Preek 29e zondag dhj, C jaar, 19-10-2025

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 1
  • Bestandsgrootte 206.86 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 1 augustus 2025
  • Laatst geüpdatet 1 augustus 2025

Preek 29e zondag dhj, C jaar, 19-10-2025

19 oktober 2025
Negenentwintigste zondag door het jaar 

Lezingen: Ex. 17,8-13; Ps. 121; 2 Tim. 3,14–4,2; Luc. 18,1-8 (C-jaar)

Inleiding

Lucas 18,1-8
‘Hij vertelde tot hen een gelijkenis met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet in boosheid verzanden’ (Luc. 18,1). Deze gelijkenis sluit aan, zoals wel vaker bij Lucas, bij een lange rede van Jezus, ditmaal over de doorbraak van het koninkrijk en de komst van de Mensenzoon (17,20-37; fragmenten uit deze rede corresponderen met Mat. 24). Het gaat dus om het koninkrijk en het gewicht van het gebed bij het komen daarvan.

De gelijkenis vertelt van een rechter in een zekere stad en om een weduwe die recht komt halen. De rechter zou waarheid en recht moeten belichamen, maar heeft (naar het overgeleverde hebraïsme) geen ‘vrees’ voor God en geeft niet om mensen: hij vormt dus het tegendeel van ware godsdienst als mensendienst (v. 2; zie Schuman, 143), als een type rechter dat Israëls profeten al onder kritiek stelden (Jes. 1,23, Am. 5,7 e.a.). De weduwe is dikwijls een representant van de verdrukten en vreemdelingen, aan wie recht gedaan moet worden (Ps. 146,9), maar kan soms tegelijk wel zelfstandig opkomen voor haar recht, zoals ze hier ook doet: ‘verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij’ (v. 3). Ze is daarin zo vasthoudend, dat ze de rechter tenslotte dwingt tot een innerlijk beraad (zoals Lucas dat ook vermeldt bij de rijke dwaas, 12,17vv, of de verloren zoon, 15,17vv). Hij wil af van die vrouw die hem alleen maar last bezorgt en hij wil een mep (boks-term) in zijn gezicht voorkomen (vv. 4-5). Voor de weduwe bewerkt dat een zekere overwinning, ook al heeft ze de gezindheid van de rechter niet kunnen bijstellen. Ik herinner me dat deze tekst op het leesrooster stond op een van de zondagen van de Wende in het najaar van 1989 in de DDR en aansloot bij het in die dagen overheersende gevoel van vreugde: de instanties die de gemeente zoveel jaren hadden genegeerd waren er niet sympathieker op geworden, maar het jarenlange, en tenslotte alom toenemende protest tegen hen had toch geholpen.

Als gelijkenis nu doet de vertelling de ‘rechter van het onrecht’ (nog een hebraïsme) via een kal wachomer-argument (redenering van het kleinere naar het grotere) denken aan een God, die zich lijkt voor te doen als onvermurwbare afwijzende instantie bij het aanhoudende pleidooi van de gemeente, welke, als de weduwe representant van ontrechten, tegen het aanhoudende onrecht opkomt. Het is bijna als in Het Slot van Kafka (Ter Schegget): de wets-handhavende macht is altijd aanwezig, maar laat tegelijk alsmaar na om werkelijk recht te doen. Naar de ervaring van de gemeente kan het er vaak zo uitzien. Toch wordt hier dit angstbeeld van God van binnenuit doorbroken. Want, vraagt Jezus (hier veelzeggend ‘de heer’ genoemd): ‘zal God dan niet recht doen aan zijn verkorenen, die dag en nacht’ – cultisch in het morgen- en het avondgebed, existentieel in alle nood – ‘hun schreeuw naar Hem doen opstijgen?’ (vv. 6-7). Hij, deze God, is immers ‘lankmoedig’ (Statenvertaling), en dus zal Hij hen met spoed recht doen (vv. 7b en 8a). Deze laatste bepalingen bereiden de hoorder van de gelijkenis een verrassing. Tot hiertoe leek het erop, dat de goddelijke rechter het geduld van zijn gemeente behoorlijk op de proef stelde. Maar nu blijkt het omgekeerde minstens zozeer waar: Hij heeft juist geduld geoefend met háár. Want hoe kan het Rijk Gods doorbreken op aarde, wanneer het niet intens verwacht wordt, wanneer er niet hardnekkig om gebeden wordt? Daar heeft Hij naar uitgezien! En hieruit volgt dan ook de vraag die het slotvers stelt: ‘Als de Mensenzoon komt, zal Hij geloof (fiducie) vinden op de aarde?’ (v. 8). De komst van het koninkrijk van God is niet alleen een daad van boven, een gave vanuit de hemel, ze gebeurt minstens zozeer in het aanhoudende verwachten, het kloppen op de hemelpoort, het ononderbroken gebed van wie haar verhopen! Het bidden van de gemeente is dan: Hem in Christus aanspreken, dat is Hem zien als de God die zich als God aan de mens stoort en zich als mens om God bekommert (Ter Schegget, 59).

Voor de verkondiging heeft dit meerdere implicaties, waarvoor ik drie onderscheiden getuigen aan zal voeren:

[a] Ons ongeduld met God laat zich niet losmaken van Gods geduld met ons. Het doorbreken van het Godsrijk is nauw verbonden aan de menselijke verwachting van dat rijk door de ‘verkorenen’, dus door een gemeente die de weduwen en wezen op deze aarde voor Hem vertegenwoordigt. Hoe kan de Mensenzoon komen zonder bereidheid en beschikbaarheid te vinden, zonder geloof aan te treffen onder ons? (Miskotte, 383).

[b] Beslissend is, hoe wij ons de God van het evangelie voorstellen. De God van de gelijkenis, die geen kafkaëske gestalte blijkt te zijn, wil niet ‘in afgetrokken oppermacht alléén regeren, maar alleen mét de mensen met wie Hij het erop waagde als wezens die zijn beeld dragen.’ ‘De meest ontvankelijken onder die mensen zijn zij, die voorbidden. God regeert de wereld door de gebeden van zijn kinderen. Gebedsverhoring is geen inbreuk op Gods wereldregering [zoals de 19e-eeuwse monisten leerden], maar integendeel de kroon daarvan’ (Gunning, 31).

[c] De mens aan wie de mogelijkheid tot gebed is geschonken verkeert dus in een grote mate van vrijheid. Het komt er dan wel op aan, dat hij die vrijheid niet inzet voor een tiranniek afdwingen van het hemelrijk. Hij kan wel iets naar voren trekken, iets pogen te verhaasten of te vertragen, maar hij kan daarmee niet als hemelbestormer de goddelijke kortmoedigheid of juist lankmoedigheid forceren. Niettemin: verhaasting van de komst van het Rijk is vereist. Als wij niet bidden om het Rijk in eeuwigheid, komt het in eeuwigheid niet. Maar dan moet het wel een bede zijn, die God niet in verzoeking brengt, maar iets vraagt waarop de goden stom moeten blijven, deze God echter antwoord zal geven (Rosenzweig, 321).

2 Timoteüs 3,14–4,2
Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.

Exodus 17,8-13
Hoe valt de evangelielezing nu te verbinden met de eerste lezing uit de boeken van Mozes? Uit Exodus 17 biedt de Ordo lectionum alleen de verzen 8-13 ter lezing aan. Nu duidt het beeld van Mozes die zijn hand heft (v. 11), óók wel op een handeling als die van een biddende mens (Ps. 28,2). Maar de toepassing van Cowper, die het beeld van vers 11 (wanneer Mozes zijn handen kan spreiden heeft Israël het overwicht, maar wanneer hij verslapt heeft Amalek dat) op de kracht van het gebed betrekt, is toch eerder stichtelijk troostend dan exegetisch verantwoord (Deurloo, 14). Deze toepassing miskent namelijk dat Mozes de staf Gods in zijn hand houdt (v. 9) en daarmee niet de macht van zijn eigen gebed, maar de macht van de Ene zelf, die leven schept, in het gebeuren hooghoudt (Deurloo, 16) – en om dit te onderstrepen worden zijn handen zwaar en heeft hij ondersteuning nodig –, terwijl Jozua beneden op het veld als menselijke hulpfiguur optreedt.

Verder valt op dat de conclusie uit het verhaal in de aangegeven lezing is weggelaten, terwijl die in Exodus juist wezenlijk is: het gedenken aan Amalek moet worden uitgewist van onder de hemel, en juist daarop moet Mozes, paradoxaal genoeg, de overwinning op Amalek ter gedachtenis (!) in het boek schrijven (v. 14). Vervolgens moet Mozes een altaar bouwen en daarbij het eedgenootschap met de Ene bekrachtigen met de uitspraak: ‘Ja, de hand aan jhwh’s troon!’ (v. 16). Deze geboden en beschreven tweevoudige rite laat zich bezwaarlijk losmaken van de verhaalde mythe.

Dat neemt niet weg dat ook een ingekorte lezing zich wel degelijk met de gelijkenis uit het evangelie laat verbinden. Amalek en de onrechtvaardige rechter laten zich lezen als twee uitingsvormen van vijandschap tegen het Koningschap van God en zijn Rijk. Amalek is een laffe vijand omdat hij de achterhoede van de verzwakten, die moe en uitgeput waren, aanvalt (Deut. 25,18; zie Rooze). En de rechter negeert de Koning en zijn rijk door een volstrekt gebrek aan aandacht, professionaliteit en eerbied voor God en mens. Het zijn verschillende gestalten, maar hun cynisme en hun praktische ongeloof hebben ze gemeen.

Literatuur
William Cowper, ‘Exhortation to Prayer’ Olney Hymns. London: W. Oliver, 1779, Book 2, number 60, stanza 5.
K.A. Deurloo, Schrijf dit ter gedachtenis in het boek, rede op 3 november 1975, Universiteit van Amsterdam.
Egbert Rooze, Amalek geweldig verslagen – een bijbels-theologisch onderzoek naar de vijandschap Israël-Amalek, Gorinchem: Narratio, 1995.
J.H. Gunning Jr., ‘Voorbede’ (1875), in: Goed van God denken. Teksten uit het Jaarboekje Magdalena, ingeleid en verzorgd door Leo Mietus, Zoetermeer: Boekencentrum, 2010, 27-33.
Franz Rosenzweig, Dritter Teil. Einleitung: Über die Möglichkeit, das Reich zu erbeten, 4. Auflage, Haag: Martinus Nijhoff, 1976, 295-330.
K.H. Miskotte, meditatie ‘Te hopen is een gebod’ (1964), in: Verzameld Werk deel 14, Mystiek en bevinding, Kampen: Kok, 2015, 380-383.
N.A. Schuman, Een reisverhaal. Leesoefeningen in Lucas, ’s Gravenhage: Boekencentrum, 1981, 142-144.
G.H. ter Schegget, ‘Standvastigheid’, in: Het moreel van de gemeente, Baarn: ten Have, 1985, 56-60.

 

Preekvoorbeeld 

Thema: Bidden met open ogen
Het is een spannende vraag, die het evangelie vandaag aan ons voorlegt: ‘Als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’
Nogal wat mensen kunnen bij die vraag een ongemakkelijk gevoel krijgen. Want natuurlijk zit het iedereen, die betrokken is bij de kerk wel eens dwars, de afnemende betrokkenheid van mensen bij de kerk en bij het geloof. Elke tien jaar wordt dat in Nederland onderzocht en –eerlijk is eerlijk – dat zijn cijfers waar we niet vrolijk van worden.
Hoewel, een ander onderzoek dit jaar aangaf, dat er juist onder jonge mensen meer belangstelling voor Bijbel en geloof gekomen is.

Heel begrijpelijk dat je aan die dingen denkt bij het horen van die zorg van Jezus. Toch gaat die vraag aan zijn leerlingen daar niet over.
Nee, de vraag ‘als de Zoon des mensen komt, het geloof zal vinden op aarde’ – die vraag gaat niet over aantallen; gaat niet over percentages; gaat niet over hoeveel mensen in Nederland zondags naar de kerk gaan. Gedachten daarover kunnen ons soms wel eens dwars zitten, maar de vraag van Jezus is nog spannender. Zijn vraag gaat de diepte in. Het gaat niet over de anderen in het algemeen, maar het gaat over ons, over ons geloven. En dan ook nog niet eens over wat we nu wel of niet geloven, maar over hóe we geloven. Hoe we vanuit geloofsvertrouwen in deze wereld staan. Daar gaat de zorg van Jezus over.
We lazen dat Hij er bij zijn leerlingen – en wat zijn wij anders dan dat? – op aandringt te blijven bídden.

Bidden? Ja, bidden!
Wat is dat anders dan dat we als geloofsgemeenschap ons afstemmen op de Eeuwige, op zijn Koninkrijk, op wat Hij op het oog heeft: zorg voor de mensen, voor de schepping. Bidden doen we niet alleen met onze ogen dicht. Integendeel. We moeten ze ook open hebben. In ons gebed nemen we mee wat we zien om ons heen aan ziekte en ongeluk, aan onrecht en onbarmhartigheid, aan onmacht en onverschilligheid. We leggen het voor aan God en gaan als leerlingen aan zijn kant staan. Wat vraagt u van ons als we dit zien en aan u voorleggen? Hoe hándelen we in uw Geest als we bidden voor de mensen, voor de wereld, de aarde? Hoe houden we vast aan uw Koninkrijk … Daarover gaat het hier.

Jezus vertelt een gelijkenis.
Die gelijkenis gaat over de vraag hoe het Koninkrijk van God – waar je echt naar kunt uitkijken – hoe dat doorbreekt in onze wereld. Als je let op alle spanningen, het dreigen, het onrecht; als je ziet hoe mensen vermorst en vertrapt worden, letterlijk/ figuurlijk … Wat is er veel reden voor wanhoop, voor ongeloof. Je kunt je die vraag van Gerard van het Reve, die hij ooit heel oprecht in een gedicht verwoordde ‘Dat Koninkrijk van U, wordt dat nog wat?’ – je kunt je die vraag zo goed voorstellen. Als een klacht, als een bezwerende vraag aan God. God, zie je dan niet?
Maar ook daarop richt de evangelielezing zich vanmorgen niet. Het is eerder andersom. Het is de heer die aan ons vraagt, jullie laten het er toch niet bij zitten? Jullie volharden toch wel in geloofsvertrouwen, ook of juist in de druk van de tijd?

In de gelijkenis gaat een weduwe naar de rechter. Zij zoekt recht. In de samenleving van toen – u kent dat uit de Bijbel – staan wees en weduwe voor de zwakken, de mensen aan de rand, de mensen zonder stem. In de Bijbel vaak in één adem genoemd met verdrukten, armen en vreemdelingen, die onder ons zijn. Hoe kunnen zij hun stem verheffen om recht te krijgen?
Wij kennen dat ook. Nog altijd. Er moeten anderen opstaan en hun stem verheffen. Denk alleen al aan de mensen, die slachtoffer werden van wat we de toeslagenaffaire zijn gaan noemen of denk aan de gewortelde vluchtelingenkinderen, die uit ons land weggestuurd dreigen te worden, hoewel Nederland het ‘Internationaal Verdrag over de Rechten van het Kind’ erkende en ondertekende. Hoe krijg je je recht?
Ook in ons land kan dat een grote en zware opgave zijn.

De weduwe in de gelijkenis houdt vol. De rechter tot wie zij zich wendt, ziet haar nauwelijks staan. Ze laat hem onverschillig. Maar ze blijft hem lastigvallen. Ja, lastigvallen … zo ervaart die rechter dat. En dat, terwijl zij alleen maar om recht vraagt.
Uiteindelijk gaat die rechter om. Aan God of gebod laat hij zich niets gelegen liggen, maar die weduwe kan hem te schande maken. Zo’n zwakke partij die jou je plaats wijst. Dat zit hem dwars, want dan ga je af. Dan word je op je nummer gezet… Over recht en onrecht gesproken. De gelijkenis heeft er wel weet van, wat mensen kan worden aangedaan aan onrecht en onverschilligheid.

Hoe volharden wij? Hoe blijven we bidden, in geloofsvertrouwen ons richten op het Koninkrijk van God, dat Jezus ons voorhield? Hoe blijven we in zijn lijn staan voor gerechtigheid en barmhartigheid, ook tegen onwil en onverschilligheid in? Die vragen zitten achter deze gelijkenis. Zal de ‘Zoon des mensen’ volhardend geloof vinden?

Dit jaar vierden wij 80 jaar vrijheid. Bij de herdenkingen hoorden we dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Tegen machten en krachten in is er niet alleen gestreden, maar ook diep en diep geleden. Lang niet iedereen heeft de vrijheid geproefd. Volharden betekent nog niet, dat je het ook allemaal zult beleven en meemaken.
Bij de voorbereiding van de preek kwamen als vanzelf woorden bij me op van Dietrich Bonhoeffer. Misschien hebt u wel eens van hem gehoord. Hij was een Duits theoloog. Een jonge man, die met anderen in verzet kwam tegen het Naziregime. Hij kwam daardoor in Berlijn in de gevangenis. En kort voor het einde van de oorlog werd hij nog gedood. Na de oorlog is hij heel bekend geworden door brieven die hij vanuit de gevangenis geschreven heeft aan zijn vriend. Vooral één lied, dat hij in de gevangenis schreef voor zijn familie, is in de Nederlandse kerken heel bekend geworden: ‘Door goede machten trouw en stil omgeven’. Misschien kent u het. Bonhoeffer is voor veel mensen een geloofsgetuige geworden.

In mei 1944 schreef hij in een heel bekend geworden brief een belangrijke zin: Ons christen-zijn zal in deze tijd nog maar uit twee dingen bestaan: bidden en onder de mensen het goede doen/dat wat recht is, wat juist is om te doen. Het is die zin die bij me naar boven kwam bij de lezing uit het evangelie.
Alle franje en bijkomstigheden van kerk en geloof zijn in de gevangenis verdwenen. Wat doet er echt toe? Deze twee dingen. Wat Bonhoeffer zo schrijft vanuit de hardheid van het dagelijkse leven in de gevangenis, ligt heel dicht aan tegen wat Jezus ons met deze gelijkenis wil vertellen.

Zijn wij alleen consumenten van het geloof of zijn wij daarin nog partners van God. Daar zit de zorg van Jezus. Zijn zorg is niet of God ons zal horen, want natuurlijk laat God zijn kinderen niet vallen. Zijn vraag is of wij, zijn leerlingen, wij als geloofsgemeenschap ons nog wel richten tot Hem, bidden om zijn Koninkrijk en dan ook ons doen en laten daarop afstemmen.
Gewoon om ons heen kijken en vanuit het evangelie bidden vóór en dan ook doen wát er als
geloofsgemeenschap op ons pad komt. Alleen door zo te blijven bij de kern van onze roeping, blijven we als geloofsgemeenschap van betekenis voor God en voor de mensen.

Bidden, zei Dietrich Bonhoeffer, en onder de mensen het goede doen.

Verantwoording bij een paar punten uit de preek:
• Het thema van de preek is ontleend aan het boek: W.R. van der Zee, Gebed met open ogen: woorden en gebeden rond het Onze Vader, Boekencentrum ’s Gravenhage 1982 e.v. drukken.
• De zin van Dietrich Bonhoeffer is de vinden in de brief van mei 1944 (brief bij ‘de doopdag van D.W.R.’) opgenomen in: Dietrich Bonhoeffer, Verzet & Overgave. Brieven en gedachten uit de gevangenis, Verzameld en gerangschikt door Eberhard Bethge, uitg. W. ten Have N.V. Amstrerdam. Er zijn veel drukken en verschillende edities.
• Zie voor meer informatie over in Nederland ‘gewortelde kinderen’ www.kerkasielkampen.nl


inleiding prof. dr. Rinse Reeling Brouwer
preekvoorbeeld prof. dr. Jaap de Lange