Preek Paaswake, 4-4-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 0
  • Bestandsgrootte 183.74 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 februari 2026
  • Laatst geüpdatet 2 februari 2026

Preek Paaswake, 4-4-2026

4 april 2026
Paaswake

Lezingen: Gen. 1,1(26-31a) -2,2; Ps. 104 (Ps. 33) – Gen. 22,1-(-2.9a.10-13.15-) -18; Ps 16 – Ex. 14,15-15,1; Ex. 15,1-6.17-18 – Jes. 54,5-14; Ps. 30 – Jes. 55,1-11; Jes. 12,2-6 – Bar. 3,9-15.32-4,4; Ps. 19 – Ez. 36,16-17a.18-28; Ps. 42-43 (Ps. 51) – Rom. 6,3-11; Ps. 118; Mat. 28,1-10 (A-jaar)

Inleiding

Tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (1962–1965) kende de rooms-katholieke liturgie op zon- en feestdagen een eenjarige lezingencyclus waarin nagenoeg alleen het Nieuwe Testament fungeerde. Het Missale Romanum van 1570 kende namelijk slechts drie feestdagen waarop uit het Oude Testament werd voorgelezen: Driekoningen (Jes. 60,1–6), Goede Vrijdag (Hos. 6,1–6; Ex. 12,1–11), en de Paasnachtwake met niet minder dan twaalf zogeheten ‘Profetieën’.
Na Vaticanum II is de situatie drastisch gewijzigd: er werd een lezingencyclus ontworpen met structurele aandacht voor Oude en Nieuwe Testament en een evenredige inbreng van alle vier evangelies. In het huidige Romeins Lectionarium worden voor de Paaswake niet minder dan zeventien lezingen opgegeven. Omdat het onmogelijk is om die allemaal recht te doen, is gekozen voor een selectie eruit.

Genesis 1Het mysterie van een nieuw begin
Bij het (voor)lezen van Genesis 1 komt een aantal zaken samen. Duisternis en chaos worden verdreven door slechts een paar woorden: ‘Er zij licht.’ In de liturgische context van de Paasnacht verdwijnt de donkerte van Jezus’ dood en graf met de komst van het licht, gesymboliseerd in het ontsteken van de kaars die even in het pas gewijde water wordt gedompeld. Water en vuur zijn hier elkaars metgezel, in plaats van elkaars vijand.
Dat van oudsher specifiek in deze Paasnacht de catechumenen werden gedoopt is uiteraard niet toevallig. Als gedoopte ontsnap je aan ‘de duisternis van de zonde’ en word je opgenomen in het licht.

Exodus 14 – In zee, maar toch op het droge
Welk wetenschappelijk commentaar je bij de passage uit Exodus 14 ook raadpleegt, onmiddellijk kom je in een debat terecht over de verschillende bronnen waaruit deze tekst zou zijn samengesteld. Wat daarbij het meest opvalt, is dat de geleerden het absoluut niet eens kunnen worden over een oplossing.
In plaats van te proberen daar een zoveelste theorie aan toe te voegen, is het veel beter om de tekst zelf te laten spreken. Uiteraard roept het verhaal vragen op, zoals: had de passage over de doortocht door de Rode Zee niet wat korter gekund? En: waarom moet alles meerdere keren herhaald worden? Het verhaal is zo uitgebreid, omdat hier het meest beslissende moment in de beleving van het volk Israël wordt verteld, herinnerd en tegelijk in dankbaarheid gevierd.
Vuurzuil en wolkkolom fungeren als duidelijke symbolen van Gods aanwezigheid. Ze verbeelden als licht en donker tevens het verschil tussen leven en dood. En overal in de Schrift waar sprake is van een engel van God staat iets belangrijks te gebeuren.

Dat de doortocht door de Rode Zee inderdaad als een fundamenteel moment beschouwd moet worden voor het volk Israël blijkt ook uit de inhoud van het lied in Exodus 15. De eerste helft vertelt nog eens, nu op poëtische wijze, de wonderbaarlijke redding.
Maar dan vindt vanaf vers 13 iets heel opvallends plaats. Vanaf dat vers vertelt het gedicht hoe het Israël, veel later in het land, is vergaan, terwijl ze binnen de context van het boek Exodus nog aan de lange weg erheen moeten beginnen. De dichter kan zich gewoon niet inhouden en ‘verklapt’ al de toekomstige ontwikkelingen; met als hoogtepunt het heiligdom op de berg dat, opvallend genoeg door God zelf, koning voor eeuwig en altijd, is gebouwd (15,18).

Romeinen 6 – Zonde – dood/ doop – leven
De Brief van Paulus aan de Romeinen is geen gemakkelijk brok theologie. De kerkgeschiedenis weet daar alles van. Augustinus, Maarten Luther, Karl Barth, om slechts een paar namen te noemen, hebben een blijvend stempel gedrukt op de uitleg van ‘het oudste van de literaire meesterwerken van het christendom,’ aldus Theo de Kruijf, Romeinen (Belichting van het bijbelboek), Boxtel 1990, 5.
Het verdient aanbeveling om de passage uit de Romeinenbrief zowel naar voren als naar achter iets uit te breiden (6,1-14), om op deze manier iets meer grip op het betoog van Paulus te krijgen. Het kan daarbij behulpzaam zijn om de tekst te raadplegen in Bijbel in Gewone Taal, Haarlem/Heerenveen 2014.
Aanknopingspunt is hetgeen vanaf 5,12 wordt gezegd. Door de zonde van één mens, Adam, zijn zonde en dood in de wereld gekomen, maar dankzij één mens, Jezus, zullen we eeuwig leven. Door de doop hebben we ervoor gekozen om bij Jezus te horen. Kunnen we dus onbeperkt zondigen, omdat we door de doop zijn bevrijd? Natuurlijk niet! Want bij de keuze van de doop hebben we plechtig beloofd de zonde te mijden. Daarom is het van belang dat in de Paasnacht de doopbeloften worden vernieuwd ten overstaan van de gemeenschap.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 28 – Het graf bewaakt door twee partijen
De evangelielezing voor vandaag zou eigenlijk al in 27,57 moeten beginnen. Vanaf dit punt worden namelijk al bouwstenen klaargelegd. Een zekere Jozef uit Arimatea legt het lichaam van Jezus in een nieuw graf, rolt vervolgens een steen voor het graf en vertrekt. Twee Maria’s gaan tegenover het graf zitten en blijven daarachter. Dit wekt de suggestie dat zij een soort bewaking vormen van het graf. De tegenpartij, hogepriesters en farizeeën, vragen Pilatus om bewakers bij het graf te posteren, omdat ‘die bedrieger heeft gezegd: na drie dagen zal ik uit de dood worden opgewekt’ (27,63v).
De uitvoerige tijdsbeschrijving in 28,1 mag op het eerste gezicht vreemd overkomen, maar is dat niet. Immers, die aangekondigde derde dag is nu aangebroken. De twee Maria’s komen de situatie bij het graf in ogenschouw nemen; de vertaling ‘naar het graf komen kijken’ is mij te vlak, te toeristisch.
Er ontstaat ‘een grote aardbeving’, mogelijk een verwijzing naar 8,24 waar Jezus slaapt! De beving wordt veroorzaakt door een engel van de Heer; er staat dus iets fundamenteels te gebeuren! Het is heel tekenend dat de evangelist eerst vertelt wat de engel doet met de steen en dan pas hoe hij eruitziet. De bewakers zijn er onmiddellijk door uitgeschakeld. Heel ironisch natuurlijk binnen de context van het verhaal: ‘ze werden als doden.’

Jezus zoeken
Je leest er gemakkelijk overheen: ‘ik weet namelijk dat jullie Jezus zoeken.’ Dit motief is nogal opmerkelijk, omdat het tot nu toe in het verhaal geen enkele rol speelde. De steen is immers voor het graf gerold. De focus van de vrouwen is op het graf (27,61; 28,1), niet op het zoeken van Jezus. Opvallend genoeg gebruiken ook Marcus (16,6) en Lucas (24,5) bij deze scène het woord ‘zoeken.’ Het is daarom zeer waarschijnlijk dat ook Matteüs deze formulering aan een gemeenschappelijke traditie heeft ontleend.
Dat de engel spreekt van ‘Jezus, de gekruisigde’ is natuurlijk de aanloop naar het complete tegenbeeld: ‘Hij is opgewekt zoals Hij gezegd heeft’. Deze passieve werkwoordsvorm is een zogeheten passivum divinum, een rechtstreekse verwijzing dat God zelf de handelende persoon is. Het lege graf is het ‘bewijs’ dat Jezus’ voorspelling werkelijkheid is geworden. Er heeft iets wonderbaarlijks plaatsgevonden.

De opdracht aan de vrouwen
De twee Maria’s spelen in het verdere verloop van het verhaal een uiterst belangrijke rol. Zij worden door de engel tot boodschappers aangesteld om snel aan de leerlingen te melden dat Jezus leeft en dat ze naar Galilea moeten gaan en Hem daar zullen zien. In Galilea is het immers allemaal begonnen (3,13)
In het oude Missale Romanum eindigde met dit vers 7 de evangelielezing van de Paaswake. In het huidige Lectionarium is er gelukkig voor gekozen om de lezing met enkele verzen uit te breiden. Ontzet en opgetogen tegelijk verlaten ze het graf en voor de tweede keer in kort bestek horen we het woord ‘snel’ (v. 8). En daar is Jezus die hen dezelfde boodschap opdraagt als de engel eerder deed. Terwijl van de engel werd beschreven hoe hij eruit zag (28,3), is dat bij Jezus niet het geval; alleen zijn naam wordt vermeld.
De vrouwen vervullen hier een opmerkelijke rol. Ze zijn de eersten die de levende Jezus ontmoeten, Hem vastpakken en aanbidden. Ze zijn dus de allereerste getuigen dat de opstanding werkelijk heeft plaatsgevonden. Het is heel opmerkelijk dat zij deze rol krijgen toebedeeld, want in het oude Israël werden vrouwen en slaven niet als betrouwbare getuigen aanvaard of in elk geval als minder betrouwbaar dan mannen. Dat de twee Maria’s dus de eerste getuigen zijn van de levende Heer is een zeer bijzondere gebeurtenis.
Een laatste klein detail kleurt dit verhaal. Waar de engel de vrouwen zegt om het aan Jezus’ leerlingen te gaan vertellen, worden dezen in de woorden van Jezus zelf ‘mijn broeders’ genoemd.

Literatuur

Elmar Nübold, Entstehung und Bewertung der neuen Perikopenordnung des Römischen Ritus für die Messfeier an Sonn- und Festtagen. Paderborn 1986, 19–170.

 

Preekvoorbeeld

Het kan donker zijn in ons leven, donker door onze angst, ziekte, eenzaamheid of door dat alles tegelijk. Donker is het als we alle hoop op toekomst hebben verloren, als onze idealen in duigen zijn gevallen, wanneer een relatie met een geliefde werd verbroken of een geliefd iemand is gestorven. Al die pijnlijke ervaringen worden opgeroepen door de duisternis waarmee deze paaswake begon…

Maar in die duisternis ging vuur branden en werd een licht ontstoken. Zo werd uitgebeeld dat Gods Licht zich een weg zoekt doorheen ons leven. Alles wat ons bezighoudt, de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen en het lot van de hele wereld, op dat alles hebben we slechts echt zicht als we het – wie weet na hoeveel moeite – kunnen zien in het licht van een heel nabije God die met ons meevoelt. Dan merk je dat God woorden spreekt van troost en bemoediging, woorden die toekomst verzekeren over elke duisternis heen.

Zo hoorden we in het verhaal van de schepping: God roept dat er licht moet zijn. Duisternis en chaos worden verdreven, en er was licht! En in het verhaal van de uittocht uit Egypte hoorden we dat onze God zijn volk uit de slavernij bevrijdt. Al is er nog zoveel dat we over God niet weten, is het toch onze overtuiging dat onze God een God is die mensen tot leven roept en wil dat we bevrijd kunnen leven. Soms zien we het, misschien maar even, dat we op geen enkele manier uit Gods hand vallen. Zoals Jezus die in dat zwarte gat van de dood viel, maar opgevangen werd door een God-die-Liefde is.

Van dit ‘mysterie van ons geloof’ getuigt het evangelieverhaal. En om te laten zien dat God in dit hele gebeuren heel intens betrokken is, komt ook hier een engel van de Heer in het verhaal voor. Dankzij God heeft Jezus de dood achter zich gelaten voor een heel nieuw leven. Onomwonden staat er dat de gekruisigde Jezus door God uit de dood is opgewekt; niet dat een dode Jezus weer levend is geworden (en dan later nog eens is moeten sterven). De verrijzenis brengt Hem niet terug tot een bestaan als voor zijn dood. Hij is niet teruggekeerd, maar Hij is aangekomen. Hij werd opgewekt tot een niéuw leven in Gods intimiteit. Dat is ‘eeuwig leven’, niet een eeuwigdurend leven, maar een onbeperkt ervaren van geluk, want opgenomen in een Liefde zonder eind.

Van buitenaf bekeken lijkt Jezus’ leven een mislukking. Zijn vijanden hadden Hem gedood en waren ervan overtuigd dat ze Hem voorgoed het zwijgen hadden opgelegd. Maar dat liet God niet zomaar gebeuren. God bleef Jezus trouw en heeft Hem uit de dood opgetild. Maar slechts na verloop van heel wat tijd geloofden zijn leerlingen dat Hij leeft. Geleidelijk ervaarden ze dat Hij hen niet in de steek laat en dat Hij op een gans andere manier met hen is. Uit die ervaring kwamen ze tot het inzicht dat Hij niet in de dood is gebleven, maar dat Hij is opgestaan uit de dood. En daarvan getuigen ze. Ze moeten naar Galilea gaan, want daar is alles begonnen en ze moeten weer van vooraf aan beginnen.
Als jaren later de evangeliën tot stand komen zijn het geen reportages, geen ooggetuigenverslagen, maar een manier om vooral in beelden en verhalen hun geloof uit te drukken dat Hij er is, ook al is Hij gestorven. Ze bieden ons goede gronden om ons vertrouwen te schragen, bewijzen zijn er niet en meer informatie hebben we niet.

En wij, hier samen in deze Paaswake, wij proberen Jezus op zijn weg te volgen tot ook wij ooit zullen thuiskomen bij God en onbeperkt van Gods Liefde zullen genieten. Naar die toekomst zijn we onderweg en onze hoop op die toekomst geeft zin en richting aan ons leven. Maar dat houdt een enorme uitdaging in voor ieder van ons, want het is Gods vurigste wens dat aan elke duisternis en aan al het kwaad in de wereld een einde komt. En daarvoor rekent God ook op ons.

Overal waar sindsdien mensen leven in de stijl van Jezus en opkomen tegen haat en terreur, honger en geweld, of voor het behoud van de schepping, daar gebeurt opstanding. Zo kan ons leven ook een opstandingsverhaal zijn, wanneer we – in de mate en op een manier die voor ons haalbaar is – elkaar aanvaarden, voor elkaar zorgen, elkaar troosten, elkaar vergeven… Dan is verrijzenis een gebeuren dat voortduurt, dat geschiedenis maakt; en dat is al heel veel liefde metterdaad, al is het allemaal nog onaf en verre van volmaakt. Maar we geloven dat wat we tijdens ons leven samen met anderen in liefde hebben opgebouwd, bij onze dood door God wordt voltooid. Geloven in leven na de dood is dan geloven dat ons leven geen doodlopende weg is, maar uitloopt op niets dan Liefde-met-een-hoofdletter. Dat is de radicalisering van ons geloof dat God trouw is aan ons, en Hij houdt niet op trouw te zijn als ons hart het begeeft of onze hersenen uitvallen. Juist in deze wereld die getekend is door gruwel en geweld, wordt het mogelijk ánders naar de realiteit te kijken en een ander verhaal te vertellen, een opstandingsverhaal dat zegt dat dood en geweld, haat en vijandigheid, niet het laatste woord hebben. Daaruit kunnen we moed en geloof putten, voor vandaag en morgen.

inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld Paul Heysse