Preek Paasmaandag, 6-4-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 0
  • Bestandsgrootte 184.09 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 februari 2026
  • Laatst geüpdatet 2 februari 2026

Preek Paasmaandag, 6-4-2026

6 april 2026
Paasmaandag

Lezingen: Hand. 2,14.22-32; Ps. 16; Mat. 28,8-15 (A-jaar)

Inleiding

Handelingen 2,14.22-32
Historici in de antieke wereld maakten graag gebruik van speeches van personen in hun verhaal om aan de lezer de betekenis van gebeurtenissen over te brengen. In veel van de speeches die Lucas in het boek Handelingen plaatst, sluit hij aan bij deze gewoonte. De speeches zijn een soort aankondiging van het programma van Handelingen, en geven commentaar op het verhaal.
Zo ook in deze speech. Het wonder van Pinksteren heeft net plaatsgevonden, met de reactie van sommige omstanders dat de leerlingen dronken zijn. Op dat moment neemt Petrus het woord, als een profeet die bij het orakel van Delphi de extatische uitingen moest vertalen naar gewone mensen. Maar dat is niet wat Petrus doet. De leerlingen waren immers nu niet onverstaanbaar.
Wat Petrus doet is niet de woorden uitleggen, maar de gebeurtenis. Hij sluit aan bij wat ze al weten (Jezus’ wonderdaden en zijn dood), en onderbouwt dit met een uitleg van Psalm 16,8-11. Met zijn toehoorders deelt hij het idee dat deze psalm van David is, de messiaanse koning. De psalm kan echter niet over David zelf gaan, argumenteert Petrus: er wordt immers gezegd dat zijn lichaam geen bederf zal zien, terwijl van David het graf bekend was. Daarom moet de psalm door hem gezegd zijn over een nog te komen Messias, die David kon voorzien. Deze Messias is het, die verrezen is: Jezus. 

Matteüs 28, 8-15
Het evangelie van de Paasmaandag begint bij het lege graf, waar de vrouwen bij het graf zojuist van de engel die ze daar ontmoet hebben, te horen hebben gekregen dat ze snel naar de leerlingen moeten gaan om hen het nieuws van de verrijzenis te vertellen. En om hen te zeggen dat de Verrezen Jezus hen voorgaat naar Galilea. De vrouwen doen dat: ‘snel’, zoals de engel hen opgedragen had, en ‘vol angst en met grote vreugde’. De vreugde is begrijpelijk; waar de angst vandaan komt vertelt Matteüs niet. Zijn ze bang om niet geloofd te worden? Bang dat het te mooi is om waar te zijn?
Onderweg naar de leerlingen ontmoeten de vrouwen de Verrezene zelf. Alleen de evangelist Matteüs vertelt ons van deze ontmoeting. De wijze waarop Jezus de vrouwen groet (Chairete) is de meest gewone groet die op dat moment gebruikt wordt, en die tot op de dag van vandaag nog gebruikt wordt. Je zou het goed kunnen vertalen als ‘hallo’. Het klinkt aards, gewoon en dichtbij. Blijkbaar heeft de Verrezene geen behoefte aan een theatrale opkomst: het wonder zelf is genoeg.

De vrouwen doen twee dingen in reactie: ze grijpen Hem bij zijn voeten en vallen voor Hem op hun knieën. Ze grijpen zijn voeten: blijkbaar is de verrijzenis een lichamelijk gebeuren. Dat weerhoudt hen er niet van Hem eer te betuigen (aanbidden). Het is een woord (prosekunesan) uit de cultus van de ‘goddelijke’ keizer. De vrouwen doen dit nu met de verrezen Jezus. De engel die de verrijzenis kwam aankondigen hadden ze niet aanbeden, maar nu aanbidden zij Jezus. Zo komt Matteüs dicht bij een verwoording van Jezus als menselijk en goddelijk: de vrouwen grijpen Jezus bij zijn voeten in alle menselijkheid, en vallen voor Hem op hun knieën als God.
Jezus herhaalt de oproep van de engel aan de vrouwen, maar met een wijziging: Hij spreekt van ‘mijn broeders’ in plaats van ‘zijn leerlingen’. Het is een relevante verschuiving: het zijn de leerlingen die Hem allemaal in de steek gelaten hebben, en in de aanduiding van hen als ‘broeders’ zit heel het evangelie van vergeving verpakt. Wat volgt is een nieuwe uitnodiging om naar Galilea te gaan, of misschien beter, te ‘komen’. Het is een uitnodiging voor een nieuwe ontmoeting met Jezus, een nieuw begin voor de leerlingen die Hem verlaten hebben (26,56).

Het tweede deel van het evangelie van de Paasmaandag vertelt van een tegenmissie. De hogepriesters en de oudsten, de religieuze leiders en de leiders onder de leken komen samen. Ze gebruiken geld om de soldaten te laten liegen. Geld heeft in het evangelie vaak een slechte naam: Het heeft een bijna demonische kracht (‘Niemand kan twee heren dienen’, Mat. 6,24) en kan het een mens onmogelijk maken om Jezus te volgen (‘Hij ging verdrietig weg, want hij had veel bezittingen’ Mat. 19,22).

Een erg goede leugen is het overigens niet. In zijn commentaar op Matteüs vraagt Calvijn al: Hoe konden de soldaten weten dat zijn lichaam gestolen was als het gebeurde toen ze sliepen? Bovendien was in slaap vallen tijdens de wacht iets waar een soldaat normaal gesproken zwaar voor gestraft zou worden. Ze moeten daarom overtuigd worden met veel geld en met de verzekering: Als het de gouverneur ter ore komt, zullen wij hem wel bepraten. Zo komen twee vijanden van het evangelie hier samen: liegend leiderschap en veel geld.

Vers 15 geeft een inkijkje in de eigen tijd van Matteüs: het verhaal van de diefstal is verder verteld, tot in zijn tijd. Het lijkt Matteüs niet erg te deren: er wordt geen suggestie gedaan om het tegen te spreken. De verrijzenis is niet te stoppen gebleken, en dus moeten tegenstanders hun toevlucht nemen tot leugens.

Overigens klinkt de term ‘joods’ in het evangelie van Matteüs alleen uit de mond van heidenen: alleen al daarom is er dus geen reden om in dit vers enig antisemitisme te vermoeden, laat het staan het in die richting uit te leggen. De ironie van het verhaal zet intussen de menselijke zwakheid en Gods kracht tegenover elkaar. De wachters liegen in opdracht dat ze geslapen hebben en dat tijdens hun slaap het lichaam gestolen is, terwijl de leerlingen toen Jezus hen het meest nodig had, in de tuin van Getsemane, daadwerkelijk hebben geslapen (Mat. 26, 40-45). De leerlingen en de vijanden zijn beiden op verschillende manieren onmachtig gebleken, maar de verrijzenis van Jezus is een daad van Gods kracht.

Literatuur
L.T. Johnson, The Acts of the Apostles, Sacra Pagina Series, Liturgical Press, Collegeville MN, 1992.
F.D. Bruner, Matthew, A Commentary. Volume 2: The Church Book. Matthew 13–28, Eerdmans, Grand Rapids MI, 2004.
S. Hauerwas, Matthew, Brazos Theological Commentary on the Bible, Brazos Press, Grand Rapids MI, 2006.
C. Keener, The Gospel of Matthew. A Socio-Rhetorical Commentary, Eerdmans, Grand Rapids MI, 2009.

 

Preekvoorbeeld

‘Dood en leven streden een wonderlijke strijd.’ Deze versregel komt uit de mooie paashymne Victimae paschali laudes en de boodschap is dat het leven de strijd gewonnen heeft. Maar volgens het verhaal dat we deze paasmaandag lezen, hebben de hogepriesters en oudsten, die Jezus dood wilden, de strijd nog niet opgegeven. Wanneer bewakers van het graf hen komen vertellen dat het graf van Jezus leeg is, krijgen ze een flinke zak geld om de leugen te verspreiden dat de leerlingen het lijk van Jezus hebben gestolen, toen zij - de bewakers - sliepen. De lastige en kritische Jezus is dood en dat moet vooral zo blijven.

De strijd tussen leven en dood is van alle eeuwen. In Oekraïne, Sudan en Palestina bombarderen de adjudanten van de dood ziekenhuizen en scholen, blokkeren ze voedseltransporten en verhandelen ze krijgsgevangenen en gijzelaars als koopwaar. Lijnrecht tegenover hen staan de strijdkrachten van het leven, hulpverleners van de Verenigde Naties, de Rode Halve Maan, het Rode Kruis, Artsen zonder Grenzen en eindeloos veel lokale vrijwilligers die hun eigen leven op het spel zetten om de levens van anderen te redden.

Leven en dood zijn vijanden. Dat komt in de evangelieteksten scherp naar voren. We zeggen soms misschien te gemakkelijk dat de dood bij het leven hoort. Voor de bloemen, planten en dieren mag dat waar zijn. Daar geldt de kringloop van vergaan en ontkiemen. Niet voor niets zijn de narcissen, paashazen en paaseieren populair in de paastijd die vanouds ook een lentetijd is. Maar paashazen, paaseieren en de eeuwige kringloop van vergaan en ontkiemen helpen niet om dichter bij de Verrijzenis van Jezus te komen. Die slaat juist een bres in de kringloop van vergaan en ontkiemen. Jezus verrijst om voorgoed te leven, niet om opnieuw te sterven. Paulus zegt het zo: ‘Wij weten dat Christus, eenmaal uit de doden opgewekt, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem’ (Rom. 6,9).

Met de opstanding van Jezus is ‘deze wereld omgekeerd’, zoals Huub Oosterhuis dichtte. Tekenen daarvan zien we in het paasverhaal van Matteüs. Normaal gesproken bezegelt een grafsteen de overwinning van de dood op het leven, maar de engel gaat triomfantelijk op de weggerolde steen zitten, om te laten zien dat het leven de dood heeft overwonnen. Normaal gesproken ligt de dode in het graf en staan de levenden eromheen. Maar in het paasverhaal komt de dode overeind en vallen de bewakers als dood tegen de grond. Normaal gesproken gaan de levenden op bezoek bij de dode, maar in het paasverhaal van Matteüs komt Jezus, gestorven en begraven, de levenden tegemoet, Maria van Magdala en de andere Maria.

De opstanding van Jezus is geen verlenging van zijn aardse bestaan, maar begin van een nieuw bestaan. Als eerstgeborene van de doden is Hij het begin van een nieuwe schepping. We vieren niet dat Hij langer leeft, maar dat Hij waarachtig en ten volle leeft, dat zijn leven is ontrukt aan de greep van de adjudanten van de dood. Door Hem op te wekken, laat God zien dat de machten van de dood niet het laatste woord hebben, niet in Jezus en ook niet in ons die in Hem geloven. De aanwezigheid van de verrezen Christus is een innerlijke levenskracht, die maakt dat de gelovige ook zelf een nieuwe schepping wordt. Paulus zegt het zo: ‘Iemand die in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbij, het nieuwe is er al’ (2 Kor. 5,17).

Soms staat in een overlijdensadvertentie van iemand die heeft geworsteld met een zware ziekte, dat hij een oneerlijke strijd heeft geleverd – en verloren. Zo voelt het vaak. Maar voor Jezus is iemand die met Hem verbonden blijft, nooit een loser. De eigenlijke strijd speelt zich namelijk niet af tussen vitaliteit en neergang, maar tussen liefde en zelfzucht. ‘Al gaan wij ook ten onder naar de uitwendige mens, ons innerlijk leven vernieuwt zich van dag tot dag’ schrijft Paulus aan de christenen van Korinte, helemaal in de geest van Jezus. Wie in de Mensenzoon gelooft, heeft – nu al - eeuwig leven, zegt Jezus, maar wie leeft in zelfzucht, is nu al dood. Met andere woorden, ook al loop je de marathon, dan wil dit nog niet zeggen dat je waarachtig leeft. En ook al lig je doodziek op bed, dan wil dit nog niet zeggen dat je ten dode bent opgeschreven.

Iemand die in Christus is, is een nieuwe schepping, ook op het randje van de dood. Iemand liet me een schriftje zien van haar onlangs overleden moeder. Die had niet lang voor haar dood een tekst overgeschreven uit het zondagse misboekje. Ik las: ‘Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben.’ Het lezen van die regels, in een wat beverig handschrift overgeschreven, was voor mij een soort Paaservaring.

inleiding dr. Stefan Mangnus OP
preekvoorbeeld dr. Jan Hulshof SM