Preek 26e zondag dhj, C jaar, 28-9-2025

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 7
  • Bestandsgrootte 189.81 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 1 augustus 2025
  • Laatst geüpdatet 1 augustus 2025

Preek 26e zondag dhj, C jaar, 28-9-2025

28 september 2025
Zesentwintigste zondag door het jaar 

Lezingen: Am. 6,1a.4-7; Ps.146; 1 Tim. 6,11-16; Luc. 16,19-31 (C-jaar)

Inleiding

Het thema van de lezingen van deze zondag is de gerechtigheid en de verantwoordelijkheid die mensen hebben voor het lot van anderen die hun solidariteit nodig hebben. Leven we langs elkaar heen of laten we ons raken? Zowel de oudtestamentische tekst als die uit het evangelie zijn nadrukkelijk gericht tot welgestelde mensen, en de woorden en beelden zijn hard. Daar zal een bedoeling achter liggen: ze willen hen wakker schudden die dat misschien het hardst nodig hebben.

Amos 6,1a.4-7
Amos is onder de schrijvende profeten degene die het meest expliciet en onomwonden de sociale ongerechtigheid in Israël aanklaagt. De tekst van vandaag is er een goed voorbeeld van. Ook bij andere profeten vinden we natuurlijk de sociale aanklacht – het behoort tot de kernboodschap van de profeten van Israël – maar vaak is die indirect. Dan spreekt de profeet bijvoorbeeld in veroordelende zin over afgodendiensten. Tot aan de tijd van de ballingschap tierden die welig in heel Israël, zowel in het Noord- als Zuidrijk. ‘Jullie laten de God van Israël in de steek en hangen andere goden aan. Dat leidt tot jullie ondergang’, zeggen de profeten. Ze willen dat er een einde komt aan die afgodendiensten. De andere goden stichten verwarring en ontkrachten het verbond van God met zijn volk. Het is het project dat God met zijn volk had ingezet toen het ontstond bij de uittocht uit Egypte en bij de berg Sinai: dat het zou leven in onderlinge solidariteit, sober, met voortdurend oog voor de armen en uitgeslotenen, en daarin met God verbonden. Als de profeten kritiek leveren op de afgodendiensten gaat het dus ook altijd over het in de steek laten van dit oorspronkelijke project.

Amos spreekt nauwelijks over afgodendiensten. Hij bekritiseert wel krachtig de valse liturgie, het brengen van offers aan jhwh – allemaal volgens de regels en uitbundig en overdadig (4,4v; 5,21-24). Die liturgie is vals, omdat er eer gebracht wordt aan God, maar tegelijk zijn project van recht en gerechtigheid onder zijn volk met voeten getreden wordt. Precies dat is onverteerbaar voor de profeet. Hij verkondigt z'n boodschap luid en duidelijk, totdat hij door de autoriteiten het land uitgezet wordt. Hij was immers een zuiderling die in het Noordrijk was komen preken (7,10-13).

Amos voorspelt dat het de rijke uitbuiters slecht zal vergaan. Dat is het thema door alle hoofdstukken van het boek heen. Je kunt je afvragen wat voor indruk hij daarmee gemaakt heeft op hen die hij bekritiseerde en of hij er enige verandering mee heeft kunnen bewerken. Maar de geschiedenis heeft hem gelijk gegeven. Amos trad op rond 760 vChr. toen koning Jerobeam II over het Noordrijk regeerde en er relatieve rust en welvaart heersten (dat laatste alleen voor de sociale bovenlaag). In 722 werd Samaria ingenomen door de Assyriërs en werd een groot gedeelte van de bevolking, waaronder zeker de machtigen en rijken, in ballingschap weggevoerd. Ziedaar het gelijk van de profeet!

Het boek Amos is, zoals alle profetische geschriften, verschillende keren aangevuld en geredigeerd. Het gelijk van de profeet is zeker nadien door de redacteuren nog wat meer aangezet. Zo zal in de korte tekst van vandaag het woord 'ballingschap' in vers 7 ofwel toegevoegd ofwel benadrukt zijn, toen de ballingschap van de Noordrijkers eenmaal een feit was geworden. En in vers 1 worden niet alleen de zelfverzekerden op de berg van Samaria, maar ook de zorgelozen in Sion aangesproken. Dat laatste zal Amos zelf niet gedaan hebben, maar jaren later een volgeling van Amos in het Zuidrijk. Samaria was verwoest, maar moge Jeruzalem niet het zelfde lot treffen! Dan moet men wel de boodschap van Amos ter harte nemen, want in Juda heerste net zo goed onrecht als toentertijd in het Noordrijk.

De vrijmoedigheid waarmee profetische teksten bewerkt en aangevuld zijn, blijft voor ons altijd een eyeopener. Het geeft ons de ruimte om de bijbelse teksten met eenzelfde vrijmoedigheid te actualiseren en te betrekken op onze situatie. De onwil, wijd verbreid in onze tijd, om zich te bekommeren om het lot van wie het minder getroffen hebben, valt onder het oordeel van de profeet.

1 Timoteüs 6,11-16
Zie A.B. Merz, ‘De eerste brief aan Timoteüs. Pseudo-Paulus stelt voor altijd orde op zaken’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 69-79.

Lucas 16,19-31
Wie zich niet laat raken door het leed van anderen... Het is een thema dat vaker opduikt in het evangelie van Lucas. Laten we drie episodes naast elkaar zetten, waarvan de gelijkenis van vandaag de laatste is.

In hoofdstuk 10,25-37 staat het gesprek van Jezus met een wetgeleerde over de vraag hoe je deel kunt krijgen aan het eeuwig leven. ‘Wees een naaste voor wie jou nodig heeft,’ is Jezus’ uiteindelijke advies, en Hij heeft dat geïllustreerd met het verhaal over de barmhartige Samaritaan, die zijn reis liet onderbreken door de gewonde man langs de weg. De priester en de leviet daarentegen lieten de man links liggen.

In hoofdstuk 13,1-9 richt Jezus zich met zijn gelijkenis van de vijgenboom tot hen die vooral in termen van 'eigen schuld dikke bult' denken over slachtoffers van oorlog en ongeluk. ‘Jullie leven zal net als die vijgenboom onvruchtbaar zijn als je je niet bekeert,’ zegt Jezus.

Nu, weer drie hoofdstukken verder, gaat het opnieuw over iemand die lijdt en een ander die er langsheen leeft, druk met zijn feesten en mooie kleren. Lazarus is als de gewonde reiziger langs de weg tussen Jeruzalem en Jericho of als de Galileeërs die door Pilatus zijn afgeslacht en als de mensen die onder de brokstukken van de instortende toren van Siloam terechtkwamen. De gewonde reiziger trof het goed met de Samaritaan die langskwam: hij werd verzorgd en kreeg de kans om weer op te knappen. De doden van Galilea en Siloam hebben met Lazarus gemeen dat ze gestorven zijn zonder dat er naar hen is omgekeken.

Maar de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus heeft een ontknoping, en die krijgt alle nadruk. Het loopt uiteindelijk goed af met de arme Lazarus en slecht met de rijke man, maar dit 'happy end' wordt verlegd tot na dit leven. Dat geeft aan het verhaal de spanning van een geschiedenis die nog niet tot een oplossing gekomen is. Laten we dit eens goed bekijken. De toehoorder of lezer van deze gelijkenis zou in de verleiding kunnen komen te denken: aan alle onrecht in deze wereld komt een eind, want na onze dood worden de goeden beloond en de slechten bestraft. Maar als je zo leest kun je jezelf buiten schot laten, want God zelf zet immers de zaken recht. Het onrecht dat nu het lijden van velen veroorzaakt kun je daarmee ook buiten schot laten. Deze interpretatie van het verhaal is daarom onverteerbaar, Amos zou er heftig tegen protesteren. De geschiedenis komt niet tot een oplossing door alleen maar te hopen op goddelijke gerechtigheid in het hiernamaals.

Bij een nauwkeuriger lezing van de gelijkenis zien we dat de ontknoping misschien juist wel niet draait om het lot van Lazarus en de rijke man, maar om dat van de vijf nog levende broers van de rijke man. Wat kunnen zij doen om het eeuwige leven te verwerven (en de eeuwige verdoemenis te ontlopen)? Dat is dezelfde vraag die in hoofdstuk 10 de wetgeleerde aan Jezus stelde. Hier volgt ook hetzelfde antwoord: de broers hebben de Wet en de Profeten, zo goed als de wetgeleerde de samenvatting van de Wet al kent in het gebod om God lief te hebben en je naaste als jezelf. Wat dan nog overblijft is de heel concrete vraag: van wie kan ik de naaste worden? Wie ligt er langs mijn weg of voor mijn deur? Het is misschien een kwestie van onze ogen openen (of laten openen) en kijken.

Tot slot een kleine speculatie over die beelden van het hiernamaals: Augustinus zegt in zijn uitleg van het Onze Vader dat de hemel is als de ziel van de rechtvaardigen. De hemel breekt af en toe door in ons aardse leven. Het is God die ons daar de ogen voor opent.

De blik die ons vergund wordt op Lazarus en de rijke man na hun dood werpt – opnieuw – meer licht op ons hier en nu dan op wat ons na de dood te wachten staat. We krijgen een bevestiging van wat we misschien diep in ons hart al weten: je niets aantrekken van het leed van anderen deugt werkelijk niet. Leven zoals de rijke man brengt schade toe aan je ziel, is een doodlopende weg, in het beste geval leidt het vroeg of laat tot gewetenswroeging. Het erbarmelijke leven van Lazarus is misschien minder erbarmelijk dan het lijkt. Dit laatste zeg ik met aarzeling, want ik wil er niets mee gladstrijken of wegpoetsen, maar ik zeg het ook met overtuiging: al te vaak heb ik in het leven van arme mensen grote rijkdom van ziel gezien, geluk, eenvoud en vanzelfsprekende solidariteit. Wat van buitenaf grauw en armoedig lijkt, blijkt van binnen volop van leven te getuigen. Zo is het beeld van Lazarus op schoot van Abraham een troost, niet omdat het ons wil zeggen dat we na een leven vol lijden in de hemel komen, maar omdat het ons erop wijst dat ook al tijdens ons leven ziekte en leed nooit het enige en laatste woord hebben. En wie ons deze gelijkenis vertelt kan het weten.

Literatuur
Aurelius Augustinus, Het huis op de rots – Verhandeling over de bergrede. Vertaald en van aantekeningen voorzien door Leo Wenneker en Hans van Reisen, Ambo Amsterdam 2000 en verschillende herdrukken daarna, p. 135-137.

 

Preekvoorbeeld

Het is altijd goed een Evangelieverhaal in de context te bekijken. En dan zien we hoe in hetzelfde hoofdstuk 16 van het Lucasevangelie, vlak voor het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus, een ander verhaal wordt doorgegeven, ook over een rijke. Deze komt voor het voetlicht, niet betreffende zijn verhouding tot een arme stumper, maar in zijn verhouding tot zijn rentmeester.

Beide rijkemansverhalen hebben een boodschap. Het ene verhaal helpt het andere beter te begrijpen.

De eerste rijke komt zelf weinig in beeld, meer zijn rentmeester. Deze wordt door zijn meester op een goed moment vanwege verkwistend gedrag ter verantwoording geroepen. We kennen het verhaal: de rentmeester begreep al meteen, toen hij schuldig voor zijn meester stond, dat zijn ontslag aanstaande was. Wat zou hij doen? Hij maakt een plan. Hij bedenkt: ik ga de schuld, die de schuldenaars bij mijn meester hadden, ten dele kwijtschelden. Zo zullen zij, wanneer hij ontslagen zal worden, hem goed gezind zijn en wellicht dat hij, als hij op straat komt te staan, bij een van hen onderdak kan vinden. De rijke meester hoort van dat plan en in plaats van kwaad te worden, vindt hij het slim wat zijn rentmeester bedacht heeft om zich na zijn ontslag in te dekken.

We weten dat Jezus een afschuw had van alles wat met de onrechtvaardige mammon, met het verkeerd gebruik van geld, te maken heeft. Het is voor Hem: God of de mammon (v. 13 in ditzelfde hoofdstuk 16) – maar toch, ondanks diens berekenend, zakelijk gedrag, stelt Hij de slimme rentmeester tot voorbeeld voor zijn leerlingen. Zijn raad is: zij, zijn leerlingen, moeten ook slim zijn en zorgen vrienden te verwerven – eventueel zelfs door het aanwenden van de onrechtvaardige mammon als het om hulp aan misdeelden gaat –. want stel, dat ze ooit voor de hemelpoort komen te staan, dan zullen ze welgezinden hebben, die bij God voor hen pleiten, - die God herinneren aan het goede, dat gedaan is, - en omwille van die pleidooien, zullen ze worden binnengelaten. Zij waren betrouwbaar geweest wat betreft de onrechtvaardige mammon (het kleine), hen zal het grote, het ware (het Griekse woord is alèthinon) worden toevertrouwd. Bedoeld wordt: het ware leven over de dood heen, onderdak in eeuwige tenten.

Gaan we nu naar de rijke van deze zondag, die ervan hield iedere dag feest te vieren en in fijn linnen gekleed te gaan. Hij gaat zo op in die braspartijen, dat hij niet eens ziet hoe er een arme stumper buiten voor zijn deur ligt, hongerig, met zweren overdekt. Misschien ziet hij hem wel, maar doet hij net of die man niet bestaat, loopt hem glad voorbij. Had hij maar iets gehad van de slimheid van de rentmeester over wie het zojuist ging! Dan zou hij, al puur uit berekening, die arme stumper iets hebben toegestopt, een beetje van de onrechtvaardige mammon, waarvan hij zoveel in zijn portemonnee en op zijn bankrekening had staan! Deze had hem dankbaar aangekeken. Hij had zich een vriend verworven. Zou hij ooit voor de hemelpoort komen te staan, dan zou die vriend, al gestorven, vast bij God positief over hem gesproken hebben, voor hem gepleit hebben! Maar nee hoor! Hij was niet slim als de rentmeester, maar dom in zijn rijkdom, helemaal opgaande in zijn feestvierend bestaan, totaal geen oog hebbend voor de nood en het gebrek in de wereld, blind voor de man bij de poort van zijn huis!

Nu begrijpen we het vervolg van het verhaal van de rijke van deze zondag. Hij kwam te sterven en na een leven vol feest met drinkvrienden en broers, die net als hij waren, ging hij naar de onderwereld. Hij zag Abraham en Lazarus in diens schoot, maar dat was ergens helemaal in de verte aan de andere kant van een diepe kloof. Al die feesten hadden hem vrienden opgeleverd, zeker, – waar drank is en eten en drinken, daar krijg je gemakkelijk vrienden, maar het waren slechts schijnvriendschappen. Hij had niemand tot echte vriend, ware vriend, kunnen maken, iemand, die in Gods oog tot de kleinen of armen behoorde, die voor hem zou willen pleiten, iemand, die een goed woordje voor hem zou willen doen. Eenzaam, hulpeloos riep hij, ja smeekte hij vanaf deze kant van de kloof naar de andere kant! Zou dat misschien de hel zijn: eenzaamheid, geen vrienden hebben, niemand hebben, die het voor je opneemt, omdat jijzelf het nooit voor iemand hebt opgenomen, in kille afstandelijkheid vertoeven, terwijl daarginds ver weg feestgedruis is en hemelse muziek, feest van de kinderen Gods en van Abraham, elkaar toegewijd in vriendschap en liefde!

De rijke begrijpt dat voor hemzelf niets meer te doen valt, daarom vraagt hij voor zijn vijf broers, dat die gewaarschuwd worden, dat ze niet in dezelfde situatie terecht zullen komen. Abraham is heel laconiek: niet nodig, ze hebben alles wat nodig is: de wet, de profeten, Mozes, het woord van God in de Bijbel en later de prediking van het evangelie. En als de rijke dan zegt: laat iemand uit de doden opstaan, dan zullen zijn broers geloven. Vandaag weten we dat hij op zijn wenken bediend werd: Jezus verrees uit de doden. Maar voor die broers zou het niet helpen. Ze waren doof voor Mozes en de profeten, ze zouden ook doof blijven voor de opgestane Christus. Jezus zou inderdaad een nieuw hart kunnen geven, onverschilligheid kunnen doen omkeren tot compassie, ‘met een boog om het leed heenlopen’ veranderen in ‘betrokkenheid bij het leed van een ander’ maar voor die broers was dat niet meer weggelegd!

Feestvieren en slemppartijen: we hoorden hierover ook in de eerste lezing uit de profeet Amos. Het ging om de zorgelozen en zelfverzekerden op Samaria’s berg, vele honderden jaren al voor Christus. Ze dronken wijn uit brede schalen, maar om Jozefs ondergang bekreunden ze zich niet. Ook toen al: opgaan in genotzucht, drink- en eetfestijnen, maar geen solidariteit met anderen die het moeilijk hebben. Ze blokkeerden het voor zichzelf om vrienden – échte vrienden – te maken, die wérkelijk om hen gaven, voor hen pleitten of het voor hen opnamen. De gevolgen bleven niet uit: ze gingen in ballingschap. Van hun land en staat bleef niets over. Anderen zouden het bevolken. Door wat ging gebeuren na het jaar 721 vChr., het jaar dat hun ballingschap in ging, werden ze zwaar gestraft en verloren ze alles.

Alles winnen en het ‘ware’ krijgen toevertrouwd, dat kan echter ook! Dit hoorden we in de tweede lezing van deze zondag uit de 1ste brief van de apostel Paulus aan zijn leerling Timoteüs. ‘Strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwig leven’ schrijft hij aan zijn beminde leerling en hij roept dit ook ons toe, die nu leven. ‘Streef naar gerechtigheid, godsvrucht, liefde, volharding, zachtmoedigheid’ en: ‘bewaar dit gebod ongerept en onbevlekt.’ Maar waarom zouden we dit doen, al die inspanning? Wel, ‘eens zal te rechter tijd’ – zo gaat de apostel verder – ‘onze Heer Jezus Christus verschijnen, Hij, de enige Heerser, de grote Koning, de opperste Heer die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in ongenaakbaar licht.’ Het is in dat licht, zo mag onze hoop zijn, dat ook wij eens zullen opstaan met Christus! Een grotere vriend – als het zover komt –, die voor ons zal pleiten en voor ons zal opkomen bij de hemelse Vader, kunnen we ons niet indenken!

inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld Tiemen Brouwer OP