zijn vijanden, kreeg hij de zekerheid dat zij – en niet God – de ware vijand waren. God was en is zijn machtige strijder en verdediger.
Literatuur
Barbara Bozak, ‘Jeremia’, in: Erik Eynikel, Ed Noort, Tjitze Baarda en Adelbert Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel Band 2, Kampen, Uitgeverij Kok, 2001, 1154-1198.
Peter G. Craigie, Page H. Kelley and Joel F. Drinkard, Jr., Jeremiah 1-25 (Word Biblical Commentary, Vol. 26), Grand Rapids, Zondervan, 1991.
Romeinen 5,12-25
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 10,26-33
In Matteüs 10,5b-42 houdt Jezus, vlak voordat Hij de twaalf apostelen uitzendt, een lange zendingsrede voor hen. De evangelielezing van deze zondag, die daar een onderdeel van is, roept de bemoedigingswoorden in herinnering die in het boek Jesaja aan de knecht Israël worden gegeven in de zogeheten ‘vrees niet’-spreuken (Jes. 35,4; 41,10). Overal waar de apostelen de blijde boodschap van het rijk Gods verkondigen, zal er tegenstand zijn. Wanneer die tegenstand tot openlijke vijandigheid escaleert, hoeven zij niet bang te zijn. Immers, omdat Jezus degene is die de apostelen uitzendt en omdat zij niet kunnen verwachten dat zij beter dan hun leraar worden behandeld, moeten zij hun natuurlijke angst voor hun tegenstanders overwinnen en trouw blijven aan hun roeping.
Weest dus niet bang voor hen, aldus Jezus aan het begin van de evangelielezing. De reden hiervoor is nauw aan Lucas 12,2 verwant, en verzekert de angstige apostelen ervan dat er niets verborgen is dat niet onthuld zal worden, en niets geheim dat niet bekend zal worden. Ofschoon Lucas hiermee naar het menselijk gedrag verwijst - ‘Want wat jullie in het donker zeggen, zal men in het licht horen’ (Luc. 12,3) - lijkt Matteüs het echter als een verwijzing naar het mysterie van Jezus’ messiasschap op te vatten, en verandert hij daarom de indicatieve uitspraak in een imperatief: ‘Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht.’ Wat, met andere woorden, tijdens Jezus’ aardse leven geheim moest blijven - denk bijvoorbeeld aan het zwijggebod na bepaalde woorden en wonderen van Jezus -, moet na Pasen van de daken worden verkondigd. Hierbij vormen de platte daken, die toenmalige gebouwen doorgaans hadden, een ideaal platform voor verkondiging aan een grote groep mensen.
Het zijn dus niet de tegenstanders die de apostelen moeten vrezen, maar veeleer God zelf. God kan hen tot de eeuwige dood veroordelen. Maar de medaille heeft twee kanten: God de Vader, die over de mussen waakt en het aantal haren op ieders hoofd kent, zal voor zijn leerlingen zorgen bij alles wat zij in dienst van het evangelie moeten doorstaan. Deze ietwat overdreven uiting is effectief. God zal de apostelen niet tegen het lijden beschermen - want zelfs Jezus moest het lijden ondergaan - maar Hij die zij Vader noemen, zal zijn kinderen door het lijden heen naar het eeuwige leven leiden.
Hiermee is het verhaal nog niet ten einde. De relatie die iemand met Jezus heeft, is van het grootste belang. Immers, een relatie met God is alleen mogelijk door een relatie met Jezus, en hem verwerpen is in feite God verwerpen. Dit zien we ook terug in de verzen 32-33, waarin we lezen dat ieder volgeling die Jezus bij zijn medemensen erkent of verloochent, ook door Jezus bij zijn Vader zal worden erkend respectievelijk verloochend. Sommige exegeten nemen aan dat dit geen authentieke uitspraak (logion) van Jezus is. Volgens hen zouden deze verzen naar de bekentenissen en ontkenningen in de toenmalige rechtbank verwijzen, en daarmee een situatie na Pasen weerspiegelen. Anderen zien dit geheel anders. Zij betogen dat de werkwoorden ‘erkennen’ en ‘verloochenen’ veelal in een niet-juridische context worden gebruikt, bijvoorbeeld bij Petrus’ verloochening van Jezus in 26,69-75.
Literatuur
Donald A. Hagner, Matthew 1-13 (Word Biblical Commentary, Vol. 33A), Grand Rapids, Zondervan, 2000.
Douglas R.A. Hare, Matthew (Interpretation. A Bible Commentary for Teaching and Preaching), Louisville, John Knox Press, 1993.
Preekvoorbeeld
Inleiding op de lezingen:
De profeet Jeremia schreeuwt het uit dat het Woord van de Heer te groot voor hem is, hij kan zich er niet tegen verzetten. Hij moet het uitspreken, hij kan het niet stilzwijgen, het brandt hem op de lippen.
De mensen om hem heen verklaren hem voor gek, ze papagaaien hem na. Ze zetten hem te kijk.
In het evangelie zegt Jezus dat je niet bang moet zijn om dat wat als inzicht, als overtuiging in jou gegroeid is, te delen, uit te spreken. Laat je niet muilkorven. ‘Wat Ik jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken.
In het evangelie van vandaag (te lezen vanaf v. 16) komen allerlei dieren voor. Jezus zegt: ‘Ik zend jullie als schapen onder de wolven’ (v. 16). Dat was vroeger een scène uit een bijbels landschap, maar inmiddels heeft de wolf zich ook al lang en breed in Nederland gevestigd en we hebben er heel actuele beelden bij: van schapen en één wolf, om niet te denken van een hele roedel.
‘Wees dus scherpzinnig als een slang’ (v. 16), slim, wijs zelfs. Slangen zijn geheimzinnig en met dat ze vervellen en hun oude huid achter zich laten, dragen ze het mysterie van de wedergeboorte met zich mee.
En ‘Wees argeloos als een duif’ (v. 16), in een andere vertaling: ‘Behoud de onschuld van de duif”. Onschuld? Argeloosheid! Argeloos is iemand die niets kwaads verwacht of bedoelt.
Dek je niet van tevoren al in. Houd een open vizier. Wees niet bang, zoals de vredesduif die met zijn boodschap door oorlogsgebied vliegt, niet bang moet zijn. Wat hij te brengen heeft: vrede! Is groter dan zijn eigen levenslot.
Dit alles eindigt in iets heel teers in Jezus’ uitspraak over die twee mussen, te koop voor één stuiver, ze zijn er legio, in zwermen, en ze zijn niets waard.
Jezus spreekt van dat ene musje dat dood het dak afvalt. Een musje, daar kun je het aan aflezen wat het is om een schepsel Gods te zijn. In de Nieuwe Bijbelvertaling stond tot voor kort: ‘Er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil.’
Dat was een riskante vertaling, want in het Grieks staat ‘de wil van God’ er helemaal niet bij. ‘De wil van God’ wordt hier niet gethematiseerd. Toch was het wel een terechte vertaling, maar ook een vertaling die op haar beurt weer vertaald moest worden, dus een afdoende vertaling was het niet.
‘Er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil.’ Het laatste wat je hoort, de echo is: ‘niet wil!’ Dat is het goede aan die vertaling, dat je eraan hoort dat God de dood niet wil. Hij sluipt niet als magere Hein met zijn zeis achter je aan om je in een onbewaakt ogenblik neer te maaien.
Jezus zegt dat alles is gelegen in het niet willen van jullie hemelse Vader. Dat maakt het leven veilig, je kunt gerust leven en sterven.
Maar zoals gezegd, de wil van God is erin gefrommeld. Letterlijk staat er: Er valt niet één mus dood neer ‘zonder jullie Vader.’ Dat heeft de betekenis van: ‘zonder toestemming van’, ‘zonder medeweten van’, ‘buiten jullie Vader om’ of ‘buiten de wil van jullie Vader om.’
De nieuwste editie van de Nieuwe Bijbelvertaling heeft nu: ‘Maar er valt er niet één dood neer buiten jullie Vader om.’
De Bijbel in Gewone Taal leest – maar dat is meer een parafrase dan een vertaling: ‘Toch valt er dankzij de macht van God, jullie Vader, geen mus zomaar dood op de grond.’
Jezus maakt duidelijk dat geen enkele gebeurtenis – hoe klein of onbeduidend ook – zich buiten het bereik van God voltrekt.
De Nieuwe Bijbelvertaling had er dus voor gekozen dat weer te geven met behulp van die zwaarbeladen ‘wil van God.’ Bedoeld is: leven en dood van zelfs de meest onbeduidende vogels zijn in Gods hand, hoeveel te meer zal Hij jullie behoeden en bewaren!
Want nogmaals: het woord ‘wil’ staat er helemaal niet. Er staat alleen: het gebeurt niet ‘zonder’ jullie Vader of ‘buiten’ Hem om.
Ik zou dat niet via ‘de wil van God’ vertalen, want dan zet je de deur open naar: als God beschikt over leven en dood, heeft Hij dan ook de hand in ziektes, ongelukken, rampen, pandemieën? Komen al die vreselijke dingen ook van God?
Helemaal misgaat het als er een wetenschap van wordt gemaakt, een predestinatiekennis: dat God planmatig het ene musje hoog in boom laat nestelen en vastbesloten het andere musje dood neer laat vallen, de ene mens zegent met welvaart en gezondheid, de andere onder de tram laat omkomen.
Dan is het geloof geperverteerd tot een systeem van oorzaak en gevolg, van voorbedachte rade en wrede albeschikking. Dat is zoals in het fundamentalisme op een niet-religieuze wijze Bijbel wordt gelezen en de wil van God wordt verstaan als het hemels planbureau.
Het beste aan die oude Nieuwe Bijbelvertaling is dat in onze oren blijft echoën wat God ‘niet wil.’
De profeet Jeremia zingt: ‘Zing voor de heer, loof de heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.’
En Jezus dus vergelijkt de armen met al die dieren die Hij van stal haalt: ‘Ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif. Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.’ Hij wil zijn leerlingen een hart onder de riem steken, moed in spreken: ‘Wij zijn in Gods hand, in leven en sterven.’ ‘Wees dus niet bang.’
Juist aan dat tere van die veertjes, dat snaveltje, die paar pootjes, kun je het zien: ook dat schepseltje leeft en sterft van Gods goedheid omgeven, zou jij dan niet geloven = vertrouwen = blijven hopen?
Jezus heeft gezegd: ‘Jullie zijn meer waard dan een zwerm mussen.’ Tot Hem zijn wij hier gekomen als vogels van velerlei pluimage die neerstrijken in dit voederhuisje, als mussen die schuilen in het riet.
En wij bidden dat wij hier onze veren kunnen oppoetsen, onze verfomfaaide veren – want wat zijn we in de kreukels geraakt! – en dat wij voedsel vinden voor onze zielen. Tot wie zouden wij anders gaan?
Psalm 84 zingt van dit godshuis, dit altaar:
Het heil dat uw altaar omgeeft
beschermt en koestert al wat leeft.
De mus, de zwaluw vindt een woning.
Haar jongen zijn in veiligheid.
Mij is een schuilplaats toebereid
in het paleis van U, mijn Koning.
Heil hen die toeven aan uw hof
en steeds zich wijden aan uw lof.
inleiding dr. Max G.L. van de Wiel OCSO
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,