- Versie
- Downloaden 2
- Bestandsgrootte 167.01 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 2 februari 2026
- Laatst geüpdatet 2 februari 2026
Preek Palmzondag of Passiezondag, A jaar, 29-3-2026
29 maart 2026
Palm-of Passiezondag
Lezingen: Mat. 21,1-11; Jes. 50,4-7; Ps. 22; Fil. 2,6-11; Mat. 26,14(27,11-54)-27,66 (A-jaar)
Inleiding
Matteüs 21,1-11; 26,14(27,11-54)-27,66
De ietwat wonderlijke montage van verschillende fragmenten uit het lijdensverhaal van Matteüs heeft tot doel het thema van Palmzondag met dat van het lijdensverhaal te verbinden. Dat is niet zonder risico: het is zonneklaar dat de menigte Jezus als Messias (= zoon van David) binnenhaalt. Dat een dergelijke manifestatie explosief kan zijn in het oog van de Romeinse bezetter behoeft geen betoog. Vooral rond Pasen was het besef levend dat de farao in de gedaante van de Romeinse keizer rondwaarde en dat bevrijding: van duisternis naar het licht van de bevrijding, geboden was. Overigens suggereert het liturgisch leesrooster een opeenvolging van de intocht in Jeruzalem en het lijdensverhaal, maar het evangelie kan heel goed twee ver uit elkaar liggende gebeurtenissen hebben willen aanduiden. Jezus onthield zich van provocaties, maar dat geldt wellicht niet voor al zijn leerlingen, terwijl de kruisdood van Jezus toch wel een poging van de Romeinen was, hierbij geadviseerd door de joodse leiders van de tempel (niet de farizeeën), om de onrust van de menigte in te dammen.
Matteüs schreef echter decennia later en projecteerde de groeiende verwijdering tussen synagoge en de eerste (joodse) christenen terug op de beschrijving van het lijdensverhaal, inclusief de betrokkenheid van farizeeën, die historisch gezien juist dicht bij Jezus stonden. Vandaar bij Matteüs de beruchte zin: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’ (27,25), een massieve beschuldiging van heel het volk! Dat staat wel haaks op de intocht in Jeruzalem en ook op terloopse zinnetjes zoals: ‘vele vrouwen keken op een afstand toe. Ze waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zorgen’ (27,55), en ook, na de parabel van de misdadige wijnbouwers die wel ten onrechte als substitutie van Israël door de kerk wordt uitgelegd: ‘Ze (de leiders) vreesden het volk want dat beschouwde Jezus als een profeet’ (21,46, vgl. 21,11). Het volk stond dus in grote getale achter Jezus.
Typerend voor Matteüs zijn de talrijke ‘bewijsplaatsen’ uit de Hebreeuwse Bijbel (of Septuagint); zo ook het citaat uit de profeet Zacharia 9,9 waaruit blijkt dat het rijden op een ezel teken van de Messias is. Dat het parallellisme bij Zacharia slechts één ezel bedoelde (vgl. ook Mar. 11,2), terwijl Matteüs er twee heeft begrepen, is verder van weinig belang. Belangrijker is de symboliek van de ezel, die in tegenstelling tot het rijden op een paard, voor eenvoud staat. De berijder, de Messias is dan ook zachtmoedig, een koningschap dat in alle opzichten het omgekeerde is van de machthebbers van deze wereld. We vinden datzelfde motief al vanaf het Magnificat bij Lucas tot aan Jezus voor Pilatus en dus ook hier, als kenmerk van de Messias.
Dat koningschap dat ‘niet van deze wereld is’, mag niet worden verstaan als apolitiek of als een louter spirituele zaak, maar als een weerloze overmacht die sterker is dan de macht van wapens en geld. Daarin te geloven én ernaar handelen is de opdracht van de messiaanse gemeente die kerk heet.
Zowel de uitroep: ‘Hosanna, zoon van David’, als de symboliek van de ezel en de lof van (palm)takken maken duidelijk dat de intocht in de stad Jeruzalem als messiaans moet worden beschouwd. Recente pogingen om de betekenis van Jeruzalem en Palestina voor het nieuwe Testament af te zwakken lijken niet geslaagd: Jeruzalem en de tempel, die in 70 nChr. door de Romeinen werd verwoest, maakten een nieuwe theologie van de tempel nodig voor de eerste christenen, maar in onze perikoop vinden we dat nog niet terug. Het land Palestina speelt wellicht daarom een geringe rol in de evangeliën als landbelofte, omdat Jezus en zijn leerlingen daarin feitelijk onbevangen woonden, met een gemengde bevolking, onkundig van het feit dat daarover 2000 jaar later zo fel zou worden gestreden.
Jesaja 50,4-7
In het verleden werden passages uit de Hebreeuwse Bijbel als directe profetieën, voorspellingen gezien van het optreden van Jezus. Vreemd genoeg kwam de eigen boodschap van zo’n tekst dan niet goed uit de verf, terwijl die pas dan ook zinnig op Jezus kan worden betrokken. Jesaja spreekt over profetisch onderricht aan Sion dat zich getroost zal weten en over een boodschap aan de volkeren der wereld (51,4). Particularisme en universalisme gaan dus hand in hand, zonder dat de een tegen de ander wordt uitgespeeld. In onze perikoop wordt benadrukt dat een profeet ondanks dat veel heeft te verduren: slagen op de rug, uitrukken van de baard, bespuwing. Geen wonder dat de kerk hierin een voorzegging van het lijdensverhaal heeft gezien. Maar desondanks houdt de profeet van zijn volk: dat zouden christenen moeten bedenken willen ze anti-joodse prediking vermijden, waarbij het jodendom (onhistorisch) de volledige verantwoordelijkheid voor de kruisiging van Jezus (een Romeins executiemiddel voor niet-Romeinen, slaven) krijgt toegeschoven. Indrukwekkend is hoe Jesaja God als pleitbezorger te hulp roept tegen zijn belagers: ‘Nabij is Hij die mij vrijspreekt, wie spant een rechtszaak met mij aan? …Zie de Heer staat mij bij, wie veroordeelt mij dan nog’? (50,8v). Dit is nogal verwant aan hoe Job zijn rechtsgeding voert: ‘Ik weet dat mijn Losser/Verdediger leeft!’ (Job 19,25).
Psalm 22
Psalm 22 vormt al in de evangeliën zelf het decor van het lijdensverhaal. Sommige psalmen bestaan uit twee stemmingen: agressie/ wanhoop tegenover vrede/Godsvertrouwen, waarbij de biddende mens als het ware meegenomen wordt van de eerste naar de tweede stemming. Zo ook Psalm 22. Bijzonder is de uitleg van de joodse filosoof Erich Fromm: hij betoogt dat de spil van de psalm wordt gevormd door een woord dat in veel vertalingen wordt weggelaten omdat ze er geen raad mee weten: ‘anitani = Gij hebt mij geantwoord (v. 22). De verlatenheid zowel van de moederschoot (22,10) als van vaderlijke richtlijnen (22,5) is immens: noch overgeleverde wijsheid noch geborgenheid lijken nog troost te bieden, een existentiële crisis die heden ten dage ook is aan te wijzen. Dit alles maakt plaats voor uitzicht, gemeenschap en Godsvertrouwen en wel door een onverwacht aangesproken worden, een antwoord dat alles anders maakt. Lofzang blijkt mogelijk, ja het blikveld reikt tot aan de uiteinden der aarde, zo sterk is het isolement doorbroken. Het einde van de psalm: ‘Omdat het door Hem is volbracht’ (22,32), zou zelfs doorklinken in het kruiswoord: ‘Het is volbracht’.
Geen wonder dat de synagoge, misschien wel enigszins in competitie met het vroege christendom, deze zelfde psalm heeft toegepast op Esther, bevrijder van haar volk ondanks dat ze werd belaagd door hovelingen aan het hof en met name door Haman.
Filippenzen 2,6-11
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95
Preekvoorbeeld
Keer op keer kun je merken dat symbolen in onze maatschappij van belang zijn. Of het nu gaat om een zee van oranje vlaggetjes in bepaalde wijken bij een wereldkampioenschap voetballen, of om omgekeerde Nederlandse vlaggen op het boerenland, of het nu gaat om een roos op Valentijnsdag of om bloemen op een plek waar iemand verongelukt is, of het nu gaat om massale rode demonstraties of om demonstraties waar (gezichtsbedekkend) zwart overheerst. Deze voorbeelden maken duidelijk dat symbolen meer zijn dan een leuke versiering of aankleding, dat ze belangrijk zijn én dat er een problematische kant aan symbolen zit. Ze zijn niet altijd eenduidig of duidelijk. Als je oranje alleen maar verbindt met een stoplicht, kom je niet ver in die wijken. Rozen staan op Valentijnsdag voor iets anders dan tijdens een verkiezingsstrijd. En, nog belangrijker, ze kunnen ook misbruikt worden.
In de lezingen van vandaag komen twee symbolen voor. Het belang en het problematische van symbolen klinken in de lezingen door. Een is hét symbool geworden van ons geloof: het kruis. Het andere, de ezel, is niet zo belangrijk geworden. Maar het is goed toch even bij dat symbool stil te blijven staan, niet alleen omdat het een rol speelt in de evangelielezing voor de palmprocessie, maar ook omdat er een verband is tussen de ezel en het kruis.
Een van de oudste afbeeldingen van het kruis is een spot-grafiti waarschijnlijk uit het begin van de 3de eeuw, ingekrast op een muur van een opleidingsinstituut voor paleisbedienden. Een van die toekomstige bedienden is Alexamenos, een christen. Een medestudent maakt hem belachelijk door hem biddend af te beelden bij een kruis waarop een mens te zien is met een ezelskop. ‘Alexamenos aanbidt God’ staat erbij gekrast. Het gerucht ging dat christenen een ezelskop aanbaden. Een gerucht dat waarschijnlijk gevoed werd door verhalen over joden die een ezelskop of zelfs een ezel aanbaden. De Romeinse historicus Tacitus vertelt bijvoorbeeld het verhaal dat de joden tijdens hun tocht door de woestijn door een kudde wilde ezels naar een waterbron werden geleid en dat ze daarom een ezel vereerden. Tacitus geeft ook een oordeel over deze ‘feiten’: het gaat om het laagste van het laagste. Vereren van dieren was voor de Romeinen en Grieken al iets onbegrijpelijks, het vereren van een ezel maakte dat alleen maar erger, omdat een ezel dan ook nog een van de minste van de dieren was.
In de evangelielezing voor de palmprocessie wordt het symbool van de ezel gebruikt, maar in plaats van een belachelijk en negatief symbool is het hier een bewonderenswaardig en positief symbool. Dat wil zeggen de eigenschappen die de ezel heeft worden niet ontkend, in tegendeel het gaat om een lastdier. Maar die karakteristiek wordt anders gewaardeerd. Zachtmoedigheid wordt niet als een zwakte beschouwd, maar als een sterkte. Dat de Koning niet op een paard komt, maar op een ezel is een omkering van waarden: een echo van de Zaligsprekingen en van het Magnificat. Die omkering is niet van vanzelfsprekend en roept misverstand en spot op, zoals blijkt uit de episode in het lijdensverhaal waarin de soldaten Jezus mishandelen en uit het opschrift op het kruis. En het is de vraag of dat misverstand en spot beperkt zijn tot die tijd of dat ze eigenlijk van alle tijden is.
Die vraag dringt zich ook op bij dat andere symbool, het kruis. Het is altijd even schrikken wanneer dat symbool gebruikt wordt door rabiaat rechtse groepen in het buitenland, maar ook in ons eigen land gebeurt het. Zoals bij de bestorming van het Capitool in Washington werden namelijk ook in Den Haag bij die grote betoging voor de laatste algemene verkiezingen kruizen meegenomen. Het kruis is een ongemakkelijk symbool en al in het vroege Christendom is dat te merken. Het duurt even voordat het kruis met daarop het lichaam van Christus een breed geaccepteerde afbeelding wordt. Eerder zie je wel kruizen maar zonder corpus, gevat in een zegekrans. Ook wanneer Christus op het kruis wordt afgebeeld, wordt Hij eerder staand dan hangend afgebeeld, soms helemaal gekleed, waarbij de doornenkroon is vervangen door een gewone kroon. Die laatste manier van verbeelden kun je nog verbinden met de manier waarop het lijden en sterven van Jezus in het evangelie van Johannes wordt verteld.
Maar in het passieverhaal dat we vandaag gehoord hebben, klinkt door wat Paulus zegt over het kruis en het lijden en de dood waar het naar verwijst: aanstootgevend en dwaas (vgl. 1 Kor 1,22-25). Het kruis als symbool van het lijden en sterven van Jezus kan niet gebruikt worden voor het aanzetten tot of verdedigen van geweld. Mensen die dat wel doen, zoals bepaalde rechtsextremistische christenen, weten blijkbaar niet dat Jezus op het kruis bidt om vergeving voor degenen die Hem als onschuldige vermoordden. Een echo van een van de bedes van het Onze Vader, het gebed dat Jezus zijn leerlingen leert als het gebed bij uitstek. Mensen die het kruis wel gebruiken voor het aanzetten of verdedigen van geweld, voor het uitsluiten of vermoorden van ‘hen’, van mensen die ‘anders’ zijn, maken van dit symbool een travestie en ontkennen daarmee centrale elementen van het christelijk geloof.
Wanneer Robert Prevost zich als pas gekozen paus presenteert onder de naam Leo xiv is het eerste wat hij zegt een citaat uit het evangelie volgens Johannes: ‘Vrede zij u.’ Dat is het eerste wat de verrezen Heer zegt tot zijn leerlingen die zich uit angst opgesloten hebben. Geen verwijt over hun gedrag tijdens zijn lijden en sterven (weglopen en verraad), en al helemaal geen uiten van wraak. Integendeel. Met het eerste dat de verrezen Heer zegt, doorbreekt Hij de al te gewone spiraal van geweld en wraak. Het gebed om vergeving op het kruis, krijgt hier de positieve invulling van een herkansing. De nieuwe paus gebruikt drie woorden om de vrede verder in te kleuren: ‘een ontwapenende, nederige en volhardende vrede.’ Dat is waar het kruis voor staat. Dat moeten we helder hebben en houden.
inleiding prof. dr. Marcel Poorthuis
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,