Preek 23e zondag dhj, C jaar, 7-9-2025

[featured_image]
Downloaden
Download is available until [expire_date]
  • Versie
  • Downloaden 10
  • Bestandsgrootte 200.16 KB
  • Aantal bestanden 1
  • Datum plaatsing 1 augustus 2025
  • Laatst geüpdatet 1 augustus 2025

Preek 23e zondag dhj, C jaar, 7-9-2025

7 september 2025
Drieëntwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Wijsh. 9,13-18b; Ps. 90; Filemon 9b-10.12-17; Luc. 14,25-33 (C-jaar)

Inleiding 

Hoe kan men kennis van en inzicht in de wil van God verkrijgen? Uit de eerste lezing blijkt dat dit alleen mogelijk is door Gods gave van wijsheid, Gods heilige Geest. Wij ontvangen haar door onderricht en gebed. In zijn brief aan Filemon probeert Paulus met argumenten en een beroep op de liefde (agapè) Filemon inzichtelijk te maken hoe hij Onesimus moet benaderen, wil hij een waarachtig christen zijn. In het evangelie geeft Jezus inzicht in wat het betekent om zijn leerling te zijn. God staat altijd op de eerste plaats en vanuit dat inzicht handelt een leerling van Jezus.

Wijsheid 9,13-18b
In het deuterocanonieke boek Wijsheid kan men drie delen onderscheiden: In het eerste deel staat de wijsheid als bron van leven centraal (Wijsh. 1,1–5,23); het middendeel handelt over Salomo, de leraar van de wijsheid (6,1–9,18) en het slotdeel gaat over de wijsheid in de geschiedenis van Israël en Egypte (10,1–19,22).
Onze lezing vormt de afsluiting van bovengenoemd middendeel en daarnaast ook de afsluiting van het zogeheten gebed van Salomo – hij wordt niet bij name genoemd –, dat door velen beschouwd wordt als de climax van het boek Wijsheid (9,1-18). Het gebed van Salomo is een dramatische oproep van Salomo aan God om hem de gave van inzicht en wijsheid te schenken. Het is de enige manier om Gods bedoeling te leren kennen en zijn wil te doen (vgl. de inleiding tot dit gebed in 8,17-21).

In 1 Koningen 3,1-15 en 2 Kronieken 1,7-13 wordt beschreven hoe God in een droom respectievelijk nachtelijk visioen aan Salomo verscheen en hem vroeg: ‘Wat wilt u dat Ik u geef?’ Salomo vraagt God hem wijsheid te schenken, een opmerkzame geest om recht te kunnen spreken, inzicht en onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Juist omdat Salomo niet om, wat meer voor de hand ligt, rijkdom of een lang leven heeft gevraagd, schenkt God hem naast wijsheid en inzicht ook rijkdom en een lang leven. Het grote verschil tussen deze beide teksten en die in het boek Wijsheid is de verandering van de oorspronkelijke context van een droom en visioen in een door Salomo uitgesproken gebed.

Dit gebed heeft een concentrische structuur en is als volgt opgebouwd: het begint met de bede om wijsheid opdat de zwakke mens in zijn korte leven zijn scheppingsopdracht kan vervullen (9,1-6). In het hart van het gebed staat de bede om de gave van wijsheid, opdat de koning, rechter en bouwer van de tempel, zijn plichten kan vervullen (9,7-12). Tot slot spreekt Salomo de overtuiging uit dat de mens alleen in staat is de wil van God te kennen dankzij de gave van de wijsheid, de zending van Gods heilige Geest (9,13-18).

Het is een poëtisch gebed met een aantal voorbeelden van synoniem parallellisme in de verzen 13-17, dat wil zeggen dat beide delen van het vers dezelfde gedachte uitdrukken in ietwat onderscheiden bewoordingen, bijvoorbeeld: ‘Welke mens kent Gods raadsbesluit/of wie vermoedt wat de Heer wil?’ (9,13). Verder is er sprake van een inclusio in de verzen 13 en 17-18 (de wil van God kennen; mens/mensen). De wijsheid wordt voorgesteld als een persoon die bij God woont vanaf het begin van de schepping en die weet heeft van wat God lief is en behaagt.

Filemon 9b-10.12-17
In zijn korte brief aan Filemon noemt Paulus zich tot tweemaal toe 'gevangene van Christus Jezus' en ‘in de boeien van de blijde boodschap’. Hij schrijft deze brief omwille van een zaak die hemzelf maar ook Filemon als medewerker van Paulus ter harte gaat. Duidelijk is in elk geval dat Paulus, of hij nu in de gevangenis zit of niet, zich blijft inzetten voor de goede zaak.

Er speelt een conflict tussen Filemon en zijn slaaf Onesimus waarin Paulus wil bemiddelen. Bovendien probeert Paulus met een beroep op de christelijke levenshouding de relatie tussen beiden niet alleen te herstellen, maar te veranderen. In zijn brief maakt hij geen onderscheid tussen heer (Filemon) en slaaf (Onesimus), voor hem zijn beiden ‘geliefde broeders’.
Wat nu precies de aanleiding is geweest tot het conflict, weten we niet. Mogelijk is de slaaf Onesimus gevlucht of heeft Filemon hem wegens arbeidsongeschiktheid of ouderdom afgedankt, hij was hem niet meer tot nut. Paulus weidt niet verder uit over eventueel pijnlijke details. Ook weten we niet waar Paulus gevangen zit en hoe Onesimus hem in de gevangenis kan verzorgen. Onesimus – een typische slavennaam, die ‘nuttig’ betekent – is inmiddels door Paulus bekeerd tot christen (Filem. 10), tussen hen beiden is een soort geestelijke vader-zoon-relatie ontstaan.

Paulus vraagt Filemon om deze Onesimus die nu hij christen is geworden, deel uitmaakt van de christelijke gemeenschap, weer in zijn huis op te nemen. Hij beroept zich daarbij niet op zijn eigen gezag en autoriteit (Filem. 8), maar wel doet hij een beroep op de liefde (agapè). Verder zegt Paulus dat Onesimus nuttig voor Filemon zou zijn, ook al was hij dat in het verleden niet (Filem. 11) en hij wijst Filemon op de nieuwe verhouding tussen heer en slaaf (Filem. 15vv). Nu Onesimus christen is, vraagt Paulus hem niet een slaaf, maar een geliefde broeder op te nemen als was het Paulus zelf (Filem. 17). Paulus wil zelfs eventueel door Filemon geleden schade uit eigen zak vergoeden, al voegt hij er onmiddellijk aan toe dat deze hem ook nog een en ander schuldig is (Filem. 18vv).

Tegelijkertijd richt Paulus zich tot de gehele gemeente met de vraag, wat onderlinge broeder/ zusterschap in de praktijk betekent? Of ook: hoe gaan christenen met elkaar om? Is er dan nog sprake van heer-slaaf-verhoudingen of heeft zuster/broederschap het laatste woord?
Paulus heeft hier zeker geen sociale of maatschappelijke veranderingen op het oog, slaven vormden nog te zeer een vast bestanddeel van zijn wereld (zie 1 Kor. 7,20-24). Hij vraagt Filemon dan ook niet om Onesimus vrij te laten. Op grond van zijn geloof moet Filemon een manier zien te vinden om met Onesimus als broeder om te gaan, ook al is hij zijn slaaf.

Blijft nog de vraag over wat Paulus in (het niet gelezen) vers 11 bedoelt met de woorden dat Onesimus nu wel weer eens nuttig zou kunnen zijn voor Filemon, terwijl hij dat voordien niet meer was.
Paulus voegt nog toe in de verzen 15v: ‘Misschien was dat wel de reden waarom hij een tijdlang bij u weg is geweest: dat u hem voorgoed terug zou krijgen. Niet meer als slaaf, maar als veel meer dan een slaaf: als een geliefde broeder, speciaal voor mij en des te meer voor u, als mens en als christen.’
Zou Paulus misschien bedoelen dat Filemon, juist door Onesimus als broeder weer in zijn huis op te nemen, kan leren wat agapè is, de liefde die verbroedert in de Heer, waardoor hij uiteindelijk leert om net als Paulus, gevangene, slaaf van Christus te zijn? Of Filemon in deze moeilijke opgave is geslaagd, vermeldt de tekst niet.

Literatuur
Y.v.d. Akker-Savelsbergh, ‘Een gevangenschapsbrief’, in: Henk Janssen en Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 98-102
Yvonne van den Akker-Savelsbergh, ‘De vrijheid die Jezus brengt’, in: Speling 74 (2022,4) 83-88

Lucas 14,25-33
Direct vooraf aan de evangelielezing van vandaag vertelt Jezus de gelijkenis van een feestmaal, waarin de genodigden om allerlei redenen weigeren gehoor te geven aan de uitnodiging van de gastheer. Daarop worden overal vandaan mensen van de weg geplukt zodat de heer niet met alle voorbereide eten blijft zitten. Jezus besluit deze gelijkenis met de woorden: ‘… want Ik verzeker u, geen van die mensen die genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven’ (Luc. 14,24).
De uitnodiging afslaan heeft dus verregaande gevolgen, echter, onze lezing laat zien dat de uitnodiging aannemen evenmin een sinecure is.

In 14,25 hervat Jezus zijn weg naar Jeruzalem en drommen mensen lopen met Hem mee. Jezus wil hun duidelijk maken dat ze goed moeten weten waar ze aan beginnen als ze zijn leerling willen zijn. De voorwaarden zijn streng en negatief geformuleerd. Driemaal lezen we hoe het niet moet met als conclusie telkens: ‘Anders kan hij geen leerling van mij zijn’ (14,26.27.33). Wie zijn een mens dierbaarder dan je eigen familie, je eigen man of vrouw? Dierbaarder dan je eigen leven zelfs? En toch staat hier dat je juist die – genoemd worden zeven categorieën, dat wil zeggen, niemand uitgezonderd, iedereen – moet ‘haten’ (miseo), terwijl je liefhebben zou verwachten (14,26).
In zijn evangelie gebruikt Lucas het woord ‘haten’ in totaal zevenmaal. Steeds zijn het buitenstaanders die Israël (1,71), de leerlingen van Jezus (6,22.27; 21,17) en Jezus zelf (16,13; 19,14) haten. Alleen hier (14,26) worden Jezus’ leerlingen opgeroepen tot haat. Toch stemt Jezus uitdrukkelijk in met het gebod van ‘je vader en je moeder eren’ iets verder in het evangelie (18,20). De goede verstaander begrijpt dat Jezus hier een zwart-wit tekening schetst om zijn punt duidelijk te maken, namelijk dat God op de allereerste plaats komt, vóór wie of wat dan ook (vgl. 8,19vv). Niemand mag tornen aan het eerste gebod. Daarom staat hier het woord ‘haten’ dat op te vatten is in de betekenis van ‘op de tweede plaats komen’: God staat bovenaan.

Verder moet een leerling zijn kruis opnemen en achter Jezus aangaan. Jezus bepaalt de richting, hier is dat richting Jeruzalem. Dat het Jezus vooral gaat om inzicht en om handelen vanuit dit inzicht, blijkt uit de twee ‘rationele’ argumenten in de vorm van de beide gelijkenissen.
De eerste gelijkenis vertelt over iemand die een toren wil bouwen, de tweede gaat over een koning die tegen een andere koning ten strijde wil trekken. De pointe van de beide gelijkenissen is dat je dit soort belangrijke beslissingen niet zomaar neemt. Je moet goed weten waar je aan begint en gedegen inzicht hebben in mogelijke problemen. Eerst wordt de kans van slagen afgewogen. Is die er niet, dan zie je van het voornemen af. Zo moet ook wie leerling van Jezus wil zijn, overwegen of er al dan niet kans van slagen is gezien de strenge voorwaarden.

Tot slot horen we dat wie geen afscheid kan nemen van al zijn bezit of beter nog, van al datgene dat hem/haar in bezit houdt (vgl. 5,11.28; Hand. 2,44vv; 4,32), geen leerling van Jezus kan zijn. Ook dit inzicht is vereist om helemaal vrij te kunnen zijn voor God, om Hem in het spoor van Jezus op de allereerste plaats te kunnen stellen.

Preekvoorbeeld

Hoop, bron van vrijheid
Het lijkt wel alsof Jezus zichzelf tegenspreekt. Hem volgen betekent de bereidheid alles op te geven wat een mens dierbaar is: vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zusters, zelfs het eigen leven. Het laat aan duidelijkheid niets te wensen over (Luc. 14,25vv7). En dan, in één en dezelfde adem lijkt Hij die radicaliteit te relativeren. Bezint eer je begint, klinkt het. Overschat jezelf niet, maar wees wijs en erken je eigen beperktheid. Het klinkt radicaal en relativerend tegelijk (Luc. 14,25-34). Diezelfde toon horen we in de eerste lezing in het boek Wijsheid (Wijsh. 9,13-18b). Beide horen samen in de lezingen van deze zondag.

Het zijn vooral de eerste woorden van Jezus’ toespraak die geschiedenis hebben gemaakt. Ze werden niet zelden voorgehouden als graadmeter voor een authentieke geloofsbeleving. Jezus richt zich niet tot een uitgekozen groep van sympathisanten. Hij richt zich tot ‘de talloze mensen’ (Luc. 14, 25) die naar Hem komen luisteren. Jezus’ levensvoorbeeld geldt voor allen die zich leerling van Hem willen noemen. Toch zijn er mensen die zich uitgedaagd voelen door de radicaliteit van zijn woorden. Ze hebben doorheen de geschiedenis een veelheid van vormen aangenomen. Eén daarvan uit het recente verleden is de inzet die door de bevrijdingstheologie geïnspireerd is geweest. Er zijn mensen die metterdaad ‘hun kruis hebben opgenomen’ in solidariteit met wie geminacht werden of gediscrimineerd.

‘Je kruis opnemen’! Het kan nooit losgemaakt worden van de politieke en culturele context waarin men leeft. Vandaag is de bevrijdingstheologie op de achtergrond geraakt, althans in Europa. Maar de nieuwe uitdagingen zijn niet minder ingrijpend. Er is veel onrust door de verwarring die zich op talloze gebieden voordoet. Mensen zijn angstig geworden. Vooral de dreiging van een oorlog die steeds dichterbij schuift maakt mensen ongerust. Het perspectief op de toekomst is heel wazig geworden. Het begrip ‘hoop’ duikt onverwacht op, maar vooral in negatieve zin. We weten nu reeds dat er geen hoop is op een duurzame vrede. We kijken met benauwd hart naar de onvoorspelbare ontwikkelingen op het geopolitieke vlak. Naast de dagelijkse beelden over het geweld dat zich in ons eigen continent afspeelt, zijn er zoveel haarden van geweld en moordpartijen die ons niet onberoerd kunnen laten. Er is geen hoop op een voor alle mensen menswaardig bestaan in deze wereld. We durven niet méér hopen dan een vermindering van het oorlogsgeweld.

Het ziet ernaar uit dat de algehele onzekerheid op het Europees continent de hele klimaat-problematiek uit het zicht heeft weggeduwd. We staan hier evenwel voor een ‘oorlog’ die met geen enkele soort bewapening kan worden gewonnen. De situatie is dusdanig dat het er uitziet alsof we nu reeds de strijd verloren hebben, alsof het alleen nog bergaf kan gaan. Maar de overstromingen die overal, de wereld rond, onverwacht doorbreken, de bosbranden, het ontbreken van voedsel en zuiver water vragen een dringend antwoord van de politiek. De bekende Nederlandse schrijver Tommy Wieringa schreef hierover een essay Optimisme zonder hoop. Hij schrijft dat hij de hoop heeft opgegeven. Hij wil niet voor pessimist versleten worden, maar wat de klimaatproblematiek betreft gelooft hij niet dat een significante verbetering van de situatie nog haalbaar is. Hij heeft die overtuiging getoetst aan tal van wetenschappelijke studies die hem hierin bevestigen. We hebben de boot gemist. De hoop dat we in staat zouden zijn dat wél te doen heeft hij opgegeven. Hij wil die realiteit niet verdonkeremanen. Maar hij wil ook niet zomaar de armen laten zakken. Hij houdt vol om op de kleine schaal van zijn persoonlijke levensruimte te doen wat hij kan. Daardoor verandert er niets, maar voor hem is het wellicht een teken van protest tegen de onverschilligheid terzake.

Hij mag dan de hoop op een doorbraak in de klimaatpolitiek hebben opgegeven, hij wil zijn positieve ingesteldheid niet opgeven. Hij spreekt zelfs over optimisme. Hij laat namelijk de redelijkheid niet varen. Er blijft heel wat te doen waarvoor wij onze verantwoordelijkheid kunnen opnemen. De parabels van de torenbouwer of de oorlogszuchtige koning manen terecht aan tot rationeel denken.

De brief van Paulus aan Filemon speelt zich af op het interpersoonlijke niveau. De slaaf Onesimus heeft Paulus verzorgd toen deze in de gevangenis zat. Onder Paulus’ invloed is hij christen geworden, en in zijn brief aan Filemon vraagt hij Onesimus niet als een slaaf maar als een broer te behandelen. In de christelijke gemeenschap staat de agapè toch op de eerste plaats.

Wellicht zijn er meer inspirerende stemmen die blijven wedden op de hoop die vanuit de toekomst op ons toe komt. In dit verband blijft het gekende gedicht van Charles Péguy een overweging waard (www.kuleuven.be/thomas/page/gedichtendatabank/view/246628).
Hij gebruikt het beeld van een klein meisje dat het vertrouwen in de toekomst niet opgeeft. Hoop als een klein meisje die de beide deugden van geloof en de liefde bij de hand neemt en vooruit trekt naar de toekomst. Dat ze het niet opgeeft, daar is God verbaasd over, en het stemt hem welgezind.

In een tijd dat er zoveel dromen dreigen vernietigd te worden trekt Leonard Cohen de wereld rond met zijn Anthem waarvan het Alleluia algemeen bekend is. Het is geen triomfantelijk lied. Eerder een overtuiging die in alle bescheidenheid de hoop trouw blijft dat er betere tijden komen. There is a crack, a crack in everything, that’s how the light gets in. Het goede moet gedaan worden omdat het goed is, ook al gaat het niet vanzelf.

Voor een bespreking van Tommy Wieringa, Optimisme zonder hoop, zie de Homiletische hulplijn op blz. 42v.


inleiding
dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld Ignace D’hert OP