Preek Witte Donderdag, 2-4-2026

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 1
  • Bestandsgrootte 174.88 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 2 februari 2026
  • Laatst geüpdatet 2 februari 2026

Preek Witte Donderdag, 2-4-2026

2 april 2026
Witte Donderdag

Lezingen: Ex. 12,1-8.11-14; Ps. 116; 1 Kor. 11,23-26; Joh. 13,1-15 (A-jaar)

Inleiding

Met Witte Donderdag begint het Paastriduüm. De vieringen van Witte Donderdag, de plechtigheden van Goede Vrijdag en de Paaswake vormen nadrukkelijk een geheel. Dit wordt onder meer zichtbaar doordat de Eucharistieviering op Witte Donderdag en de plechtigheden geen slotzegen kennen. Die komt pas op het einde van de Paaswake. Alleen de Witte Donderdagviering kent aan het begin een kruisteken. Op Witte Donderdag staat het Laatste Avondmaal centraal.

Exodus 12,1-8.11-14
De eerste lezing verhaalt het joodse Pesach. Vlak voor de Uittocht geeft God instructies aan Mozes en Aäron over de maaltijd die ze moeten nuttigen. Bijzonder is dat de feitelijke maaltijd niet wordt beschreven. Daarin kunnen we zien dat de instructie niet alleen voor deze ene keer is, maar voor de jaarlijkse pesachmaaltijd. In vers 14 lezen we dat deze dag tot een gedenkdag moet worden. ‘Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.’ Het belangrijkste gerecht van de maaltijd is het mannelijke eenjarige lam. Het bloed dat bij de slacht wordt opgevangen wordt op de deurposten en de bovenbalk van de deur gestreken. God zal in een ultieme plaag de eerstgeboren mensen en dieren doden, maar voorbijgaan aan de huizen die met bloed bestreken zijn. Voorbijgaan is in het Hebreeuws pasach of pesach. In de uitdrukking ‘Pasen voor de Heer’ staat in het Hebreeuws pesach: het voorbijtrekken van de Heer. Naast het lam worden er ongezuurde (zonder gist of zuurdesem bereid) broden en bittere kruiden gegeten. Het ongezuurde duidt op een nieuw begin: er wordt geen zuurdesem gebruikt (een deel van het deeg dat achtergehouden wordt om voor de volgende keer te gebruiken waardoor het nieuwe deeg gaat rijzen), maar slechts meel en water. De bittere kruiden duiden op het lijden van het volk in Egypte.

1 Korintiërs 11,23-26
Het Laatste Avondmaal was in de eerste plaats een joodse pesachmaaltijd. Jezus viert de bevrijding uit de slavernij van Egypte en daarmee gedenkt Hij God die door de heilsgeschiedenis heen steeds weer redding brengt. Paulus geeft nauwelijks inzicht in de verkondiging of het optreden van Jezus in zijn aardse leven. Hij concentreert zich op het lijden (het kruis) en verrijzen van Christus. Uitzondering hierop is de beschrijving van het Laatste Avondmaal. Ook de evangelisten Marcus, Matteüs en Lucas beschrijven het Laatste Avondmaal met brood en wijn. Johannes legt alle nadruk op wat er voor de maaltijd gebeurt, zoals we zo zullen zien.
De context bij Paulus is zijn reactie op berichten dat het er bij de ‘maaltijd van de Heer’ niet netjes aan toegaat. Men nuttigt meegenomen etenswaren en drank zodat sommigen hongerlijden terwijl anderen dronken worden (1 Kor. 11,17-22). Paulus beschrijft vervolgens hoe Jezus zelf het Laatste Avondmaal vierde. Of liever hij concentreert zich uitsluitend op de bijzondere betekenis die Jezus geeft aan brood en beker. Hij vermeldt daarbij niet dat het om het paasmaal gaat zoals de genoemde evangelisten wel doen. Paulus beroept zich op een overlevering van de Heer. Waarschijnlijk moeten we dit duiden op de wijze waarop Paulus de praktijk van het herhalen van het Laatste Avondmaal aantrof in de gemeentes die hij bezocht en die teruggingen op Jezus zelf: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’ (1 Kor. 11,24).
Paulus schrijft zijn brief in het begin van de jaren 50 van de eerste eeuw. Dus al 15 jaar na Pasen is het vieren van het Laatste Avondmaal een vanzelfsprekendheid. De ervaring van het Laatste Avondmaal met Jezus is voor de apostelen blijkbaar zo sterk geweest dat het al snel na Pasen tot een blijvende praktijk werd. Paulus zet de toon door aan te geven dat de maaltijd plaatsvindt ‘in de nacht waarin Hij werd overgeleverd’ (10,23). De arrestatie en kruisdood kleurt de maaltijd als het ware in.
Jezus dankt en breekt. Het danken – in het Grieks eucharistein – duidt het diepe besef aan dat we het brood, het voedsel, en in het verlengde al wat we hebben uit Gods hand ontvangen. Hem komt de dank toe. Het breken is een gebaar dat vanzelfsprekend is bij grote broden. Zo doet Jezus ook bij de zogenaamde wonderbare spijziging (zie bijv. Mar. 6,41). Daaronder is het ook een verwijzing naar Jezus zelf die in lijden en sterven gebroken wordt. Dit wordt versterkt door de woorden: ‘Dit is mijn lichaam voor u’ (1 Kor. 11,24). Het brood wordt lichaam en omgekeerd kunnen we ook zeggen dat zijn lichaam brood wordt.
Hoewel lichaam bij Paulus vaak tegenover geest wordt gesteld, gaat het in deze context over lichaam als levend lichaam en dan in de betekenis van persoon. In het teken van het brood stelt Jezus zijn persoon present. Bij de beker wordt de inhoud – de wijn – als vanzelfsprekend gezien. Bij de pesachmaaltijd gaat de beker met wijn immers rond. Bloed staat in deze context voor het levensprincipe (zie Gen. 9,5). Brood en wijn, lichaam en bloed staan dan voor Christus’ hele leven en persoon.
De formulering ‘Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed’ treffen we ook bij Lucas aan (22,20), bij Marcus en Matteüs zegt Jezus ‘dit is mijn Bloed van het verbond’ (Mar. 14,24 en Mat. 26,28). Beide formuleringen verwijzen naar de verbondssluiting bij de berg Sinai, waarbij Mozes bloed sprenkelt over het volk en zegt: ‘Dit is het bloed van het verbond dat de heer (..) met u sluit.’ (Ex. 24,8). De aanstaande kruisdood wordt als een verbondssluiting gezien en omdat de woorden hiernaar terugwijzen, is iedere eucharistische maaltijd een gedachtenis aan dit nieuwe verbond.
Overigens is nieuw hier niet te lezen alsof daarmee het vorige verbond heeft afgedaan. Nieuw wil hier zeggen vernieuwd of hernieuwde bekrachtiging van het verbond van God met het volk. Met het eten en drinken, zo getuigt Paulus, ‘verkondigen we de dood des Heren totdat Hij wederkomt’ (1 Kor. 11,26). Met de dood is hier ook de opstanding bedoeld. Het gaat over de verlossing in Christus door diens lijden, sterven en verrijzen.

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Johannes 13,1-15
Bij Johannes wordt er nauwelijks gegeten bij het Laatste Avondmaal. Vreemd genoeg krijgt alleen Judas ten teken van zijn verraad een stuk brood aangereikt (Joh. 13,26). Wel heeft Johannes al een heel hoofdstuk besteed aan het eten en drinken als uitloop van de wonderbare spijziging (Joh. 6). Daar spreekt Jezus al wel over het eten van zijn vlees en drinken van zijn bloed. In de liturgie van de kerk valt alle nadruk op de voorbereidingen van het Laatste Avondmaal en wel op het wassen van de voeten van de leerlingen. Het is de typisch Johanneïsche Jezus die boven het aardse gewoel lijkt te staan, weet wat er gebeuren gaat en soeverein handelt: ‘Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had gaf hun het bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe’ (Joh. 13,1). Het gaat over de voetwassing die volgt, maar de zin wijst ook vooruit naar het lijden en de kruisdood als bewijs van uiterste liefde (zie bijvoorbeeld Joh. 15,13). Jezus besluit op te staan van tafel en vrouwen-, knechten- of slavenarbeid te verrichten door de voeten van de leerlingen te gaan wassen. Blijkbaar is dat bij binnenkomst nog niet gebeurd. Simon Petrus is geschokt door de handelwijze van zijn meester. Zijn meester gedraagt zich als de eerste de beste knecht, dat kan Petrus niet verdragen. Voor Jezus is het laten wassen van de voeten essentieel om zijn leerling te zijn: ‘Als gij u niet door Mij laat wassen kunt gij mijn deelgenoot niet zijn’ (Joh. 13,8). Het gaat Jezus erom dat ze zich door Hem, hun leraar, de voeten laten wassen om het als leerling Hem na te doen. De gemeenschap van volgelingen van Jezus is ten diepste een gemeenschap waarin de onderlinge dienstbaarheid centraal staat. ‘Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zult doen zoals Ik u gedaan hebt’ (Joh. 13,15). Daarmee komen beide kenmerken van het Laatste Avondmaal bij elkaar: Jezus schenkt zich weg als brood en wijn èn in naastenliefde.

 

Preekvoorbeeld

Een jong dier roept vertedering op en wel helemaal het jong van een schaap: het lam! Het weet van geen kwaad, het is één en al lieflijkheid. Onbeholpen staat het in de wereld en roept gevoelens op van ‘koesteren’, ‘strelen’, ‘tedervol aanraken’. Als een lam geslacht wordt om gegeten te worden, zal het geen kik geven, het ondergaat zijn lot in stilzwijgen, zonder tegenstribbelen, zonder protest, hoogstens wat klaaglijk geblaat. Dit gebeurde in de nacht van de uittocht uit Egypte, - beschreven in de eerste lezing van deze Witte Donderdag, genomen uit het boek Exodus. Het dier met zo’n hoog tederheidsgehalte werd voor die nacht geslacht om vervolgens gegeten te worden, gedeeld door de familieleden die samen aan tafel kwamen. Als er te weinig eters waren dan moesten twee families samenkomen en samen het ene lam delen.

De Joodse stammen, die op het punt stonden uit Egypte weg te trekken, waren geknechte mensen, van vrijheid beroofd. Het lam dat geslacht en gegeten werd, gaf enigszins hun situatie weer: stilzwijgend moesten ze hun lot aanvaarden: slavenarbeid voor de Egyptenaren! Zouden ze protesteren, dan werd dat meteen de kop ingedrukt. De Egyptenaren en vooral hun autoriteiten – de farao en diens functionarissen – waren de knechtenden, de onderdrukkers. Zij dwongen het Joodse volk om nieuwe steden te bouwen en hun projecten van grootheidswaan, zoals het bouwen van de enorme pyramides boven de graftombes, uit te voeren. Maar het was duidelijk aan wiens kant de God van Liefde en Gerechtigheid stond, de God, die aan Mozes in de woestijn, in de brandende doornstruik was verschenen. Toen diens engel van toorn de huizen van de Egyptische steden en dorpen langsging, was het bloed van het lam, op de deurpost aangebracht, het teken om dat huis over te slaan, voorbij te gaan, te sparen – vandaar het woord Pasen, Pesach, voorbijgaan. Was er géén lamsbloed op de deurpost gestreken, dan was er reden om te straffen! Wie daar woonde was telg van het knechtende, onderdrukkende volk.

Uit die huizen klonk dan ook gejammer op en geschrei. De inwoners daarentegen van de huizen, waaraan de toorn voorbijging, profiteerden van de verwarring en ontsteltenis die was ontstaan. Gedekt door het duister en de stilte van de nacht, trokken ze het slavenhuis uit, de woestijn in. De God van gerechtigheid en beschermende liefde was aan hun zijde, trok met hen mee en zou hen de weg wijzen naar een nieuw land van redding en belofte!

Het slachten van het lam en het eten ervan bleef niet slechts beperkt tot die ene nacht van de uittocht. Om het Paasfeest van die nacht en het uittrekken uit het slavenland blijvend te herdenken zou – eenmaal aangekomen in het land van redding – dit gebeuren de eeuwen door herhaald en herinnerd worden: niet slechts in de tempel van Jeruzalem – toen die er nog was – waar vlak voor Pasen de paaslammeren werden geslacht, maar ook in ieder gezin en familie afzonderlijk. Het nuttigen van het Paaslam was het belangrijkste onderdeel van de Paasmaaltijd.

Het was in herinnering aan die nacht van redding, dat Jezus vlak voor zijn heengaan met zijn leerlingen het pesachmaal hield. Geen bloedverwantschap in familievorm hield Hij hen voor. God had hen bijeengeroepen tot een geheel andere bloedverwantschap. Hún bloedverwantschap zou het vloeien worden van het bloed van het Lam, dat Jezus zelf was op het kruis. Niet op de deurpost, maar op het hout van het kruis zou zijn bloed worden uitgestreken en zij die naar het kruis opzagen werden gespaard en opgenomen in die nieuwe verwantschap: het Nieuwe Verbond ‘in zijn bloed’.

Aan het begin van de maaltijd ging Jezus in een daad van uiterste dienstbaarheid bij zijn tafelgenoten langs om met reinigend water hen de voeten te wassen! ‘Ook gij zijt rein’ hoorde Petrus Jezus zeggen, oftewel ‘gij zijt nieuw gemaakt’, zijn nieuwe gemeenschap van geloof in de Vader en wederzijdse liefde toebehorend. Wel werd eraan toegevoegd: ‘ofschoon niet allen!’ Judas’ verraad zette hem buiten het Verbond. Hem zou Gods toorn niet voorbijgaan!!

Jezus legde zijn bovenkleed af. Vol tedere liefde vervult Hij het gebaar van de voetwassing. Even later zal met eenzelfde gebaar van tedere liefde het brood gebroken worden en de beker aangereikt. De verzamelden rond de tafel gingen delen in een liefde, groter dan henzelf, op dat moment zelfs nog Judas de verrader omvattend – dan nog niet de nacht ingevlucht. In de rondgaande gaven van brood en beker ontvangen zij Jezus zelf, lichaam en bloed – zijn leven, zijn totale persoon in zich opnemend.

‘Sta op, laten we naar buiten gaan’ klinkt op het einde van de maaltijd. Gevolgd door de zijnen, die vol onrust en kloppend hart achter Hem aan komen, gaat Jezus de donkerte van de nacht in, richting Olijfberg. In gehoorzame overgave zal Hij op zich nemen, wat al voorzien was door de grote profeten van weleer. Geen machtige, majesteitelijke Messias hadden zij voorspeld, maar een lijdende Messias, die in overgave, zonder verzet (‘stop het zwaard in de schede, Petrus’), - als een lam dat ter slachting werd geleid zonder zijn mond te openen, - de dood zou aanvaarden. Trouw aan zijn Vader zou Hij de kelk, Hem aangereikt, tot de droesem leegdrinken. Trouw ook zou Hij zijn aan hetgeen Hij de zijnen betreffende de liefde steeds had geleerd en onderwezen: als je geslagen wordt, sla dan niet terug, als je wordt uitgescholden, scheldt dan niet terug, geen kwaad met kwaad, maar kwaad met goed vergelden! Vraag vergeving voor wie jou kwaad berokkenen. Jezus zal het uitroepen op het kruis: Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!

Het is Witte Donderdagavond. We gedenken een belangeloze, zich volledig gevende liefde: Hij gaf zijn leven voor de zijnen, opdat zij leven zouden vinden in Hem. De Kerk wordt niet moe dit in de Eucharistische maaltijd steeds opnieuw in herinnering te brengen, in Paulus tijd al, in onze tijd – behalve getekend door talloze onschuldige doden en slachtoffers in vernietiging brengende oorlogen, in Gaza, in Oekraïne.
Het Griekse woord eucharistein betekent ‘dankzeggen’, uit Gods hand ontvangen. Zo’n 15 jaar na Jezus’ binnengaan in het hemels vaderland – om vandaar eens terug te keren! – beschrijft Paulus in zijn Eerste brief aan de Korintiërs hoe het eraan toe ging in de Eucharistische maaltijd in zijn dagen. Wat betreft de Eucharistische woorden vinden we bij hem dezelfde mysterievolle woorden als in de Evangelies, de woorden die Jezus gebruikte bij zijn Laatste Avondmaal. Toch noemt de apostel in diezelfde brief al de zwakke schakel, die ‘het verbond in zijn bloed’ ontkracht en dikwijls een zwakke schakel zal blijven, namelijk het feit, dat er bij diezelfde maaltijd (toen nog één met het aandragen van gaven in natura om samen te delen) sommigen waren, die de meegenomen etenswaren haastig verorberden en zelfs tot dronkenschap kwamen, terwijl anderen honger leden en niets kregen! Deze gedragingen toen al, zo kort na Jezus heengaan, geheel tegen de geest van het eucharistein – dankbaarheid om de geschonken gaven – moeten ons aan het denken zetten. Hoe staat het met ons delen? Zijn wij bekommerd om andermans nood? Hebben we begrepen, dat de maaltijd van het Lam een mededogend hart vraagt, openstaande voor de tekenen van de tijd (de uitdrukking, die het Concilie gebruikte) – de smarten en de angsten, de vreugden en de hoop van alle mensen delend (Canon V-3) – geopend voor de schepping, die in barensnood is en uitziet naar verlossing en nieuw leven, op tocht naar het beloofde land.

Zo ja, begrepen, laten we, onze harten openend, ernaar leven en handelen. Zo nee, niet begrepen, helaas is dan het bloed van het Lam tevergeefs op onze deurposten uitgestreken en biedt het geen bescherming tegen de machten van het kwaad, die in onze wereld rondgaan. In plaats van een hartelijke wereld laten we dan een harde wereld achter! God verhoede het!

inleiding drs. Marc Brinkhuis
preekvoorbeeld Tiemen Brouwer OP