Preek 30e zondag dhj, C jaar, 26-10-2025

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 5
  • Bestandsgrootte 196.69 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 1 augustus 2025
  • Laatst geüpdatet 1 augustus 2025

Preek 30e zondag dhj, C jaar, 26-10-2025

26 oktober 2024
Dertigste zondag door het jaar

Lezingen: Sir. 35,12-14.16-18; Ps. 34; 2 Tim. 4,6-8.16-18; Luc. 18,9-14 (C-jaar)

Inleiding

Alhoewel de tweede lezing in de tijd door het jaar een semi-continue lezing van meestal een van de brieven van Paulus vormt, niet expliciet afgestemd op de andere lezingen, hebben de Schriftlezingen van de dertigste zondag door het jaar C toch alle drie de thematiek van rechtvaardiging gemeenschappelijk. Ik wil eerst uitvoerig stilstaan bij de evangelielezing en zal daarna nog korte opmerkingen maken bij de andere twee Schriftlezingen.

Lucas 18,9-14
Een parabel of gelijkenis is een verhaaltje met een dubbele bodem. Een parabel is gevaarlijk, wegens die dubbele bodem. De parabel in de verzen 9-14 in het achttiende hoofdstuk van het Lucasevangelie lijkt kraakhelder door de zwart-wit-tekening van de twee hoofdrolspelers: de Farizeeër en de tollenaar. De sympathie gaat als het ware vanzelf uit naar de tollenaar. Die is immers de gerechtvaardigde, en het andere personage deugt niet. Die sympathie voor de tollenaar uit de parabel zou zó groot kunnen zijn, dat de lezer denkt: ‘goed dat ik die Farizeeër niet ben’ – of misschien zelfs: ‘goed dat ik als die tollenaar ben’. Maar als dat gebeurt, dan is de gelijkenis van vandaag een schot in de roos. Want als de lezer dat denkt, is hij wél als de Farizeeër uit de parabel. En dat is precies wat Jezus vandaag op weg naar Jeruzalem, naar de tempel, met behulp van de parabel wil onderwijzen.

Wat doet de Farizeeër uit de parabel eigenlijk fout? Het etiket ‘schijnheilige’ op de Farizeeër plakken, is veel te gemakkelijk. Schijnheilig is de man immers beslist niet. Uit zijn directe rede wordt duidelijk dat hij zich geweldig inspant om veilig voor Gods aangezicht te kunnen verschijnen. Hij vast tweemaal per week. Dat is meer dan de religieuze plicht in Israël voorschrijft. Vasten doet men niet elke week, laat staan tweemaal per week. Eigenlijk is er maar één volle vastendag in het jodendom: Jom Kipoer, Grote Verzoendag, de dag waarop aan God verzoening over de zonden gevraagd wordt. Maar enthousiaste religieuze bewegingen in Jezus’ tijd legden zichzelf wél één of meerdere vastendagen per week op. De groep rond Johannes de Doper deed dat en de Farizeeën doen dat ook. De groep rond Jezus overigens niet.

Verder betaalt de Farizeeër uit de parabel tienden. Volgens de voorschriften uit de Tora, de Wet van God, behoeft men alleen tienden te betalen over olie, koren en wijn. De Farizeeën hadden dit echter uitgebreid naar alle keukenkruiden. In Lucas 11,42 worden die kruiden opgesomd, zoals munt en wijnruit. En om er helemaal zeker van te zijn, dat de tienden betaald worden zoals voorgeschreven, betaalden de Farizeeën van alles wat ze op de markt kochten, ook nog eens tienden. Mocht een handelaar, per ongeluk of expres, vergeten hebben zelf de tienden te betalen, dan hieven de Farizeeën deze omissie op. Want beter twee keer de tienden betalen, dan geen keer.

De Farizeeër is dus heel trouw aan de religieuze voorschriften van God. Hij doet zelfs meer dan strikt nodig is. Jezus maakt er echt geen probleem van als iemand iets extra wil doen. Het probleem bij de Farizeeër zit hem dan ook niet in het feit dát hij iets extra doet en evenmin in wát hij extra doet, maar vanuit welke motivátie hij dat doet.

De Farizeeër spant zich in om voor God als rechtvaardige te gelden, om bij God in een goed blaadje terecht te komen. De drijfveer van de Farizeeër is een religieuze geldingsdrang. Hij beschouwt zichzelf dan ook als niet gelijkwaardig aan rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, maar juist als meer. Op grond van zijn verdiensten meent hij recht te hebben op een betere behandeling door God. Op grond van zijn werken kan hij, als hij bidt, met opgeheven hoofd bidden.

Jezus denkt daar heel anders over. In de conclusie die Jezus aan zijn parabel verbindt, stelt hij dat de Farizeeër niet gerechtvaardigd naar huis ging, maar juist de tollenaar wél. Iemand wordt niet gerechtvaardigd door wat hij doet (overigens evenmin door wat iemand verzuimt te doen). Gerechtvaardigd worden gaat op een andere manier.

De parabel van vandaag is de enige keer dat Lucas in zijn evangelie spreekt over ‘rechtvaardiging’. Paulus schrijft er in zijn brieven geregeld over. Bij Paulus en bij Lukas, gaat het bij ‘rechtvaardiging’ niet gewoonweg om het vergeven van zonden. Het gaat om de zondige aanleg van de mens, om het menselijke zondig-zijn als zodánig, waaruit steeds weer concrete zonden voortkomen. Dit zondig-zijn van de mens is iets dat ook ná de zondevergeving blijft. Ook als de zonden vergeven zijn, kan de mens weer opnieuw de fout ingaan, en vaak zelfs weer dezelfde fout. Bovendien kan de mens zijn zondige daden niet meer terugdraaien, soms zelfs de gevolgen ervan niet eens meer rechtzetten.

Maar, zo ontdekt Paulus, en zo vertelt de parabel in het Lucasevangelie, wat wel kan veranderen is de relatie tot God, ook als deze relatie door de zonden aangetast dreigt te worden. Door de zonden wordt de relatie tot God beschadigd: hoe kan de mens nog voor Gods aangezicht verschijnen? Op deze vraag zou Paulus antwoorden: wie zijn zondig-zijn tegenover God erkent, die wordt, ín zijn zondigheid, door God aanvaard. Het gaat er niet om, welke werken je verricht –hoezeer die ook verricht moeten worden–, maar of de mens zijn eigen zondigheid voor God durft te erkennen, hij zich kwetsbaar durft op te stellen tegenover God.

De Farizeeër uit de parabel vergeet door zijn fixatie op zijn goede werken totaal zijn eigen zondig-zijn en kan daarom niet als gerechtvaardigd naar huis gaan. De tollenaar, hoezeer ook zondaar, erkent juist zijn zondig-zijn. ‘God, doe over mij, zondaar, verzoening,’ bidt hij. Hij bidt met woorden uit de Psalmen die spreken over de verzoening van de zonden (vergelijk Psalm 51), en deze woorden past hij op zichzelf toe: hijzelf is de zonde waarover verzoening van Godswege afgesmeekt moet worden. Hij presenteert zich voor God met zijn zondig-zijn en daarom wordt hij door God aanvaard. Hij gaat als gerechtvaardigde naar huis. Zijn gebed om verzoening dringt door de wolken heen (eerste lezing).

Sirach 35, 72-14. 76-78
Het deuterocanonieke boek Sirach behoort tot de wijsheidsliteratuur. In de perikoop waaruit de eerste lezing genomen is, staat de goddelijke rechtvaardigheid centraal. Twee aspecten van God krijgen de aandacht. Allereerst dat God geen aanzien des persoons kent. Niet de (religieuze) status van een mens bepaalt of God de persoon in kwestie wil verhoren. Steekpenningen zijn hem vreemd. Vervolgens, dat God zich juist engageert met slachtoffers. Wezen en weduwen zijn de klassieke Bijbelse uitdrukking om deze groep te beschrijven.

Deze rechtvaardigheidskenmerken van God hebben ook consequenties voor het gebed van de mens. Juist zij die slachtoffer zijn, en zij die voor hen opkomen, mogen erop rekenen gehoord te worden.

2 Timoteüs 4, 6-8. 16-18
De passage uit 2 Timoteüs wordt beschouwd als Paulus’ afscheidsrede. De brief zelf is een pseudepigraaf die na Paulus’ dood geschreven is. De auteur laat daarmee zien dat hij niet alleen weet van Paulus’ marteldood, maar dat hij deze interpreteert als een bekroning van Paulus’ leven voor het aanschijn van de rechtvaardige Rechter.

Daarbij maakt de auteur het tevens duidelijk dat het hier niet om een privé-privilege voor Paulus gaat, maar om een toekomst die weggelegd is voor iedereen die uitziet naar de komst van de Messias in heerlijkheid.

Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.

 

Preekvoorbeeld

Er zijn in Italië, in Umbrië, veel plaatsen bekend en nog te bezoeken, waar Franciscus van Assisi gebeden heeft. Hij was een man van actie en contemplatie, van doen en zijn. Hij trok zich naast zijn bekommernis om armen en zieken geregeld terug in de stilte om te bidden. Vaak liggen zijn gebedsplaatsen verscholen, ver van de bewoonde wereld: een grot, een rots. Daar worstelde hij met zichzelf en met God. Daar kwam hij tot God en tot zichzelf.

Als deze bijzondere man op sterven ligt, zegt hij: ‘Laten we opnieuw beginnen. Want tot nu toe is het nog niets geweest.’ Wat een vreemde uitspraak, zou je zeggen, van een man die zoveel mensen in beweging heeft gekregen, voor zoveel mensen een nieuwe weg naar God heeft geopend. Hoe komt hij ertoe?

Wat we gehoord hebben bij Jezus Sirach, is voor Franciscus de leidraad in zijn leven: ‘Geef aan de Allerhoogste naar hetgeen Hij u geschonken heeft, geef met een blij gelaat en naar uw vermogen’ (Sir. 35,12). Franciscus beschouwt alles in zijn leven, wat het ook is, als een gave van God: zijn medebroeders, zijn dagelijks eten, de aarde, de dieren, zijn talenten, mooi of lelijk weer, goede of slechte levensomstandigheden. Alles. En hij leeft ervoor om dat alles met blijdschap aan God terug te geven. Hij gaat ervan uit, dat alles evenveel van iedereen is. Het is immers in de grond van de zaak van niemand anders dan van God. Daarom hecht hij niet aan bezit. En slaat zich niet op de borst. Ook op het einde van zijn leven weet hij zich nog een beginner. Zo blijkt uit de woorden bij zijn sterven. Aan God komt alle eer.

Cortona is een stad met oude Middeleeuwse gebouwen, dikke muren en stokoude straatjes. Franciscus had op 3,5 km van die stad een verblijfplaats gekregen van een inwoner. Je moet je er niet veel bij voorstellen: een grot bij een beek. Daar bad en sliep hij. Zijn broeders hebben er een klein kapelletje bij uitgehakt en gebouwd, zodat ze er samen konden bidden. Het is ongelooflijk sober, maar ook indrukwekkend in zijn eenvoud. De levenshouding van Franciscus spreekt er uit de stilte, de stenen, de omgeving. Op die plek werd Franciscus gebracht aan het einde van zijn leven. Hij was in Siena geweest. Zijn ogen deden ongelooflijk pijn en hij kon het zonlicht niet verdragen. De dokters daar hadden hem niet kunnen helpen. Zijn broeders wilden hem naar Assisi terugbrengen. Ze hielden enkele dagen rust in de sobere behuizing in Cortona. In Assisi werd hij in een hutje neergelegd, dat eenvoudig was opgetrokken van stromatten. Hij had er last van muizen. Zo geplaagd, lag Franciscus te piekeren en zocht hij naar troost en bemoediging voor zichzelf. Toen kwamen er bij Franciscus regels op, gedachten voor een lied, een troostlied voor hemzelf , bemoediging voor anderen en danklied tot eer van God.

Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe,
en geen mens is waardig uw naam te noemen.

Wees geprezen, mijn Heer, door al uw schepselen,
vooral door mijnheer broeder zon
die de dag is en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en straalt in grote pracht;
Van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.
Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde
door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water
die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.
Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur
door wie Gij voor ons de nacht verlicht;
en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster moeder aarde,
die ons voedt en leidt,
en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten.

Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefde
vergiffenis schenken, en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig wie dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.

Wees geprezen, mijn Heer,
door onze zuster de lichamelijke dood,
die geen levend mens kan ontvluchten.
Wee hen die in doodzonde sterven;
gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt,
want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.
Prijs en zegen mijn Heer,
en dank en dien Hem in grote nederigheid.

Hoe kun je zo’n mooi, indrukwekkend lied maken, wanneer je zo ziek bent? Franciscus zegt er zelf over tegen zijn broeders: ‘We maken elke dag gebruik van Gods schepselen om te kunnen leven. Hij heeft ons zoveel voortreffelijks gegeven. We danken Hem daar nooit genoeg voor.’ Zo vindt hij in zijn eigen grondhouding, dat alles een gave is, een weg. Hij komt tot teruggave van zichzelf aan God, tot overgave.

Als we nu luisteren naar het gebed van een Farizeeër en een tollenaar, zal ons van alles opvallen. Op zich lijkt er niets mis met het gebed van de Farizeeër: hij vast en betaalt tienden, méér dan volgens de voorschriften van de Tora nodig is - hij doet meer dan menigeen van ons! Toch voelen we, het klopt niet. Het probleem bij de Farizeeër zit hem dan ook niet in het feit dát hij iets extra doet en evenmin in wát hij extra doet, maar vanuit welke motivátie hij dat doet. Wat er niet klopt, is: niet God krijgt de eer, maar hijzelf. De Farizeeër spant zich vooral in om voor God als rechtvaardige te gelden. Zijn drijfveer is religieuze geldingsdrang. Hij beschouwt zichzelf als niet gelijkwaardig aan rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, hij is beter. Daarom meent hij recht te hebben op een betere behandeling door God. In feite spreekt deze Farizeeër niet echt met God, maar staat hij tegen zichzelf te praten en zichzelf te overtuigen van zijn goedheid en rechtvaardigheid. De regels van Jezus Sirach, dat God alles geeft en dat je ervoor kunt leven het Hem terug te geven, léven niet voor hem.

De tollenaar spreekt echt tegen God. De relatie met God is open bij hem. Hij weet zich van God afhankelijk. Hij stelt zich kwetsbaar op, ziet en erkent zijn tekorten tegenover God. Bij de Farizeeër zal er van binnen niets veranderen, maar bij de tollenaar wel, omdat hij God werkelijk betrekt in zijn reflectie op zichzelf. Er zit beweging in en daardoor kan God tot hem komen.

Bidden zou je kunnen omschrijven als: een gesprek met God en met jezelf. Een driegesprek. Open je je naar God, dan schep je een ruimte, waarin je God een werkelijke kans geeft om van zijn kant een onverwacht gebaar te maken. Dan komt er lucht en licht in de relatie. Open je je voor jezelf in het bijzijn van God, dan kijk je in de spiegel. Je leert jezelf voor Gods aangezicht kennen en aanvaarden. En dat geeft rust, of troost of bemoediging of vergeving.

 

inleiding prof. dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld Marian Wisse