- Versie
- Downloaden 7852
- Bestandsgrootte 483.70 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 31 mei 2018
- Laatst geüpdatet 2 februari 2026
Nummer 2– 98ste jaargang 2026 – maart/april
TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING
UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN
1 maart 2026 Tweede zondag van de Veertigdagentijd
Inleiding H. Janssen OFM; Preekvoorbeeld drs. M. van der Post
8 maart 2026 Derde zondag van de Veertigdagentijd
Inleiding dr. Y. van den Akker-Savelsbergh; Preekvoorbeeld drs. K. Touwen
15 maart 2026 Vierde zondag van de Veertigdagentijd
Inleiding M.F. Vroege-Crijns BA; Preekvoorbeeld ds. N. Pronk
22 maart 2026 Vijfde zondag van de Veertigdagentijd
Inleiding prof. dr. A. van Wieringen; Preekvoorbeeld H. Brouwers
29 maart 2026 Palm- of Passiezondag
Inleiding prof. dr. M. Poorthuis; Preekvoorbeeld prof. dr. H. Rikhof
2 april 2026 Witte Donderdag
Inleiding drs. M. Brinkhuis; Preekvoorbeeld T. Brouwer OP
3 april 2026 Goede Vrijdag
Inleiding prof. dr. R. Reeling Brouwer; Preekvoorbeeld drs. J. Rademakers
4 april 2026 Paaswake
Inleiding prof. dr. P. Beentjes; Preekvoorbeeld P. Heysse
5 april 2026 Paaszondag
Inleiding G. van Buul OFM; Preekvoorbeeld drs. E. Smeets
6 april 2026 Paasmaandag
Inleiding dr. S. Mangnus OP; Preekvoorbeeld dr. J. Hulshof SM
12 april 2026 Tweede zondag van Pasen
Inleiding dr. A. Troost; Preekvoorbeeld dr. S. Brouwers
19 april 2026 Derde zondag van Pasen
Inleiding prof. dr. P.B. Smit; Preekvoorbeeld dr. P. van Veldhuizen
26 april 2026 Vierde zondag van Pasen
Inleiding prof. dr. H. Ausloos; Preekvoorbeeld M. Wisse
Homiletische hulplijnen 119 drs. K. Touwen
1 maart 2026
Tweede zondag van de Veertigdagentijd
Lezingen: Gen. 12,1-4a; Ps. 33; 2 Tim. 1,8b-10; Mat. 17,1-9 (A-jaar)
Inleiding
Profetenlezing: Genesis 12,1-4a
Abraham is de aartsvader van een menigte volken,
er kleeft geen smet aan zijn roem.
Hij hield zich aan de Tora van de Allerhoogste
en had met Hem een verbond.
Dat verbond heeft hij in zijn lichaam gesneden,
en toen hij werd beproefd, bleek zijn trouw.
Daarom heeft de Heer hem onder ede beloofd
dat in zijn nageslacht de volken gezegend zouden zijn.
(Sirach 44,19-21a)
Kort en bondig vat Jezus Sirach het leven van Abraham en zijn roeping samen.
Terach, de vader van Abram, Nachor en Haran, verlaat Ur, de stad van de Chaldeeën.
Hij gaat samen met zijn familie naar Kanaän. In Charan aangekomen blijft hij daar tot zijn dood wonen (Gen. 11,27-31).
JHWH roept Abraham en Sara:
- trek weg uit je land;
- verlaat je familie en je naaste verwanten;
- en ga naar het land dat ik je zal wijzen.
Abraham en Sara geven gehoor aan het woord van JHWH en gaan op weg naar Kanaän
(12,4v). Zij wagen het (op hoge leeftijd) met de roepstem van God. Alles loslaten, met God wandelen en een zegen zijn voor alle volken op aarde. JHWH zal hen tot een groot en befaamd volk maken en hen zegenen. Het getuigt van veel lef van hen om met God dit avontuur aan te gaan.
Sinds de roeping van Abraham en van Sara, is dit de opdracht van het volk van God. Het met God wagen en op weg gaan en een zegen te zijn voor de andere mensen. Met andere woorden: de wereld te humaniseren en tot een huis van vrede te maken voor naaste en vreemdeling.
Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd,
gehoorzaam op weg naar een plaats die hij als erfenis zou ontvangen,
en hij ging op weg zonder te weten waarheen
Door zijn geloof trok hij naar het land toe
dat hem beloofd was maar hem nog niet toebehoorde.
(Hebreeën 11,8v)
Lezing uit de brieven: 2 Timoteüs 1,8b-10
Zie A.B. Merz, ‘2 Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91
Evangelie-lezing: Matteüs 17,1-9
Nadat Jezus zijn leerlingen opnieuw geroepen heeft (16,14-28), neemt Hij Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op. De evangelist beschrijft Jezus als een nieuwe Mozes. Is de hoge berg de berg van de tien woorden, waar JHWH zich bekend maakt door van zich ter laten horen?
Alleen met de drie leerlingen verandert Jezus van gedaante, Hij ondergaat een metamorfose. Zijn gezicht straalt als de zon (vgl. Mozes, Ex. 34,35; Dan. 10,6). Mozes (de Tora) en de profeet Elia (de profeten) zijn met Jezus in gesprek. Houden zij een Leerhuis? Petrus ervaart deze glanzende bijeenkomst als goed. Hij wil deze ontmoeting vasthouden. Hij stelt aan Jezus voor om drie tenten op te zetten (is het Loofhuttenfeest?). Voordat Jezus Petrus kan antwoorden, gaat de hemel open: een stralende wolk daalt over hen heen en er klinkt een stem (van God?): ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’
Door de stem uit de hemel worden de leerlingen door angst bevangen en werpen zij zich ter aarde. Jezus komt naar hen toe, raakt hen aan en zegt: ‘Sta op, wees niet bang!’ Als zij weer tot zichzelf komen zien zij alleen Jezus nog.
Onderweg naar zijn dood en opstanding, geeft Jezus aan drie van zijn leerlingen een doorkijkje naar het einde van de weg die Hij naar de wil van de Vader gaat. Zij mogen er pas met anderen over spreken als de Mensenzoon (door God) uit de dood is opgewekt.
Uit Oer is hij getogen,
aartsvader Abraham,
om voortaan te geloven
in ’t land van Kanaän,
om voortaan als een blinde
te zien een donker licht,
om voortaan helderziend
te zijn op God gericht.
(Willem Barnard, Liedboek 803: 1)
Preekvoorbeeld
Abraham trekt in de eerste lezing samen met vrouw Sara en neef Lot weg uit z’n land en weg van zijn familie. Zij doen me onmiddellijk denken aan de miljoenen mensen die gedurende de hele geschiedenis en ook nu wegtrekken uit hun land, op zoek naar een betere toekomst. Abraham, Sara en Lot zijn migranten. We weten niet precies wat het was dat hen op weg deed gaan. Hadden ze het niet goed in Haran, de stad waar ze tot dan toe woonden? Het zou kunnen. Ze hoopten in elk geval dat het in Kanaän beter zou zijn.
We horen in het verhaal dat het God zelf was die Abraham riep en uitnodigde om op weg te gaan. ‘Ginds zul je zegen ontmoeten, is er toekomst voor jou en de jouwen en vooral, Ik zal bij jullie zijn.’ Alle migranten van alle tijden en van alle continenten gaan op weg met dezelfde hoop en verwachting als Abraham. Ze mogen zich in hun waagstuk gesteund voelen door dezelfde God.
Migranten en asielzoekers vormen al vele jarenlang het centrum van eindeloos veel politieke discussies en zijn binnen de samenleving een bron van tegenstellingen die eerder scherper dan milder worden. Verkiezingen worden gewonnen en verloren op dit thema. Tegenover de migranten die op zoek zijn naar een betere toekomst staan in een land de mensen die er al eerder waren en van wie gevraagd wordt ruimte te maken voor wie nieuw binnenkomen. Dat kan lastig zijn, want het vraagt misschien offers, en het vraagt zeker aanpassing aan andere culturen die opeens dichtbij zijn in plaats van alleen ver weg. En dat in tijden dat er toch al zoveel verandert en onzeker is. Je zou kunnen zeggen dat de grootschalige migratie zoals we die nu kennen van iedereen vraagt zich te verplaatsen en te veranderen. Willen we dat?
We zitten in de Veertigdagentijd, tijd van voorbereiding en bezinning op Pasen. Samen met Jezus en drie van zijn leerlingen bevinden we ons in de evangelielezing van vandaag op een hoge berg en worden we uitgenodigd na te denken over de koers die we met ons leven gaan. Jezus staat op een kruispunt. Tot nu toe waren er veel mensen enthousiast geworden over zijn optreden en over zijn boodschap. Maar in toenemende mate begon Hij tegenstand te krijgen, van farizeeën en andere schriftgeleerden en van de religieuze autoriteiten in Jeruzalem. Hij weet dat zijn leven voortijdig kan aflopen en Hij begint er met zijn leerlingen over te spreken.
Nu heeft Jezus zich even teruggetrokken, samen met zijn drie meest vertrouwde leerlingen. Het verhaal vertelt dat Hij van gedaante verandert, gaat stralen als de zon. Dan heeft Hij een ontmoeting met Mozes en Elia. De leerlingen raken diep onder de indruk. Het is alsof alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft bevestigd wordt door God zelf. Te midden van toenemende onzekerheid is er houvast te vinden: Mozes en Elia, die de Wet en de Profeten vertegenwoordigen, bieden oriëntatie. God zelf laat zich horen, er klinkt een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’
Al deze bevestiging neemt niet weg dat ze weer in beweging moet komen. Petrus zou wel op de berg willen blijven, hij stelt al voor om drie tenten te bouwen. Maar als de leerlingen die stem horen die besluit met te zeggen: ‘Luister naar Hem’, bevangt hen grote schrik. Ze weten dat Jezus niet iemand is die stil blijft staan. Hij had al met hen gesproken over de mogelijke afloop van zijn missie: Hij wilde het lijden niet uit de weg gaan en het kruis opnemen als dat nodig was. Moesten ze naar Hem luisteren, moesten ze Hem navolgen op zijn weg? Zouden ze dat aandurven?
Maar dan, staat er, als ze de schrik flink te pakken hebben, komt Jezus naar hen toe en raakt hen aan. ‘Sta op en wees niet bang,’ zegt Hij, ‘wees niet bang om in beweging te komen, vertrouw erop dat Ik bij jullie ben. Vertrouw erop dat jullie in een lange traditie staan, die al begint bij Abraham en Sara, bij Mozes en Elia, die via Mij loopt en die verdergaat de toekomst in. Er gebeuren onverwachte dingen, want zo is het leven. Er kruisen mensen onze weg die we nog niet kenden. We kunnen het er echter op wagen.’
De leerlingen dalen met Jezus de berg af. Wat ze meegemaakt hebben schreeuwen ze niet van de daken, dat houden ze bij zich, bewaren ze in hun hart. Zo dalen wij straks ook van de berg af, betreden wij weer ons dagelijks leven. Wat God ons vandaag gezegd heeft, mogen wij ook bij ons houden en mogen we verder laten groeien, daar is het Veertigdagentijd voor. Dat we ons daarbij beschermd en beschut weten, uitgenodigd en uitgedaagd, geïnspireerd en wakker geschud.
inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post
8 maart 2026
Derde zondag van de Veertigdagentijd
Lezingen: Ex. 17,3-7; Ps. 95; Rom. 5,1-2.5-8; Joh. 4,5-(-15.19b-26.39a.40-) -42 (A-jaar)
Inleiding
Exodus 17,3-7
Na de onderdrukking in Egypte en de wonderbaarlijke doortocht door de Rietzee is het volk onder leiding van Mozes in de woestijn terecht gekomen (Ex. 1,1–15,21). ‘Toen Israël het machtige optreden van de Heer tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor de Heer; zij stelden vertrouwen in de Heer en in Mozes, zijn dienaar’ (14,31). Waren de Israëlieten eerst slaven (avadiem) van Farao in Egypte, nu zijn zij vrijwillig dienaren (avadiem) van de Eeuwige.
De Britse opperrabbijn Jonathan Sacks schrijft: ‘De oversteek van de Rietzee is zowel een verbondssluiting als een overdracht van eigendom. De Israëlieten zijn voortaan Gods bezit in plaats van dat van Farao’ (Exodus, blz. 120). En verder: ‘… Het verschil is niet alleen een verandering van meester. De slaaf van een mens is iemand die geen vrijheid heeft. Een dienaar van God is iemand die geroepen is tot vrijheid – een bijzonder soort vrijheid, namelijk een vrijheid met respect voor de vrijheid van anderen en voor de integriteit van de geschapen wereld...’ (Exodus, blz. 124-125).
De woestijn, een soort niemandsland, is voor het volk de ideale plek om te leren wat de nieuwe vrijheid, het dienaar zijn van de Eeuwige, precies inhoudt (15,22–18,27). Mozes is door zijn opvoeding aan het hof van Farao en zijn jarenlange woestijnervaring bij uitstek geschikt als leider. Na de eerste euforie duurt het echter niet lang of het volk doet zijn beklag bij Mozes vanwege gebrek aan drinkbaar water. Het volk gaat ‘morren’, een werkwoord dat regelmatig terugkomt (15,24). Namens het volk roept Mozes de Eeuwige aan en vindt bij Hem gehoor: het niet te drinken bittere water (mara) wordt zoet.
In Exodus 16,2v beginnen de Israëlieten opnieuw te morren, ze verlangen terug naar de ‘vleespotten in Egypte’, de honger slaat toe, de Eeuwige zendt brood (manna) en kwartels. Niet lang daarna trekken zij op Zijn aanwijzing verder door uit de woestijn; de Eeuwige zelf is dus hun gids en leider. Desondanks is er in Refidim opnieuw gebrek aan drinkwater. Mozes wordt bedolven onder de verwijten en hij reageert: ‘Waarom maakt u mij verwijten en daagt u de Heer uit?’ (17,2). Het is veel betekenend dat het volk zich richt tot Mozes en niet tot de Eeuwige.
Ondanks de uittocht uit Egypte en alle andere bewijzen van Gods trouw is het vertrouwen in de Heer en in zijn dienaar Mozes volkomen zoek (zie 14,32). In plaats daarvan is er hevig gemor tegen Mozes: ‘Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte, als we toch met kinderen en vee van de dorst moeten sterven’ (17,3). De situatie is uiterst kritiek, Mozes wendt zich tot de Eeuwige, al doet hij dat vooral om zijn eigen hachje te redden. Weer brengt de Eeuwige redding in de nood door uit een rots water te laten ontspringen. Mozes ‘noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten van de Israëlieten en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen: “Is de Heer nu bij ons of niet?”’(17,7).
Direct aansluitend op onze lezing wordt Israël aangevallen door de Amalekieten; dat moet wel een straf zijn vanwege de twijfel over de aanwezigheid van de Eeuwige. Sacks spreekt hier over ‘weergaloze ironie. Het Hebreeuwse woord bebirkenoe … kan ‘in ons midden’ betekenen (in ruimtelijke zin), maar ook ‘in ons’ (in psychologische zin). … De Israëlieten wonnen niet omdat God voor hen streed, maar omdat God hun de kracht gaf om hun eigen strijd te voeren. God was niet ‘in hun midden’, maar ‘in hen’. Dat was de cruciale verandering tussen de situatie voor en na het oversteken door de Rietzee. … Het is het beroep op de menselijke verantwoordelijkheid. … God is met ons waar en wanneer we met Hem zijn’ (Exodus, blz. 123-124).
Literatuur
Jonathan Sacks, Exodus. Boek van de bevrijding, Middelburg 2019
Romeinen 5,1-2.5-8
S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Johannes 4,5-42
Ook in de evangelielezing speelt het thema water een belangrijke rol (al eerder in Joh. 1,26.31.33; 2,7.9 en 3,5). Het verhaal speelt zich af in Sichem, in het Nieuwe Testament Sichar genoemd, het huidige Nablus. Dat is niet zomaar een plaatsaanduiding, want al is Sichem buiten Juda gelegen, het is de plaats van de vaderen, de bakermat van Israël. In Sichem richtte Abram een altaar op voor de Heer die hem was verschenen (Gen. 12,7) en Jakob kocht er een stuk land (Gen. 33,19). Daar is ook de bron van Jakob. Nu is een bron de plaats bij uitstek voor ontmoetingen en liefdesgeschiedenissen. Mozes leerde zijn vrouw Sippora bij een bron kennen, de knecht van Abraham vond bij een bron een geschikte vrouw voor Isaak, Jakob ontmoette er Rachel, kortom: een bron is een beloftevolle plaats.
Het is het zesde uur, het heetst van de dag, als een Samaritaanse vrouw water wil putten bij de bron van Jakob en daar Jezus ontmoet. Hij rust uit, terwijl de leerlingen eten kopen in de stad. Jezus spreekt de vrouw aan en vraagt haar om drinken. Haar antwoord klinkt nogal snibbig, verbaasd, verontrust: ‘Hoe kunt u als jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?’
Zo ontspint zich tussen hen een gesprek over drinken, water en dorst, over een put en een bron, een gesprek vol dubbele bodems (later gebeurt hetzelfde over voedsel en eten, zaaien en oogsten in het gesprek tussen Jezus en de leerlingen). Door de vasthoudendheid van de vrouw komt zij langzaam maar zeker achter de identiteit van Jezus. Johannes weet dit proces prachtig te verwoorden.
Aanvankelijk noemt de vrouw Jezus ‘jood’, maar al snel blijkt dat dit een veel te magere omschrijving is: ‘Als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend water gegeven’ (4,10).
Daarop spreekt zij Hem aan met ‘heer’ en zegt heel praktisch: ‘u hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt u dat levende water dan vandaan halen? Of – en dit is een stap in de goede richting, al gelooft ze haar eigen woorden nog niet – bent u soms groter dan onze vader Jakob die ons de put heeft nagelaten…?’ (4,11v).
Het johanneïsch misverstand van levend water en putwater gaat nog even verder: de vrouw wil het water dat Jezus geeft, water dat de dorst voor eeuwig lest, graag hebben, omdat ze dan geen water meer hoeft te putten. Nu zijn de rollen omgedraaid en vraagt de vrouw Jezus – zij noemt Hem opnieuw ‘heer’ of Hij aan háár dat water wil geven.
Het hoeft geen betoog dat Jezus op een ander niveau spreekt dan zij. Twee soorten water staan ter discussie: levend water en putwater. Dat laatste is water waar je steeds weer dorst van krijgt. Levend water is de bron die ook Jezus drenkt. Die bron is een beeld voor de leven schenkende liefde van de Vader.
Het inzicht van de vrouw in de persoon van Jezus groeit als Hij haar vraagt om haar man te gaan roepen. Die heeft ze niet volgens haar. Als Jezus blijkt te weten dat zij vijf mannen heeft gehad, noemt zij Hem voor de derde maal ‘heer’ en vervolgens ‘profeet’ (4,19).
Jezus weet dat zij vijf mannen heeft gehad. Hij kent haar verlangen naar liefde dat al die mannen kennelijk niet wisten te vervullen. Misschien heeft Hij haar juist daarom aangesproken en ging het gesprek al snel over van putwater naar levend water.
Dan stapt zij over op een ander onderwerp: aanbidden op de berg of in Jeruzalem? Daarop zegt Jezus dat het heil uit de joden komt en dat niet de plaats van belang is maar de manier waarop gebeden wordt: in geest en waarheid: ‘dat zijn de aanbidders die de Vader zoekt’ (4,23). Wanneer de vrouw zegt dat zij wéét (een belangrijk werkwoord in deze tekst) dat de Messias, de Christus, komt die alles zal verkondigen, maakt Jezus zich aan haar, Samaritaanse vrouw zonder naam, bekend: ‘Dat ben Ik, degene die met u spreekt’ (4,26).
Nu komen de leerlingen erbij, zij zijn verbaasd net als de vrouw eerder, dat Jezus met een Samaritaanse praat, maar zij stellen geen vragen. Zo blijven de leerlingen bij de buitenkant staan, onwetend, en heeft zij een grote voorsprong op hen. Als definitief bewijs dat putwater niet langer het belangrijkste voor haar is, laat zij haar kruik achter. Zij gaat naar de stad en nodigt mensen uit om zelf te achterhalen of Jezus soms niet de Messias is ‘die mij heeft verteld wat ik allemaal gedaan heb’ (4,29.39). Voordat de Samaritaanse voor het laatst wordt genoemd, volgt er nog een kort gesprek tussen Jezus en de leerlingen waarin de oogst centraal staat, waarvoor anderen dan de leerlingen zich moe hebben gemaakt (vgl. 4,6 waar ook Jezus vermoeid is). Met die anderen moet behalve Jezus onder meer de Samaritaanse bedoeld zijn, want op haar woord en getuigenis stromen de mensen uit de stad naar Jezus toe. Zij vragen Jezus om bij hen te blijven. Velen geloven nu niet langer op háár woord maar op persoonlijke titel. Zij wéten (vgl. 4,25): ‘dit is werkelijk de redder van de wereld’ (4,42).
Zo informeert Johannes zijn lezers – op een meer toegankelijke wijze dan in de proloog – via het verworven inzicht van de Samaritaanse, over wie Jezus werkelijk is. Het is een ontwikkeling die loopt van ‘jood’, ‘heer’, ‘groter dan onze vader Jakob’, ‘profeet’, tot ‘de Messias’, ‘de redder van de wereld’.
De dialoog tussen Jezus en de Samaritaanse vormt een groot contrast met de voorafgaande scène tussen Jezus en de farizeeër Nikodemus. De laatste speelde zich af in het holst van de nacht (Joh. 3,1-21), terwijl de eerste plaatsvindt op klaarlichte dag. Het is een literair stijlmiddel dat Johannes gebruikt om de beide scènes als een tweeluik te presenteren. Normaal gesproken zou geen mens op het heetst van de dag water gaan putten. Zij wel, wellicht in de hoop anderen vrouwen en praatjes te ontlopen. Daarom is de Samaritaanse in het verleden vaak als een slechte vrouw afgeschilderd, ook al vanwege haar vijf mannen. Op gezag van de Samaritaanse gaan echter veel mensen uit de stad naar Jezus toe die uiteindelijk tot dezelfde slotsom komen als zij: Jezus is de redder van de wereld (4,39-42). Als deze Samaritaanse echt zo’n slechte reputatie had, neemt het verhaal hier een zeer onwaarschijnlijke wending. Geen van de vijf mannen wordt bij name genoemd, de Samaritaanse evenmin. Zouden de Samaritaanse en haar vijf mannen dan ook niet eerder symbool staan voor dat diepe verlangen naar liefde en eenheid, in ieder mens aanwezig, dat niet door mensen vervuld kan worden?
Literatuur
Maria de Groot, ‘Het evangelie volgens Johannes. Nacht en dag.’ In: De Bijbel Spiritueel, red. Frans Maas e.a., 2004, blz. 599-616
Yvonne van den Akker-Savelsbergh, ‘Het evangelie volgens Johannes. Ontmoeting.’ In: De Bijbel Spiritueel, red. Frans Maas e.a., 2004, blz. 583-590
Preekvoorbeeld
H.J. van Tienhoven (1923-1990) was een groot dichter, maar is volkomen onbekend gebleven en heeft uiteindelijk zijn leven vergooid aan drank en bitterheid. Hij heeft op indrukwekkende wijze gedicht over de dorst, en dat was niet alleen de dorst van zijn alcoholisme, maar het is onze dorst naar wat het evangelie ‘levend water’ noemt: de dorst van het onvervuld zijn, de dorst die voortkomt uit een diepe leegte, een gat in onze ziel, een groot ontbreken, een gemis dat zich niet vult.
De laatste regels van een gedicht van Van Tienhoven gaan zo:
Geloof, geloof, de wortels van de hoop
zoeken het water dieper met de jaren,
en langzaam regelt zich je bloedsomloop
naar deze dorst die niet is te bedaren.
Dus met de jaren reiken je wortels dieper in de grond op zoek naar water. Jouw wortels, zo ben je geworteld. Maar ze zoeken, want je weet wat het is te verdorren en te verdrogen. Het geloof ontvalt je, je inspiratie valt droog, O ja, zonder bezieling en creativiteit, zonder vreugde en hartverwarmende liefde kun je wel oud worden, het leven gaat door en jij moet ook door, maar of dat leven is?En nog dieper reiken je wortels op zoek naar dat levende water. Het zijn, zegt Van Tienhoven, ‘de wortels van de hoop’, want dat is wel het sterkste in een mens: dat je blijft hopen dat het anders kan.
Er is een dorst die niet is te bedaren. Of anders gezegd: ieder mens bergt een leegte in zich, het is een leegte waaraan je lijdt en blijft lijden en zoeken en drinken en vullen als niet God zich in die leegte vinden laat.
Je kunt die leegte ontvluchten, die leegte vullen met luxe of je werk of andere verdoving. Maar de leegte blijft, een gapend gat, een leeg graf, tot God zich in die leegte vinden laat.
Zo staat daar op het zesde uur, dat is in de joodse tijdsrekening op het heetst van de dag, die vrouw daar water te putten en een vreemdeling, die afgemat is van zijn tocht, zit bij de bron en vraagt om water: ‘Geef mij wat te drinken.’
Zo is het wel in het evangelie: de eerste met dorst is Christus zelf. Want laten we er niet een simpel verhaaltje van maken, dat die vrouw met haar dorst symbool staat voor ons mens-zijn en dat Jezus de dorst wel stillen zal.
Nee, de eerste met dorst is Jezus en in dit evangelie is Hij ook de laatste met dorst, want zo sterft Hij aan het kruis als Hij roept: ‘Ik heb dorst.’ Er stond daar een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus van die wijn gedronken had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Daarop boog Hij het hoofd en gaf Hij de geest.
Jezus zit hier dorstig aan de rand van de bron en een gesprek ontvouwt zich, waarin steeds meer de dorst van deze vrouw aan het licht treedt, ze wist van zichzelf niet hoe dorstig zij is.
Het is gaandeweg in dit gesprek dat zij oog in oog komt te staan met haar onvervuld bestaan en zij begint te vragen: om levend water, om gebed, om de Messias.
Die vrouw bij de bron, steeds dorstiger wordt zij, de wortels van de hoop zoeken het water, en zij staat er vlakbij: bij de bron. ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’
Christus, niet met zijn overvloed, maar met zijn dorst lest Hij de dorst van de wereld. Niet met zijn overvloed, want zo merkt de vrouw op: ‘U hebt niet eens een emmer.’ Nee, zijn dorst wekt onze dorst, en zijn vertrouwen wekt ons vertrouwen, want zo gaat dat daar tegen alle vooroordelen in: die Joodse man praat met een Samaritaanse vrouw. Van minachting en achterstelling, van wantrouwen is geen sprake, zijn vertrouwen wekt vertrouwen. En zijn geloof wekt ons geloof, meer dan wij in onszelf wisten te vinden.
Want geloven is niet het voor waar houden van een set onwaarschijnlijkheden, maar is een levenshouding, waar je naar gaat staan – door... Ja waardoor eigenlijk? Doordat God naar je toekomt en dan ga je zingen en bidden, of eerst vragen stellen en je wordt je bewust van de dorst, je grote dorst naar waarheid, zin, liefde, een toekomst voor jezelf en meer nog voor je kind.
Ja, als God naar je toe komt is de dorst naar Hem niet te bedaren. Je hebt zoveel te vragen en het verlangen wordt steeds groter. Je kunt het niet benoemen.
Deze vrouw kon het niet benoemen. Het is in gesprek met Jezus dat zij er achter komt.
Jezus is in het evangelie de eerste en de laatste die deze dorst uitspreekt. En zijn laatste woord spreekt van ‘volbracht’. Geen mens heeft dat ‘leeg’ en ‘vol’ zo dicht bij elkaar gebracht, de leegte en de vervulling, het gat in je ziel geslagen en de heelheid die je wordt geschonken, het durend gemis en de volkomenheid van je verlangen, de dorst volbracht.
Christus heeft ten einde toe ons menszijn voldragen en uit de leegte van gemis en pijn, zullen bronnen van vreugde ontspringen.
inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
15 maart 2026
Vierde zondag van de Veertigdagentijd
Lezingen: 1 Sam. 16,1b.6-7.10-13a; Ps. 23; Ef. 5,8-14; Joh. 9,1(.6-9.13-17.34-38)-41 (A-jaar)
Inleiding
God ziet, wat een mens niet ziet. Met de komst van Jezus Christus als licht voor de wereld (Joh. 8,12) komt aan het licht wie God is én wie jij bent in Gods ogen. Dat inzicht is bevrijdend maar niet vrijblijvend.
Christus komt van het Griekse woord voor ‘gezalfde’: christos. ‘Messias’ komt van het Hebreeuwse woord voor ‘gezalfde’: masjiach.
1 Samuel 16,1b. 6-7. 10-13a
In deze lezing doet David – die in de stamboom aan het eind van het boek Ruth voor het eerst wordt genoemd (4:17.22) – zijn intrede in het relaas over de geschiedenis van het volk Israël: een jochie nog, die als jongste zoon uit het gezin van Isaï (Jesse), een onaanzienlijke familie van de stam Juda, de schapen van zijn familie hoedt. Deze onbeduidende jongen zal uitgroeien tot de iconische koning die het volk Israël onder zich verenigt tot één koninkrijk met Jeruzalem als centrum. En via JHWH's belofte van eeuwigdurend koningschap van zijn nageslacht (2 Sam. 7,16) zal hij de gehele bijbelse geschiedenis het discours over de identiteit van het volk Israël blijvend bepalen. De wijze waarop David wordt geïntroduceerd is wezenlijk voor zijn identiteit: hij is de koning die door JHWH zelf is uitgekozen om voor Hem tot koning te worden gezalfd (masjach). Een gebeurtenis die gezien zijn onbeduidende herkomst volstrekt niet voor de hand ligt, vanuit menselijk perspectief bezien dan.
In 1 Samuel 8-11 heeft het volk Israël op eigen verzoek, net als de omringende volkeren, voor het eerst een koning als leider gekregen. Maar dit experiment, waar Samuel geen voorstander van was, is vastgelopen. Saul die op het oog zo geschikt leek voor de job (9,1v; 10,24) bleek niet aan de hoge standaard van het koningschap te kunnen voldoen (12,14v.20v). Toen het erop aankwam, handelde hij naar eigen inzicht in plaats van de door JHWH uitgezette lijn te volgen (15,11.19.22vv). Daarmee verloor Saul zijn legitimiteit als vertegenwoordiger van JHWH, de Koning (met hoofdletter) van het volk Israël. Desalniettemin geeft JHWH het koningschap als leiderschapsmodel een nieuwe kans en stuurt nu aan op de uitvoering van het besluit dat Hij reeds eerder door Samuel aan Saul heeft aangezegd: ‘Hierbij scheurt de heer het koningschap over Israël van u los en geeft Hij het aan iemand anders, die waardiger is dan u’ (15,28).
Samuel stond niet te springen om te doen wat JHWH hem vraagt. Hij is zelf nog niet over de deceptie van Sauls debacle heen en bang voor wat Saul – als zittend koning – zal doen. De opdracht die JHWH geeft, heeft alles in zich van een loyaliteitsconflict. Samuel voelde zich eerst door het volk zelf aan de kant geschoven (8,7v), maar heeft uit gehoorzaamheid aan JHWH Saul – tegen zijn eigen zin – toch tot koning gezalfd. Hij is nu Saul als door God gezalfde koning ook loyaliteit verschuldigd. JHWH reageert pragmatisch op de primaire reactie van Samuel door hem een concreet plan te presenteren. Samuel gaat niet in discussie, maar voert exact uit wat JHWH hem gezegd heeft: opnieuw toont hij dat zijn loyaliteit aan JHWH zijn hoogste prioriteit heeft. In zijn handelen weerspiegelt Samuel wat van een koning van JHWH's volk wordt gevraagd en wat Saul heeft verzaakt: niet mijn, maar Uw wil geschiedde.
Bij de eerste aanblik van Isaï’s oudste zoon, denkt Samuel – door zijn tijdgenoten beschouwd als ziener (9,9) – te weten dat deze zoon degene is die JHWH voor ogen heeft. Maar dat blijkt een vergissing! JHWH heeft hem verworpen. Het menselijke beoordelingsvermogen staat ter discussie. ’Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de heer kijkt naar het hart.’ Het hart gold in het Oude Testament als zetel van het verstand en de wil. Samuel rest niet anders dan zich te verlaten op wat JHWH ziet in de jongemannen die Samuel één voor één onder ogen worden gebracht. Zeven in totaal – niet zomaar een aantal, maar het getal dat in de Bijbel vaak symbool staat voor ‘volheid’. Dan valt een stilte in de tekst.
Daar staat Samuel: het palet aan keuzemogelijkheden is compleet, maar JHWH heeft geen van hen allen uitgekozen. Hoe valt de situatie te rijmen met JHWH's woord dat Hij onder Isaï’s zonen een koning heeft gezien? In de stilte komt Samuel tot onderscheiding, wat blijkt wanneer hij het woord herneemt en daarbij zijn vooronderstelling ter discussie stelt: ‘Zijn de jongens compleet?’ (letterlijke vertaling). Samuel neemt de lering over de beperktheid van het waarneembare, dat JHWH hem zojuist heeft aangereikt, ter harte en blijft vertrouwen op dat wat JHWH heeft gezegd. Vanuit dat vertrouwen ziet hij meer, kijkt hij voorbij de situatie zoals deze voorligt. Als David dan arriveert en ook hij blijkt schoon van uiterlijk, schort Samuel zijn oordeel op. Hij laat het spreken aan JHWH (vgl. v. 6). Samuel zalft David die daarmee de geest van JHWH ontvangt.
Psalm 23 (22),1-3a.3b-4.5. 6
Door de situering van Psalm 23 in de liturgie, vormt de psalm als het ware een antwoord van David op de zalving door Samuel. David erkent het leiderschap van JHWH als degene aan wie hij zijn zegeningen in het leven heeft te danken en spreekt zijn vertrouwen in JHWH uit.
Johannes 9,1-41
Het Johannesevangelie is geschreven rond het eind van de eerste eeuw van de jaartelling, een tijd waarin het jodendom een grote crisis doormaakte na de verwoesting van Jeruzalem én de tempel door de Romeinen. De spanning tussen de joodse gemeenschappen en de joods-christelijke gemeenschappen nam toe. Deze context is zichtbaar in de dynamiek van de tekstlezing van vandaag, waarin deze spanningen zijn terug geprojecteerd.
De tekstlezing beslaat heel hoofdstuk 9 en kan in drie episodes ingedeeld worden:
9,1-7 Genezingsverhaal
9,8-34 Onderzoek naar de duiding van de genezing
9,35-41 Jezus reactie op de ontwikkelingen
Het genezingsverhaal beschrijft hoe Jezus een man die blindgeboren was geneest. De beschrijving van zijn handelen is gedetailleerd: Hij maakt een mengsel met spuug – in de late Oudheid bekend om zijn therapeutische kracht bij de behandeling van oogziekten – en zalft (epichrismoo) daarmee de ogen van de blinde man en zegt ‘ga en was u!’ De combinatie van ‘materie’, ‘handeling’ en ‘woord’ door Jezus gebruikt om de genezing te verrichten – door de farizeeën als ‘teken’ (9,16) bestempeld –, wordt in de vroege kerk constitutief voor de liturgische vormgeving van sacramenten, zoals dat van de doop, waarin water (materie), onderdompeling (handeling) en doopformule (woord) de constitutieve elementen zijn.
De genezing van de man roept grote vragen op bij de mensen in de directe omgeving en zij wenden zich voor verheldering tot de farizeeën. In de dynamiek van het onderzoek dat daarop wordt ingesteld, draait het om identiteit: Is de genezen man wie hij zegt dat hij is? En wat zegt het genezende handelen van Jezus over wie Hij nu eigenlijk is. Het vaststellen van de identiteit van de genezen man is niet alleen bepalend voor de vraag of er werkelijk sprake was van een genezende handeling, maar ook voor de duiding van de betekenis daarvan. Het gaat om de onvoorstelbaarheid van de genezing van een blindgeboren mens. Zo’n groot wonder is alleen voorstelbaar als dit verricht is door iemand van Godswege. Dit is precies wat Jezus’ claimt, namelijk dat zijn herkomst ligt bij jhwh en dat Hij door Hem is gezonden (8.14.16.18.29.42), maar wat met klem miskend wordt door deze farizeeën. Zij voeren nu als argument aan dat Jezus heeft gezondigd: Hij heeft de Wet van Mozes overtreden door iets te maken op Sabbat – namelijk het aarde-water mengsel, waarmee Hij het verbod op werken met voeten heeft getreden. En in-zonde-zijn staat haaks op in-relatie-zijn met God. De theologische argumenten over de betekenis van de genezing voor de identiteit van Jezus staan op gespannen voet met elkaar. In een poging dit spanningsveld op te lossen wenden joodse ondervragers zich opnieuw tot de genezen man: ‘Of Hij een zondaar is weet ik niet,’ zei hij, ‘maar één ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien’ (v. 25). Dan laat hij de feiten voor zich spreken en komt tot inzicht: hij formuleert een theologisch tegenargument dat het argument van de farizeeën weerlegt: Alleen God kan zoiets groots als deze genezing bewerkstelligen. God luistert niet naar zondaars. Dat Jezus dit bewerkstelligd heeft, betekent dus dat God naar Hem heeft geluisterd. Jezus kan dus geen zondaar zijn (vv. 31-33). De genezen man windt er dan ook geen doekjes meer om. De farizeeën/joden rest geen andere optie dan hun gezag op een andere manier te laten gelden: ze brengen de getuigenis van de genezen man in diskrediet door terug te grijpen op de toenmalige breed gedragen overtuiging dat ziekte het gevolg is van zonde, een straf van Godswege (v. 34). De genezen man is zelf een zondaar en daarmee geen geloofwaardige getuige. Hij wordt buitengezet.
In de laatste episode van het verhaal zoekt Jezus de genezen man opnieuw op. De man kan Jezus voor het eerst daadwerkelijk zien: de mens die hem van zijn blindheid heeft genezen, over wie hij getuigd heeft dat Hij Jezus heet (v. 11), een profeet is (v. 17) en van God komt (v. 33). Wat dat laatste echter ten volle betekent, leert de man pas nu hij oog in oog staat met Jezus die hem aangaande de Mensenzoon zegt: ‘U kijkt naar Hem en u spreekt met Hem’
(v. 37). Vanaf het moment dat de blinde man door Jezus is gezien, heeft hij stapsgewijs een geloofsweg afgelegd die eindigt met het inzicht en de belijdenis dat Jezus de langverwachte Mensenzoon is (v. 38).
In deze tekstlezing draait alles om het ‘kunnen zien’. In de Griekse brontekst wordt dertien keer het werkwoord ‘kijken’ in de zin van het zintuigelijk waarnemen (blepoo) gebruikt, qua betekenis tegengesteld aan ‘blind’ (tuflos). Twee keer echter wordt het werkwoord ‘zien’ in de betekenis van ‘gewaarworden’, ‘onderscheiden’, ‘inzien’ (oraoo) gebruikt. De eerste keer, wanneer Jezus in het voorbijgaan de blindgeboren man ziet (v. 1) voor wie hij is, terwijl de leerlingen alleen oog hebben voor zijn blindheid. De tweede keer als Jezus tegen de genezen man zegt: ‘u ziet Hem en u spreekt met Hem’ (v. 37), het moment waarop de man daadwerkelijk inziet wie Jezus is. Maar ‘kunnen zien,’ is nog niet hetzelfde als ‘willen zien.’ Jezus’ oordeel over wie Hem wel heeft kunnen zien, maar Hem niet heeft willen zien – niet erkent wie Hij is – is hard: ‘uw zonde blijft!’ (v. 41).
Efeziërs 5,8-14
In de brief aan de Efeziërs maakt Paulus – net als Johannes – gebruik van de beeldspraak licht versus donker: christenen versus heidenen met elk een eigen levenswandel. Wie belijdt dat Christus het licht voor de wereld is, wordt gemaand daarnaar te leven. Dit betekent de taal van dankbaarheid spreken (v. 4), die dingen doen die goedheid, gerechtigheid en waarheid voortbrengen (v. 9) en telkens weer proberen te onderscheiden wat in de ogen van Christus het juiste is om te doen (v. 10). Want christenen kunnen, zo argumenteert Paulus, door hun levenswandel zelf licht in de duisternis om hen heen brengen en daarmee bewerkstelligen dat wat uit het duister aan het licht komt, ook licht wordt (vv. 13-14). Een transformatie die zij zelf ook hebben doorgemaakt: ‘Eens was u duisternis, maar nu bent u licht’ (v. 8).
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53
Literatuur
Dietrich, Walter. Samuel. BKAT 8/2. Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Theologie, 2015.
Dietzfelbringer, Christian. Das Evangelium nach Johannes, vol. 1. 2e ed. ZB. Zürich: Theologischer Verlag Zürich, 2004.
Goodfriend, Elaine. ‘Seven, the Biblical Number’ TheTorah.com (2021). https://thetorah.com/article/seven-the-biblical-number, geraadpleegd 18 oktober 2025.
Lincoln, Andrew T. Ephesians. WBC 42. Dallas: Word Books, 1990.
Stoebe, Hans Joachim. Das erste Buch Samuelis. KAT 8. Gütersloher: Gütersloher Verlaghaus Gerd Mohn, 1973.
Zumstein, Jean. Das Johannesevangelium, vol. 2. KEK. Göttingen: Vandenhoek & Ruprecht, 2016.
Preekvoorbeeld
Zien en zien. Dat zijn de kernwoorden deze zondag, zondag Laetare, de vreugdezondag in de Veertig dagen. Het donkere paars van de voorbereidingstijd licht op, het wit van het feest, van Pasen schijnt alvast vooruit.
Hij kan niet zien, die jongen, zoals hij altijd is genoemd: de blinde jongeling - maar ja, is het wel een jongen? Zijn ouders leven nog, zo blijkt later, maar verder... Johannes heeft het over een ‘mens, een man.’ Hoe dan ook: hij ziet van jongs af aan niet, blindgeboren.
In het voorbijgaan, zo vertelt Johannes, ziet Jezus deze jongen. Terloops zo lijkt de evangelist het te zeggen, toevallig kwam Jezus langs, zoals je iemand in de supermarkt tegen het lijf loopt. Maar nee, niet dat terloopse, maar het voorbijgaan in de zin zoals in het Oude Testament de Heer zelf voorbijgaat, zoals Hij in de nacht van de bevrijding uit Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijging en hen verloste. Zo ziet Jezus in het voorbij gaan de mens.
Ook de leerlingen zien hem en de eerste vraag die ze stellen is: wie is daar nou schuldig aan, dat hij niet kan zien? Hijzelf of zijn ouders... wie is de schuldige, wie is de zondaar? Het zal je maar gevraagd worden. Maar toch is die vraag van de leerlingen niet zo heel gek. In dat boeiende verhaal over Job, in het Oude Testament suggereren de vrienden van Job het ook steeds: ja beste man, je was zo rijk en nou zit je op de mesthoop – het kan toch niet anders, er moet iets misgegaan zijn in die verhouding tussen jou en God, want anders is er wat er met jou gebeurd is toch niet te verklaren. Maar Job, Job houdt vast: het is níet zo, ik bén een rechtvaardige.
Maar ook vandaag is die vraag niet helemaal vreemd, ‘waaraan heb ik dat nou verdiend?’ is een vraag die je bij iemand die ernstig ziek wordt nogal eens hoort. Nog afgezien van allerlei verbanden die aanhangers van complottheorieën weten te leggen.
Jezus breekt met die wetmatigheid. Hij niet en z’n ouders ook niet. Voor onschuldig lijden is geen verklaring, ziekte, lijden, en gebrek zijn niet toe te schrijven aan de schuld van een paar enkelingen – soms, ja vaak is er geen verklaring te vinden hoe lastig dat ook te aanvaarden is – maar hier in het evangelie wordt het op deze blinde toegespitst: ‘opdat het werk van God in hem openbaar wordt!’
En hoe! Jezus spuugt op de grond, maakt met z’n spuug wat modder en smeert die op de ogen van de man en zegt hem: ga u wassen in het badhuis, het bronnenbad van Siloam. De man wast zich en hij komt terug en hij kan zien. Het water stroomt en hij ziet. Het doet je denken aan de doop: door het water heen, door het doodswater heen naar het nieuwe leven, door het doodse van de blindheid naar het licht dat over ons opgaat. Johannes gebruikt, we weten het, woorden met vaak met meerdere, diepere lagen – en zo ook hier: met de blindheid van deze man is meer of zelfs iets anders bedoeld dan alleen dat hij iets aan z’n ogen had – deze blinde is een beeld van, staat voor de mens, ja zelfs voor het volk dat geen licht ziet en in duisternis wandelt. En met het opnieuw kunnen zien duidt Johannes op meer dan dat hij weer in staat is om de mensen en de dingen om hem heen waar te nemen – als hij na het wassen in Siloam kan zien, dan ziet hij de messiaanse toekomst.
Zien, meer dan waarnemen. We horen het ook in de oudtestamentische lezing van vandaag, dat prachtige verhaal van de zalving van David. Dat begint ermee dat de profeet, Samuël op weg gestuurd wordt naar Isaï in Betlehem, want ‘ik heb bij zijn zonen voor mij een koning gezien.’ Een nieuwe moet er komen, het experiment met de eerste koning, Saul, is op een grote mislukking uitgelopen – en eigenlijk wil Samuël helemaal geen koning, immers God zelf is koning, maar toch wordt hij erop uitgestuurd, de Heer heeft een koning gezien. En daar worden ze aan hem voorgesteld, de zeven zonen van Isaï, eerste de oudste, maar de Heer zegt tot Samuël, nee, hij is het niet, verkijk je niet op zijn aanzien – het gaat niet om wat de mens ziet... niet hij, en ook niet de andere zes; zeven zonen passeren de revue, zeven, het getal van de volheid. Dit moet het zijn, zoals de scheppingsweek zeven dagen heeft. Meer is er niet, zo lijkt het toch. Tot blijkt dat er een achtste is, niet eens genood aan de offermaaltijd, achtergebleven bij de schapen – hij komt, is rossig, mooi van ogen en goed om te zien. En juist deze, waar niet mee gerekend was, die niet gezien werd, wordt gezalfd, omdat de Heer hem gezien had, deze met de naam David, die een messiaanse koning blijkt; uit zijn huis zal in Betlehem geboren worden die de Christus, de gezalfde is.
Hij die in het voorbijgaan de blinde zag. Hij, die het leven van die blinde nieuw maakte, maar die daarvoor door de farizeeën wordt aangeklaagd, want het was op de sabbat – dan breek je de wet van Mozes. De farizeeën roepen de man ter verantwoording. Maar de genezen blinde houdt het vol: die mij genezen heeft, die mij heeft zien staan en mij doen zien, moet iemand zijn die van God komt – en zij wierpen hem uit. Een banneling wordt hij, hij, in wie het licht van Gods toekomst gestalte krijgt, wordt een paria. Hij aan wie het gegeven werd om te zien, om te zien met andere ogen, om Gods toekomst te zien, wordt terzijde geschoven – zoals het, we weten het, toegaat op Goede Vrijdag, en daarmee op Pasen. Toegaat met het totaal opzijzetten van Hem die in het voorbijgaan ziet en daarmee toekomst geeft.
In zijn licht mogen wij leven, mogen we, steeds opnieuw leren te zien met andere ogen, deze wereld met alle vragen en zorgen, met alle politieke ellende en machtsaanspraken, ook te zien in het licht van dat Koninkrijk – en daarvan een teken zijn, tegen wat mensen blind maakt in.
inleiding M.F. Vroege-Crijns BA
preekvoorbeeld ds. Nico Pronk
22 maart 2026
Vijfde zondag van de Veertigdagentijd
Lezingen: Ez. 37,12-14; Ps. 130; Rom. 8,8-11; Joh. 11,1(3-7.17.20-27.33b-)-45 (A-jaar)
Inleiding
Ezechiël 37,12-14
De eerste lezing bevat de laatste verzen van de zogenaamde ‘dorre-beenderen-profetie’ in Ezechiël 37,1-14. Ezechiël, als profeet van de terugkeer uit de ballingschap, ziet het herstel van Israël. Hij wordt door de hand van de Heer in een dal vol dorre beenderen geplaatst. Veldslagen vonden in het oude Nabije Oosten vanzelfsprekend niet in de bergen plaats, maar in een vlakte of dal. Als in een vlakte, na de oorlogshandelingen, mensenbotten liggen dan gaat het om gesneuvelden, en wel om gesneuvelden die geen begrafenis hebben gekregen. De Heer vraagt aan de profeet of deze dorre botten nog tot leven zouden kunnen komen. Het klinkt als een retorische vraag, die alleen met neen te beantwoorden is. Maar dat doet de profeet niet. Hij laat het antwoord open: ‘Dat weet gij alleen’ (v. 4).
De profeet krijgt te profeteren tot de beenderen (vv. 4-7). Deze voegen zich daarop aaneen, met pezen, spieren en huid. Maar ze leven nog niet. Daartoe moet de profeet ook nog profeteren tot de levensgeest (vv. 8-10). En nu komen ze echt tot leven.
In vers 11 geeft de Heer aan de profeet uitleg: die dorre botten waren het volk Israël. Nu krijgt de profeet in de verzen 12-14 expliciet de opdracht om tot het volk te profeteren dat de Heer hen weer levend maakt.
Een verschuiving treedt daarbij op van de vallei der dorre beenderen naar de graven (v. 13). Het gaat niet alleen om de onbegraven gesneuvelden van het volk, maar om hen allen, in welk graf ze ook liggen.
Romeinen 8,8-11
De tweede lezing sluit aan op de profetie van Ezechiël door de Geest die levend maakt centraal te stellen. ‘Vlees’ staat in de Bijbel voor fragiliteit en sterfelijkheid. Hiertegenover staat de ‘Geest’ die levend maakt, zelfs over de dood heen.
Het bewijs daarvan is te zien in Christus Jezus die door de Geest van de doden is opgewekt. Zoals Jezus levend gemaakt is voorbij aan de dood, zo is ook het bestaan van de gelovige. Je lichaam blijft nog wel de dood gewijd, maar je geest leeft reeds en je sterfelijk lichaam zal met Christus Jezus eenmaal levend worden.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Johannes 11,1(3-7.17.20-27.33b-) -45
Het elfde hoofdstuk van het Johannesevangelie bevat het beroemde verhaal van Lazarus, de vriend van Jezus, die gestorven is en door Jezus uit de doden wordt opgewekt. Het verhaal kenmerkt zich door een reeks scènes van (mis)communicaties met Jezus. Op basis daarvan kan de volgende structuur worden vastgesteld:
scène 1 verzen 1-16 miscommunicatie tussen Jezus en zijn leerlingen
scène 2 verzen 17-27 miscommunicatie tussen Jezus en Marta
scène 3 verzen 28-32 miscommunicatie tussen Jezus en Maria
scène 4 verzen 33-37 miscommunicatie tussen Jezus en de joden
scène 5 verzen 38-40 miscommunicatie tussen Jezus en Marta
scène 6 verzen 41-42 communicatie tussen Jezus en God
scène 7 verzen 43-45 communicatie tussen Jezus en Lazarus
In scène 1 staan de miscommunicaties tussen Jezus en zijn leerlingen centraal. Wanneer Jezus de boodschap krijgt van Lazarus’ zussen, zegt Hij weliswaar dat de ziekte van Lazarus niet tot de dood zal leiden, doch tot verheerlijking van God in de Zoon, maar vervolgens wacht Jezus twee dagen. De eerste miscommunicatie rond Jezus is daarmee geboren: waarom gaat Hij niet meteen? Misschien is Hij dan nog op tijd om de zieke Lazarus beter te maken. De ziekte mag dan in Jezus’ woorden niet tot de dood leiden, maar ondertussen is Lazarus wel gestorven. Wanneer Jezus dan eindelijk naar Judea wil gaan, verzetten zijn leerlingen zich daartegen. Judea is het gebied waar men nog onlangs probeerde Jezus te stenigen (10,31). Vertrekken naar Judea klinkt als gaan naar het land van de dood.
Jezus probeert zijn leerlingen daarom uit te leggen dat er een concreet doel is: de slapende Lazarus. Maar van dat doel begrijpen de leerlingen evenmin iets. Wie slaapt, wordt immers beter – dus is de reis naar Judea niet nodig. Jezus moet hen ronduit zeggen wat er aan de hand is: Lazarus is gestorven. Gestorven blijkbaar aan een ziekte die niet leidt tot de dood… (v.4). De leerlingen geven zich maar gewonnen en gaan met Hem mee, maar niet voor Gods heerlijkheid, niet voor het leven, maar om met Hem te sterven. Dat klinkt misschien mooi, maar als het later, binnen twee weken, in het evangelie daar echt op aankomt, zullen al die leerlingen met hun mooie woorden niet thuis geven…
In scène 2 gaat het om het contact tussen Jezus en Marta, de zus van Lazarus. Deze communicatie begint met een verwijt vanwege Marta aan Jezus dat haar broer niet gestorven zou zijn, als Hij aanwezig geweest was. Maar aan dit verwijt voegt zij de belijdenis toe dat zij gelooft dat God Jezus alles waar Hij om vraagt, zal geven. Daarop ontspint zich een gesprek over de opstanding. Deze, zo geeft Jezus aan, is in Hem reeds grijpbaar.
In scène 3 staan Jezus en Maria, de andere zus van Lazarus, centraal. Ook Maria formuleert eenzelfde verwijt als Marta deed. Door haar tranen heen lijkt het wel of ze Jezus niet eens goed meer kan verstaan. Als Hij naar het graf informeert, zijn het de omstanders die Jezus er heen brengen.
De omstanders en Jezus vormen scène 4. Van de ene kant zien zij de droefenis van Jezus, maar van de andere kant morren ze over Hem: als Hij een blindgeborene kan laten zien (hoofdstuk 9), dan had Hij toch ook deze zieke kunnen redden?
In scène 5 gaat het om Jezus en opnieuw Marta. Zij is, ondanks haar eerdere formuleringen van geloofsbelijdenis, niet bereid gehoor te geven aan Jezus’ verzoek de steen van het rotsgraf weg te nemen. Lazarus ligt al vier dagen dood in het graf en riekt dus al. Het zijn de omstanders die de steen wegrollen.
Het lijkt wel of er niemand gehoor geeft als Jezus iets zegt of vraagt, of elke communicatie miscommunicatie teweegbrengt. Maar scène 6 en 7 vormen daar de uitzondering op. In scène 6 communiceert Jezus met zijn Vader. De tekst vermeldt Jezus’ dankgebed voor de verhoring. De vraagbede gaat daarachter in zijn geheel schuil.
In scène 7 geeft Hij Lazarus de opdracht: ‘kom naar buiten’. En Lazarus, de dode, geeft, als enige van alle mensen rondom Jezus, direct en zonder morren, gehoor aan Jezus’ woorden. Scène 7 eindigt met nog twee verzoeken van Jezus: ‘maakt hem los’ en: ‘laat hem gaan’. Maar of iemand hieraan gevolg geeft, daarover wordt door de evangelist niets verteld.
Met deze zevende scène eindigt de evangelielezing, maar het verhaal kent met de verzen 46-57 nog een achtste scène. Het Johannesevangelie is een keten van oneerlijke rechtsprocessen, culminerend in het schijnproces waarin Jezus ter kruisigingsdood veroordeeld wordt. Het proces tegen de blindgeborene in hoofdstuk 9 verschuift van lieverlee naar een proces tegen Jezus. En ook Lazarus zal daar en passant slachtoffer van worden (12,10).
Preekvoorbeeld
Jezus had een goede vriend: Lazarus. Hij woonde in Betanië samen met zijn twee zussen, Marta en Maria. Met hen zal Jezus heel wat successen hebben gedeeld en ook veel teleurstellingen.
Dan wordt Lazarus ziek. Hij gaat snel achteruit. De zusjes laten het aan Jezus weten. Maar wie verwacht dat Jezus nu spoorslags naar zijn vriend vertrekt, komt bedrogen uit. Jezus doet even helemaal niets. Op het eerste gehoor lijkt Hij een soort cliché te gebruiken: ‘De ziekte is niet dodelijk.’ Klinkt als: ‘Komt wel goed!’
Eerder had een volkswoede Jezus met steniging bedreigd; hield dat Hem nu tegen? Zou die woede dan na twee dagen alweer over zijn? Vervolgens merkt Jezus op dat je ’s nachts kunt struikelen. Waar slaat dat op? Hebben we iets gemist? Een zinnetje in het verhaal misschien? Had iemand voorgesteld om ’s nachts te reizen en stiekem Betanië te naderen? Je kunt het gevaar maar beter onder ogen zien, wil Hij misschien zeggen. Of is ‘wandelen overdag’ een zinnebeeld van gaan in ‘licht en leven’ en het tegendeel van ‘leven in nachtelijk donker en dood’?
Enfin, met enige vertraging gaat Jezus op bezoek. En ja, Hij komt veel te laat. Zijn beste vriend is al een paar dagen geleden begraven, en de zusjes kijken Hem verwijtend aan.
Het uitgestelde ziekenbezoek functioneert als een versterking van Jezus’ heilzame nabijheid. Een dode laten delen in het leven is spectaculairder dan een zieke!
De evangelist Johannes behandelt in verhaalvorm zijn theologische visie op leven en dood. Hij bereidt de lezer voor op de dood van Jezus, die aanstaande is. Maar het uitgestelde ziekenbezoek van Jezus zal menig lezer ook om een heel andere reden aanspreken. Mij tenminste wel!
Jaren geleden lag mijn zus op sterven. Ik vroeg haar eens of ze nog iets gehoord had van haar collega’s. ‘Ja, van sommige wel, en van andere niet,’ zei ze. ‘Sommigen zijn bang om langs te komen,’ legde ze uit. ‘Ik hoor dat al aan hun stem. Ze bellen op om te vragen hoe het gaat. Door de telefoon zeg je al gauw dat het goed gaat. Vervolgens verzekeren ze je dat ze spoedig langs zullen komen. ‘Volgende week komen we,’ citeerde mijn zus een beetje schamper. ‘En zeggen ze daar snel achteraan: eind volgende week, dán komen we!’ Berustend besloot ze: ‘Degenen die eind volgende week komen, die komen nooit.’
Wie een ernstig zieke opzoekt, moet vaak een hoge drempel over. Dat is herkenbaar, al vermoed ik dat Jezus’ omgang met zieken alle drempels wel zal hebben gesloopt!
Maar er is nog iets anders dat me als gelovige heel erg aanspreekt. In alle tijden hebben gelovige mensen bij grote rampen het gevoel gehad dat de lieve God enigszins onverschillig was voor hun lot. Er overkomt ons iets verschrikkelijks en God is nergens. Lazarus gaat dood, de zusjes zijn wanhopig, en Jezus komt niet. De wereld vergaat, steden worden gebombardeerd, onschuldige kinderen worden doodgereden, en God zwijgt.
Als gelovige voel ik mij op de vingers getikt. De teleurstelling over Gods schijnbare ongeïnteresseerdheid is immers een gevolg van mijn eigen verwachtingen. Ik heb God namelijk een bepaalde plek gegeven in mijn leven: de plek van een soort levensverzekering. God moest me een veilig gevoel geven. Hij moest de angst verdringen dat ik in de kille duisternis leef van een zinloos toeval. Hij moest Degene zijn die me gewild heeft, die van me houdt, die de zin uitmaakt van mijn leven.
Ik ben Hem Vader gaan noemen, Moeder, Heer en Herder. Nu verwacht ik dat Hij zich laat zien en voelen als ik een slecht bericht krijg van de dokter, als ik in het hospitaal lig, als ik mijn kind zie huilen en als ik overvallen word door een depressie. Het irriteert me dat Hij zwijgt. God beantwoordt niet aan mijn verwachting.
Nu ik Hem nodig heb, nu ik me tot op mijn bot in de steek gelaten voel, nu mijn liefste medemens is heengegaan en ik het Hem toch duidelijk heb laten weten, nu is Hij er niet.
Het voelt alsof God mijn verwachtingspatroon wil corrigeren. Alsof Hij wil zeggen: Ik ben er niet als je gezelschapsdame. Ik ben er niet als je dokter, als je nieuwste medicijn. Ik ben er niet als Degene die een ramp terugdraait, die de natuurwetten openbreekt en die de ruzie tussen je kinderen beslecht.
Ik besta in jou. Ik ben diep in je pijn. Ik lijd onder het kruis dat je draagt. Zelfs de dood kan Mij niet van je losscheuren. Dus zie Mij niet als een pleister op je wonde. Zie Mij als Degene die met je verbonden blijft, ook als je gewond bent, ook als je in het graf ligt. Je kunt niet buiten Mij vallen. Ik ga met je mee de dood in. In Mij blijf je leven.
inleiding prof. dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld Harrie Brouwers
29 maart 2026
Palm-of Passiezondag
Lezingen: Mat. 21,1-11; Jes. 50,4-7; Ps. 22; Fil. 2,6-11; Mat. 26,14(27,11-54)-27,66 (A-jaar)
Inleiding
Matteüs 21,1-11; 26,14(27,11-54)-27,66
De ietwat wonderlijke montage van verschillende fragmenten uit het lijdensverhaal van Matteüs heeft tot doel het thema van Palmzondag met dat van het lijdensverhaal te verbinden. Dat is niet zonder risico: het is zonneklaar dat de menigte Jezus als Messias (= zoon van David) binnenhaalt. Dat een dergelijke manifestatie explosief kan zijn in het oog van de Romeinse bezetter behoeft geen betoog. Vooral rond Pasen was het besef levend dat de farao in de gedaante van de Romeinse keizer rondwaarde en dat bevrijding: van duisternis naar het licht van de bevrijding, geboden was. Overigens suggereert het liturgisch leesrooster een opeenvolging van de intocht in Jeruzalem en het lijdensverhaal, maar het evangelie kan heel goed twee ver uit elkaar liggende gebeurtenissen hebben willen aanduiden. Jezus onthield zich van provocaties, maar dat geldt wellicht niet voor al zijn leerlingen, terwijl de kruisdood van Jezus toch wel een poging van de Romeinen was, hierbij geadviseerd door de joodse leiders van de tempel (niet de farizeeën), om de onrust van de menigte in te dammen.
Matteüs schreef echter decennia later en projecteerde de groeiende verwijdering tussen synagoge en de eerste (joodse) christenen terug op de beschrijving van het lijdensverhaal, inclusief de betrokkenheid van farizeeën, die historisch gezien juist dicht bij Jezus stonden. Vandaar bij Matteüs de beruchte zin: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’ (27,25), een massieve beschuldiging van heel het volk! Dat staat wel haaks op de intocht in Jeruzalem en ook op terloopse zinnetjes zoals: ‘vele vrouwen keken op een afstand toe. Ze waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zorgen’ (27,55), en ook, na de parabel van de misdadige wijnbouwers die wel ten onrechte als substitutie van Israël door de kerk wordt uitgelegd: ‘Ze (de leiders) vreesden het volk want dat beschouwde Jezus als een profeet’ (21,46, vgl. 21,11). Het volk stond dus in grote getale achter Jezus.
Typerend voor Matteüs zijn de talrijke ‘bewijsplaatsen’ uit de Hebreeuwse Bijbel (of Septuagint); zo ook het citaat uit de profeet Zacharia 9,9 waaruit blijkt dat het rijden op een ezel teken van de Messias is. Dat het parallellisme bij Zacharia slechts één ezel bedoelde (vgl. ook Mar. 11,2), terwijl Matteüs er twee heeft begrepen, is verder van weinig belang. Belangrijker is de symboliek van de ezel, die in tegenstelling tot het rijden op een paard, voor eenvoud staat. De berijder, de Messias is dan ook zachtmoedig, een koningschap dat in alle opzichten het omgekeerde is van de machthebbers van deze wereld. We vinden datzelfde motief al vanaf het Magnificat bij Lucas tot aan Jezus voor Pilatus en dus ook hier, als kenmerk van de Messias.
Dat koningschap dat ‘niet van deze wereld is’, mag niet worden verstaan als apolitiek of als een louter spirituele zaak, maar als een weerloze overmacht die sterker is dan de macht van wapens en geld. Daarin te geloven én ernaar handelen is de opdracht van de messiaanse gemeente die kerk heet.
Zowel de uitroep: ‘Hosanna, zoon van David’, als de symboliek van de ezel en de lof van (palm)takken maken duidelijk dat de intocht in de stad Jeruzalem als messiaans moet worden beschouwd. Recente pogingen om de betekenis van Jeruzalem en Palestina voor het nieuwe Testament af te zwakken lijken niet geslaagd: Jeruzalem en de tempel, die in 70 nChr. door de Romeinen werd verwoest, maakten een nieuwe theologie van de tempel nodig voor de eerste christenen, maar in onze perikoop vinden we dat nog niet terug. Het land Palestina speelt wellicht daarom een geringe rol in de evangeliën als landbelofte, omdat Jezus en zijn leerlingen daarin feitelijk onbevangen woonden, met een gemengde bevolking, onkundig van het feit dat daarover 2000 jaar later zo fel zou worden gestreden.
Jesaja 50,4-7
In het verleden werden passages uit de Hebreeuwse Bijbel als directe profetieën, voorspellingen gezien van het optreden van Jezus. Vreemd genoeg kwam de eigen boodschap van zo’n tekst dan niet goed uit de verf, terwijl die pas dan ook zinnig op Jezus kan worden betrokken. Jesaja spreekt over profetisch onderricht aan Sion dat zich getroost zal weten en over een boodschap aan de volkeren der wereld (51,4). Particularisme en universalisme gaan dus hand in hand, zonder dat de een tegen de ander wordt uitgespeeld. In onze perikoop wordt benadrukt dat een profeet ondanks dat veel heeft te verduren: slagen op de rug, uitrukken van de baard, bespuwing. Geen wonder dat de kerk hierin een voorzegging van het lijdensverhaal heeft gezien. Maar desondanks houdt de profeet van zijn volk: dat zouden christenen moeten bedenken willen ze anti-joodse prediking vermijden, waarbij het jodendom (onhistorisch) de volledige verantwoordelijkheid voor de kruisiging van Jezus (een Romeins executiemiddel voor niet-Romeinen, slaven) krijgt toegeschoven. Indrukwekkend is hoe Jesaja God als pleitbezorger te hulp roept tegen zijn belagers: ‘Nabij is Hij die mij vrijspreekt, wie spant een rechtszaak met mij aan? …Zie de Heer staat mij bij, wie veroordeelt mij dan nog’? (50,8v). Dit is nogal verwant aan hoe Job zijn rechtsgeding voert: ‘Ik weet dat mijn Losser/Verdediger leeft!’ (Job 19,25).
Psalm 22
Psalm 22 vormt al in de evangeliën zelf het decor van het lijdensverhaal. Sommige psalmen bestaan uit twee stemmingen: agressie/ wanhoop tegenover vrede/Godsvertrouwen, waarbij de biddende mens als het ware meegenomen wordt van de eerste naar de tweede stemming. Zo ook Psalm 22. Bijzonder is de uitleg van de joodse filosoof Erich Fromm: hij betoogt dat de spil van de psalm wordt gevormd door een woord dat in veel vertalingen wordt weggelaten omdat ze er geen raad mee weten: ‘anitani = Gij hebt mij geantwoord (v. 22). De verlatenheid zowel van de moederschoot (22,10) als van vaderlijke richtlijnen (22,5) is immens: noch overgeleverde wijsheid noch geborgenheid lijken nog troost te bieden, een existentiële crisis die heden ten dage ook is aan te wijzen. Dit alles maakt plaats voor uitzicht, gemeenschap en Godsvertrouwen en wel door een onverwacht aangesproken worden, een antwoord dat alles anders maakt. Lofzang blijkt mogelijk, ja het blikveld reikt tot aan de uiteinden der aarde, zo sterk is het isolement doorbroken. Het einde van de psalm: ‘Omdat het door Hem is volbracht’ (22,32), zou zelfs doorklinken in het kruiswoord: ‘Het is volbracht’.
Geen wonder dat de synagoge, misschien wel enigszins in competitie met het vroege christendom, deze zelfde psalm heeft toegepast op Esther, bevrijder van haar volk ondanks dat ze werd belaagd door hovelingen aan het hof en met name door Haman.
Filippenzen 2,6-11
Zie: Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95
Preekvoorbeeld
Keer op keer kun je merken dat symbolen in onze maatschappij van belang zijn. Of het nu gaat om een zee van oranje vlaggetjes in bepaalde wijken bij een wereldkampioenschap voetballen, of om omgekeerde Nederlandse vlaggen op het boerenland, of het nu gaat om een roos op Valentijnsdag of om bloemen op een plek waar iemand verongelukt is, of het nu gaat om massale rode demonstraties of om demonstraties waar (gezichtsbedekkend) zwart overheerst. Deze voorbeelden maken duidelijk dat symbolen meer zijn dan een leuke versiering of aankleding, dat ze belangrijk zijn én dat er een problematische kant aan symbolen zit. Ze zijn niet altijd eenduidig of duidelijk. Als je oranje alleen maar verbindt met een stoplicht, kom je niet ver in die wijken. Rozen staan op Valentijnsdag voor iets anders dan tijdens een verkiezingsstrijd. En, nog belangrijker, ze kunnen ook misbruikt worden.
In de lezingen van vandaag komen twee symbolen voor. Het belang en het problematische van symbolen klinken in de lezingen door. Een is hét symbool geworden van ons geloof: het kruis. Het andere, de ezel, is niet zo belangrijk geworden. Maar het is goed toch even bij dat symbool stil te blijven staan, niet alleen omdat het een rol speelt in de evangelielezing voor de palmprocessie, maar ook omdat er een verband is tussen de ezel en het kruis.
Een van de oudste afbeeldingen van het kruis is een spot-grafiti waarschijnlijk uit het begin van de 3de eeuw, ingekrast op een muur van een opleidingsinstituut voor paleisbedienden. Een van die toekomstige bedienden is Alexamenos, een christen. Een medestudent maakt hem belachelijk door hem biddend af te beelden bij een kruis waarop een mens te zien is met een ezelskop. ‘Alexamenos aanbidt God’ staat erbij gekrast. Het gerucht ging dat christenen een ezelskop aanbaden. Een gerucht dat waarschijnlijk gevoed werd door verhalen over joden die een ezelskop of zelfs een ezel aanbaden. De Romeinse historicus Tacitus vertelt bijvoorbeeld het verhaal dat de joden tijdens hun tocht door de woestijn door een kudde wilde ezels naar een waterbron werden geleid en dat ze daarom een ezel vereerden. Tacitus geeft ook een oordeel over deze ‘feiten’: het gaat om het laagste van het laagste. Vereren van dieren was voor de Romeinen en Grieken al iets onbegrijpelijks, het vereren van een ezel maakte dat alleen maar erger, omdat een ezel dan ook nog een van de minste van de dieren was.
In de evangelielezing voor de palmprocessie wordt het symbool van de ezel gebruikt, maar in plaats van een belachelijk en negatief symbool is het hier een bewonderenswaardig en positief symbool. Dat wil zeggen de eigenschappen die de ezel heeft worden niet ontkend, in tegendeel het gaat om een lastdier. Maar die karakteristiek wordt anders gewaardeerd. Zachtmoedigheid wordt niet als een zwakte beschouwd, maar als een sterkte. Dat de Koning niet op een paard komt, maar op een ezel is een omkering van waarden: een echo van de Zaligsprekingen en van het Magnificat. Die omkering is niet van vanzelfsprekend en roept misverstand en spot op, zoals blijkt uit de episode in het lijdensverhaal waarin de soldaten Jezus mishandelen en uit het opschrift op het kruis. En het is de vraag of dat misverstand en spot beperkt zijn tot die tijd of dat ze eigenlijk van alle tijden is.
Die vraag dringt zich ook op bij dat andere symbool, het kruis. Het is altijd even schrikken wanneer dat symbool gebruikt wordt door rabiaat rechtse groepen in het buitenland, maar ook in ons eigen land gebeurt het. Zoals bij de bestorming van het Capitool in Washington werden namelijk ook in Den Haag bij die grote betoging voor de laatste algemene verkiezingen kruizen meegenomen. Het kruis is een ongemakkelijk symbool en al in het vroege Christendom is dat te merken. Het duurt even voordat het kruis met daarop het lichaam van Christus een breed geaccepteerde afbeelding wordt. Eerder zie je wel kruizen maar zonder corpus, gevat in een zegekrans. Ook wanneer Christus op het kruis wordt afgebeeld, wordt Hij eerder staand dan hangend afgebeeld, soms helemaal gekleed, waarbij de doornenkroon is vervangen door een gewone kroon. Die laatste manier van verbeelden kun je nog verbinden met de manier waarop het lijden en sterven van Jezus in het evangelie van Johannes wordt verteld.
Maar in het passieverhaal dat we vandaag gehoord hebben, klinkt door wat Paulus zegt over het kruis en het lijden en de dood waar het naar verwijst: aanstootgevend en dwaas (vgl. 1 Kor 1,22-25). Het kruis als symbool van het lijden en sterven van Jezus kan niet gebruikt worden voor het aanzetten tot of verdedigen van geweld. Mensen die dat wel doen, zoals bepaalde rechtsextremistische christenen, weten blijkbaar niet dat Jezus op het kruis bidt om vergeving voor degenen die Hem als onschuldige vermoordden. Een echo van een van de bedes van het Onze Vader, het gebed dat Jezus zijn leerlingen leert als het gebed bij uitstek. Mensen die het kruis wel gebruiken voor het aanzetten of verdedigen van geweld, voor het uitsluiten of vermoorden van ‘hen’, van mensen die ‘anders’ zijn, maken van dit symbool een travestie en ontkennen daarmee centrale elementen van het christelijk geloof.
Wanneer Robert Prevost zich als pas gekozen paus presenteert onder de naam Leo xiv is het eerste wat hij zegt een citaat uit het evangelie volgens Johannes: ‘Vrede zij u.’ Dat is het eerste wat de verrezen Heer zegt tot zijn leerlingen die zich uit angst opgesloten hebben. Geen verwijt over hun gedrag tijdens zijn lijden en sterven (weglopen en verraad), en al helemaal geen uiten van wraak. Integendeel. Met het eerste dat de verrezen Heer zegt, doorbreekt Hij de al te gewone spiraal van geweld en wraak. Het gebed om vergeving op het kruis, krijgt hier de positieve invulling van een herkansing. De nieuwe paus gebruikt drie woorden om de vrede verder in te kleuren: ‘een ontwapenende, nederige en volhardende vrede.’ Dat is waar het kruis voor staat. Dat moeten we helder hebben en houden.
inleiding prof. dr. Marcel Poorthuis
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof
2 april 2026
Witte Donderdag
Lezingen: Ex. 12,1-8.11-14; Ps. 116; 1 Kor. 11,23-26; Joh. 13,1-15 (A-jaar)
Inleiding
Met Witte Donderdag begint het Paastriduüm. De vieringen van Witte Donderdag, de plechtigheden van Goede Vrijdag en de Paaswake vormen nadrukkelijk een geheel. Dit wordt onder meer zichtbaar doordat de Eucharistieviering op Witte Donderdag en de plechtigheden geen slotzegen kennen. Die komt pas op het einde van de Paaswake. Alleen de Witte Donderdagviering kent aan het begin een kruisteken. Op Witte Donderdag staat het Laatste Avondmaal centraal.
Exodus 12,1-8.11-14
De eerste lezing verhaalt het joodse Pesach. Vlak voor de Uittocht geeft God instructies aan Mozes en Aäron over de maaltijd die ze moeten nuttigen. Bijzonder is dat de feitelijke maaltijd niet wordt beschreven. Daarin kunnen we zien dat de instructie niet alleen voor deze ene keer is, maar voor de jaarlijkse pesachmaaltijd. In vers 14 lezen we dat deze dag tot een gedenkdag moet worden. ‘Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.’ Het belangrijkste gerecht van de maaltijd is het mannelijke eenjarige lam. Het bloed dat bij de slacht wordt opgevangen wordt op de deurposten en de bovenbalk van de deur gestreken. God zal in een ultieme plaag de eerstgeboren mensen en dieren doden, maar voorbijgaan aan de huizen die met bloed bestreken zijn. Voorbijgaan is in het Hebreeuws pasach of pesach. In de uitdrukking ‘Pasen voor de Heer’ staat in het Hebreeuws pesach: het voorbijtrekken van de Heer. Naast het lam worden er ongezuurde (zonder gist of zuurdesem bereid) broden en bittere kruiden gegeten. Het ongezuurde duidt op een nieuw begin: er wordt geen zuurdesem gebruikt (een deel van het deeg dat achtergehouden wordt om voor de volgende keer te gebruiken waardoor het nieuwe deeg gaat rijzen), maar slechts meel en water. De bittere kruiden duiden op het lijden van het volk in Egypte.
1 Korintiërs 11,23-26
Het Laatste Avondmaal was in de eerste plaats een joodse pesachmaaltijd. Jezus viert de bevrijding uit de slavernij van Egypte en daarmee gedenkt Hij God die door de heilsgeschiedenis heen steeds weer redding brengt. Paulus geeft nauwelijks inzicht in de verkondiging of het optreden van Jezus in zijn aardse leven. Hij concentreert zich op het lijden (het kruis) en verrijzen van Christus. Uitzondering hierop is de beschrijving van het Laatste Avondmaal. Ook de evangelisten Marcus, Matteüs en Lucas beschrijven het Laatste Avondmaal met brood en wijn. Johannes legt alle nadruk op wat er voor de maaltijd gebeurt, zoals we zo zullen zien.
De context bij Paulus is zijn reactie op berichten dat het er bij de ‘maaltijd van de Heer’ niet netjes aan toegaat. Men nuttigt meegenomen etenswaren en drank zodat sommigen hongerlijden terwijl anderen dronken worden (1 Kor. 11,17-22). Paulus beschrijft vervolgens hoe Jezus zelf het Laatste Avondmaal vierde. Of liever hij concentreert zich uitsluitend op de bijzondere betekenis die Jezus geeft aan brood en beker. Hij vermeldt daarbij niet dat het om het paasmaal gaat zoals de genoemde evangelisten wel doen. Paulus beroept zich op een overlevering van de Heer. Waarschijnlijk moeten we dit duiden op de wijze waarop Paulus de praktijk van het herhalen van het Laatste Avondmaal aantrof in de gemeentes die hij bezocht en die teruggingen op Jezus zelf: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis’ (1 Kor. 11,24).
Paulus schrijft zijn brief in het begin van de jaren 50 van de eerste eeuw. Dus al 15 jaar na Pasen is het vieren van het Laatste Avondmaal een vanzelfsprekendheid. De ervaring van het Laatste Avondmaal met Jezus is voor de apostelen blijkbaar zo sterk geweest dat het al snel na Pasen tot een blijvende praktijk werd. Paulus zet de toon door aan te geven dat de maaltijd plaatsvindt ‘in de nacht waarin Hij werd overgeleverd’ (10,23). De arrestatie en kruisdood kleurt de maaltijd als het ware in.
Jezus dankt en breekt. Het danken – in het Grieks eucharistein – duidt het diepe besef aan dat we het brood, het voedsel, en in het verlengde al wat we hebben uit Gods hand ontvangen. Hem komt de dank toe. Het breken is een gebaar dat vanzelfsprekend is bij grote broden. Zo doet Jezus ook bij de zogenaamde wonderbare spijziging (zie bijv. Mar. 6,41). Daaronder is het ook een verwijzing naar Jezus zelf die in lijden en sterven gebroken wordt. Dit wordt versterkt door de woorden: ‘Dit is mijn lichaam voor u’ (1 Kor. 11,24). Het brood wordt lichaam en omgekeerd kunnen we ook zeggen dat zijn lichaam brood wordt.
Hoewel lichaam bij Paulus vaak tegenover geest wordt gesteld, gaat het in deze context over lichaam als levend lichaam en dan in de betekenis van persoon. In het teken van het brood stelt Jezus zijn persoon present. Bij de beker wordt de inhoud – de wijn – als vanzelfsprekend gezien. Bij de pesachmaaltijd gaat de beker met wijn immers rond. Bloed staat in deze context voor het levensprincipe (zie Gen. 9,5). Brood en wijn, lichaam en bloed staan dan voor Christus’ hele leven en persoon.
De formulering ‘Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed’ treffen we ook bij Lucas aan (22,20), bij Marcus en Matteüs zegt Jezus ‘dit is mijn Bloed van het verbond’ (Mar. 14,24 en Mat. 26,28). Beide formuleringen verwijzen naar de verbondssluiting bij de berg Sinai, waarbij Mozes bloed sprenkelt over het volk en zegt: ‘Dit is het bloed van het verbond dat de heer (..) met u sluit.’ (Ex. 24,8). De aanstaande kruisdood wordt als een verbondssluiting gezien en omdat de woorden hiernaar terugwijzen, is iedere eucharistische maaltijd een gedachtenis aan dit nieuwe verbond.
Overigens is nieuw hier niet te lezen alsof daarmee het vorige verbond heeft afgedaan. Nieuw wil hier zeggen vernieuwd of hernieuwde bekrachtiging van het verbond van God met het volk. Met het eten en drinken, zo getuigt Paulus, ‘verkondigen we de dood des Heren totdat Hij wederkomt’ (1 Kor. 11,26). Met de dood is hier ook de opstanding bedoeld. Het gaat over de verlossing in Christus door diens lijden, sterven en verrijzen.
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56
Johannes 13,1-15
Bij Johannes wordt er nauwelijks gegeten bij het Laatste Avondmaal. Vreemd genoeg krijgt alleen Judas ten teken van zijn verraad een stuk brood aangereikt (Joh. 13,26). Wel heeft Johannes al een heel hoofdstuk besteed aan het eten en drinken als uitloop van de wonderbare spijziging (Joh. 6). Daar spreekt Jezus al wel over het eten van zijn vlees en drinken van zijn bloed. In de liturgie van de kerk valt alle nadruk op de voorbereidingen van het Laatste Avondmaal en wel op het wassen van de voeten van de leerlingen. Het is de typisch Johanneïsche Jezus die boven het aardse gewoel lijkt te staan, weet wat er gebeuren gaat en soeverein handelt: ‘Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had gaf hun het bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe’ (Joh. 13,1). Het gaat over de voetwassing die volgt, maar de zin wijst ook vooruit naar het lijden en de kruisdood als bewijs van uiterste liefde (zie bijvoorbeeld Joh. 15,13). Jezus besluit op te staan van tafel en vrouwen-, knechten- of slavenarbeid te verrichten door de voeten van de leerlingen te gaan wassen. Blijkbaar is dat bij binnenkomst nog niet gebeurd. Simon Petrus is geschokt door de handelwijze van zijn meester. Zijn meester gedraagt zich als de eerste de beste knecht, dat kan Petrus niet verdragen. Voor Jezus is het laten wassen van de voeten essentieel om zijn leerling te zijn: ‘Als gij u niet door Mij laat wassen kunt gij mijn deelgenoot niet zijn’ (Joh. 13,8). Het gaat Jezus erom dat ze zich door Hem, hun leraar, de voeten laten wassen om het als leerling Hem na te doen. De gemeenschap van volgelingen van Jezus is ten diepste een gemeenschap waarin de onderlinge dienstbaarheid centraal staat. ‘Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zult doen zoals Ik u gedaan hebt’ (Joh. 13,15). Daarmee komen beide kenmerken van het Laatste Avondmaal bij elkaar: Jezus schenkt zich weg als brood en wijn èn in naastenliefde.
Preekvoorbeeld
Een jong dier roept vertedering op en wel helemaal het jong van een schaap: het lam! Het weet van geen kwaad, het is één en al lieflijkheid. Onbeholpen staat het in de wereld en roept gevoelens op van ‘koesteren’, ‘strelen’, ‘tedervol aanraken’. Als een lam geslacht wordt om gegeten te worden, zal het geen kik geven, het ondergaat zijn lot in stilzwijgen, zonder tegenstribbelen, zonder protest, hoogstens wat klaaglijk geblaat. Dit gebeurde in de nacht van de uittocht uit Egypte, - beschreven in de eerste lezing van deze Witte Donderdag, genomen uit het boek Exodus. Het dier met zo’n hoog tederheidsgehalte werd voor die nacht geslacht om vervolgens gegeten te worden, gedeeld door de familieleden die samen aan tafel kwamen. Als er te weinig eters waren dan moesten twee families samenkomen en samen het ene lam delen.
De Joodse stammen, die op het punt stonden uit Egypte weg te trekken, waren geknechte mensen, van vrijheid beroofd. Het lam dat geslacht en gegeten werd, gaf enigszins hun situatie weer: stilzwijgend moesten ze hun lot aanvaarden: slavenarbeid voor de Egyptenaren! Zouden ze protesteren, dan werd dat meteen de kop ingedrukt. De Egyptenaren en vooral hun autoriteiten – de farao en diens functionarissen – waren de knechtenden, de onderdrukkers. Zij dwongen het Joodse volk om nieuwe steden te bouwen en hun projecten van grootheidswaan, zoals het bouwen van de enorme pyramides boven de graftombes, uit te voeren. Maar het was duidelijk aan wiens kant de God van Liefde en Gerechtigheid stond, de God, die aan Mozes in de woestijn, in de brandende doornstruik was verschenen. Toen diens engel van toorn de huizen van de Egyptische steden en dorpen langsging, was het bloed van het lam, op de deurpost aangebracht, het teken om dat huis over te slaan, voorbij te gaan, te sparen – vandaar het woord Pasen, Pesach, voorbijgaan. Was er géén lamsbloed op de deurpost gestreken, dan was er reden om te straffen! Wie daar woonde was telg van het knechtende, onderdrukkende volk.
Uit die huizen klonk dan ook gejammer op en geschrei. De inwoners daarentegen van de huizen, waaraan de toorn voorbijging, profiteerden van de verwarring en ontsteltenis die was ontstaan. Gedekt door het duister en de stilte van de nacht, trokken ze het slavenhuis uit, de woestijn in. De God van gerechtigheid en beschermende liefde was aan hun zijde, trok met hen mee en zou hen de weg wijzen naar een nieuw land van redding en belofte!
Het slachten van het lam en het eten ervan bleef niet slechts beperkt tot die ene nacht van de uittocht. Om het Paasfeest van die nacht en het uittrekken uit het slavenland blijvend te herdenken zou – eenmaal aangekomen in het land van redding – dit gebeuren de eeuwen door herhaald en herinnerd worden: niet slechts in de tempel van Jeruzalem – toen die er nog was – waar vlak voor Pasen de paaslammeren werden geslacht, maar ook in ieder gezin en familie afzonderlijk. Het nuttigen van het Paaslam was het belangrijkste onderdeel van de Paasmaaltijd.
Het was in herinnering aan die nacht van redding, dat Jezus vlak voor zijn heengaan met zijn leerlingen het pesachmaal hield. Geen bloedverwantschap in familievorm hield Hij hen voor. God had hen bijeengeroepen tot een geheel andere bloedverwantschap. Hún bloedverwantschap zou het vloeien worden van het bloed van het Lam, dat Jezus zelf was op het kruis. Niet op de deurpost, maar op het hout van het kruis zou zijn bloed worden uitgestreken en zij die naar het kruis opzagen werden gespaard en opgenomen in die nieuwe verwantschap: het Nieuwe Verbond ‘in zijn bloed’.
Aan het begin van de maaltijd ging Jezus in een daad van uiterste dienstbaarheid bij zijn tafelgenoten langs om met reinigend water hen de voeten te wassen! ‘Ook gij zijt rein’ hoorde Petrus Jezus zeggen, oftewel ‘gij zijt nieuw gemaakt’, zijn nieuwe gemeenschap van geloof in de Vader en wederzijdse liefde toebehorend. Wel werd eraan toegevoegd: ‘ofschoon niet allen!’ Judas’ verraad zette hem buiten het Verbond. Hem zou Gods toorn niet voorbijgaan!!
Jezus legde zijn bovenkleed af. Vol tedere liefde vervult Hij het gebaar van de voetwassing. Even later zal met eenzelfde gebaar van tedere liefde het brood gebroken worden en de beker aangereikt. De verzamelden rond de tafel gingen delen in een liefde, groter dan henzelf, op dat moment zelfs nog Judas de verrader omvattend – dan nog niet de nacht ingevlucht. In de rondgaande gaven van brood en beker ontvangen zij Jezus zelf, lichaam en bloed – zijn leven, zijn totale persoon in zich opnemend.
‘Sta op, laten we naar buiten gaan’ klinkt op het einde van de maaltijd. Gevolgd door de zijnen, die vol onrust en kloppend hart achter Hem aan komen, gaat Jezus de donkerte van de nacht in, richting Olijfberg. In gehoorzame overgave zal Hij op zich nemen, wat al voorzien was door de grote profeten van weleer. Geen machtige, majesteitelijke Messias hadden zij voorspeld, maar een lijdende Messias, die in overgave, zonder verzet (‘stop het zwaard in de schede, Petrus’), - als een lam dat ter slachting werd geleid zonder zijn mond te openen, - de dood zou aanvaarden. Trouw aan zijn Vader zou Hij de kelk, Hem aangereikt, tot de droesem leegdrinken. Trouw ook zou Hij zijn aan hetgeen Hij de zijnen betreffende de liefde steeds had geleerd en onderwezen: als je geslagen wordt, sla dan niet terug, als je wordt uitgescholden, scheldt dan niet terug, geen kwaad met kwaad, maar kwaad met goed vergelden! Vraag vergeving voor wie jou kwaad berokkenen. Jezus zal het uitroepen op het kruis: Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!
Het is Witte Donderdagavond. We gedenken een belangeloze, zich volledig gevende liefde: Hij gaf zijn leven voor de zijnen, opdat zij leven zouden vinden in Hem. De Kerk wordt niet moe dit in de Eucharistische maaltijd steeds opnieuw in herinnering te brengen, in Paulus tijd al, in onze tijd – behalve getekend door talloze onschuldige doden en slachtoffers in vernietiging brengende oorlogen, in Gaza, in Oekraïne.
Het Griekse woord eucharistein betekent ‘dankzeggen’, uit Gods hand ontvangen. Zo’n 15 jaar na Jezus’ binnengaan in het hemels vaderland – om vandaar eens terug te keren! – beschrijft Paulus in zijn Eerste brief aan de Korintiërs hoe het eraan toe ging in de Eucharistische maaltijd in zijn dagen. Wat betreft de Eucharistische woorden vinden we bij hem dezelfde mysterievolle woorden als in de Evangelies, de woorden die Jezus gebruikte bij zijn Laatste Avondmaal. Toch noemt de apostel in diezelfde brief al de zwakke schakel, die ‘het verbond in zijn bloed’ ontkracht en dikwijls een zwakke schakel zal blijven, namelijk het feit, dat er bij diezelfde maaltijd (toen nog één met het aandragen van gaven in natura om samen te delen) sommigen waren, die de meegenomen etenswaren haastig verorberden en zelfs tot dronkenschap kwamen, terwijl anderen honger leden en niets kregen! Deze gedragingen toen al, zo kort na Jezus heengaan, geheel tegen de geest van het eucharistein – dankbaarheid om de geschonken gaven – moeten ons aan het denken zetten. Hoe staat het met ons delen? Zijn wij bekommerd om andermans nood? Hebben we begrepen, dat de maaltijd van het Lam een mededogend hart vraagt, openstaande voor de tekenen van de tijd (de uitdrukking, die het Concilie gebruikte) – de smarten en de angsten, de vreugden en de hoop van alle mensen delend (Canon V-3) – geopend voor de schepping, die in barensnood is en uitziet naar verlossing en nieuw leven, op tocht naar het beloofde land.
Zo ja, begrepen, laten we, onze harten openend, ernaar leven en handelen. Zo nee, niet begrepen, helaas is dan het bloed van het Lam tevergeefs op onze deurposten uitgestreken en biedt het geen bescherming tegen de machten van het kwaad, die in onze wereld rondgaan. In plaats van een hartelijke wereld laten we dan een harde wereld achter! God verhoede het!
inleiding drs. Marc Brinkhuis
preekvoorbeeld Tiemen Brouwer OP
3 april 2026
Goede Vrijdag
Lezingen: Jes. 52,13-53,12; Ps. 31; Heb. 4,14-16; 5,7-9; Joh. 18,1–19,42 (A-jaar)
Inleiding
Wanneer we op zoek gaan naar verbanden tussen de teksten die voor de dienst op deze Goede Vrijdag bijeen zijn geplaatst, kunnen we eerst bezien waar het Johannesevangelie in het paas- en (dus ook) passieverhaal zou kunnen herinneren aan het laatste lied van de knecht van HWH uit (het tweede deel van) het boek Jesaja.
Jesaja 52,13–53,12 en Johannes 18,1–19,42
In de (volgens Veerkamp) eerste grote verteleenheid – na de inleidende vertelling van de arrestatie van Jezus en het verhoor door de leidende priester, dat in dit evangelie inhoudelijk weinig voorstelt (Joh. 18,1-27) – vindt een voortdurende afwisseling plaats van scènes waarin Pilatus pogingen doet tot verhoor van Jezus binnen het pretorium, en zijn overleg of confrontatie met de hoogste priesters en hun dienaars daarbuiten, die niet naar binnen willen gaan vanwege het naderende Pesachfeest (Joh. 18,28–19,16). De grote vraag daarbij voor Pilatus is, of Jezus zich inderdaad als koning over Judea heeft opgeworpen, zoals de beschuldiging luidt. Hij vindt daarvoor geen grond, en ontdekt dat de hogepriesters de voorkeur geven aan de vrijlating van Bar-abbas (ook een zoon van de vader), de terrorist (lèstès, 18,40). Hij lijkt op een van de aanvoerders van de latere, ook messiaanse maar anders-messiaanse, opstandige beweging die op de catastrofe van de joodse opstand zal uitlopen (en voor de aantrekkingskracht waarvan Simon Petrus gezien Joh. 18,10v. evenmin ongevoelig blijkt).
Pilatus doet wel een concessie aan de priesterelite. Hij laat Jezus door zijn soldaten in het gezicht slaan en van een doornenkroon voorzien. Twee woorden hier herinneren aan de passage in Jesaja 50,4-9, waar de knecht zegt: ‘mijn rug heb ik prijsgegeven aan wie sloegen (mastigoun), mijn wangen gaf ik prijs aan kaakslagen (rapísmata)’: dat is een houding van niet-gewelddadige weerstand. Vervolgens presenteert de politicus de aldus toegetakelde aangeklaagde aan de priesters met de woorden: ‘Zie, de mens’ (Joh. 19,5).
Zonder het te weten zinspeelt hij daarmee op wat de schriften zeggen over de knecht: ‘veracht en opgegeven door de mensen, mens (isj, ‘man’) van smarten, bekend met ziekte, als één voor wie men het aangezicht verbergt’ (Jes. 53,3). Bij de profeet voegen de vertegenwoordigers van de volkeren daaraantoe: ‘Wij hebben niet met hem gerekend, maar waarlijk, onze ziekten heeft hij gedragen, onze smarten heeft hij getorst; wij hebben hem getekend als een geplaagde, geslagen door God en vernederd, maar hij werd doorboord om onze misdaden’ (Jes. 53,3cd-5a).
Dat is een opmerkelijke uitspraak. Niet alleen herkennen de woordvoerders van de volken in deze geplaagde mens een spiegel van hun eigen handelen, namelijk van de kwetsuren die ze vanuit hun machtswil bij anderen aanbrengen, maar ook brengen ze tot uitdrukking dat wat ze bij hem waarnemen, henzelf ten goede komt: dat beweegt zich op de rand van wat er over het heil dat van de rechtvaardige uitgaat als goede boodschap voor misdadigers te zeggen valt.
Johannes drukt het plaatsvervangend handelen van Jezus uit met een ander beeld. Evenals in de andere evangeliën komt hier de figuur in het spel van Bar-Abbas (‘zoon van de vader’, in het Aramees), van wie Jezus de plaats inneemt. Deze Bar-abbas is een terrorist (lèstès), een voorloper van de gewelddadige Zeloten. De religieuze en politieke en religieuze leiders van Judea eisen zijn vrijlating, en daarmee de ondergang van Jezus. Pilatus de politicus zal daar niet blij mee zijn geweest, maar hij heeft de tempelelite zelf de keus gelaten. Pilatus kan in Jezus namelijk niet meer dan een armzalig wezen zien, een karikatuur van koningschap. De heersende kerk denkt er weinig anders over, en ontbeert zelfs de humor om hier het woord ‘koning’ in de mond te nemen. Maar de gemeente die hóórt, weet anders. Wellicht geldt dit ook wanneer, nadat de priesters bij deze deal definitief hun volstrekte loyaliteit aan caesar hebben uitgesproken (Joh. 19,15), Pilatus Jezus overlevert om de kruisdood te ondergaan, en Jezus vervolgens zelf zijn kruis draagt (Joh. 19,17); doet ook dát de getrouwe hoorder niet denken aan het slot van dit lied van de knecht: ‘De zonde van de velen heeft hij gedragen, voor de misdadigers staat hij in’ (Jes. 53,12)?
Wanneer dan, als tegen de avond de ‘voorbereiding’ voor het pesachfeest is aangebroken, de soldaten vaststellen dat Jezus al gestorven is, ‘breken ze zijn beenderen niet’ (Joh. 19,36). De evangelist denkt daarbij aan het gebod uit het uittochtverhaal, dat van het Pesachlam ‘geen been zal worden verbrijzeld’ (vs. 36; Ex. 12,10.46 lxx). Het Pesachlam herinnert aan Jesaja 53, alwaar in vers 7 staat: ‘zoals een lam dat naar de slacht gebracht wordt, doet hij zijn mond niet open’. Daarbij kunnen we bedenken, dat de Palestijnse Targoem bij het verhaal van de geboorte van Mozes een woordspel aanbrengt tussen het Aramese woord talya, ‘lam’, en de talya d’Elaha, de ‘knecht van de Heer’ (Deurloo 2006, 115).
Datzelfde woordspel lam/knecht kan ook bij Johannes doorklinken. Het is onvoorzichtig, dit ‘lam dat ter slachting wordt geleid’ te snel met een offerhandeling in verband te brengen. Het duidt er allereerst op, dat dit jonge dier onschuldig tussen de wielen raakt (Kroon, geciteerd in Van den Herik 2024, 86). Over een al dan niet cultische betekenis van asjam (gave, schuld) in Jes. 53,10 bestaat onder uitleggers ook allerminst eenstemmigheid (Visser 2021, 197; ook Moffit 2022, 52v.). Het paaslam is evenmin een offerdier. Wanneer het geslacht is, zal het bloed aan de huisdeuren van de kinderen Israëls het grote onderscheid aanduiden tussen hun bestaan en de op bloed van slaven gebouwde welvaart in het rijk van farao, dat ten einde komt. De paaslammeren nu worden – in Jezus’ tijd nog: op het tempelplein – in gereedheid gebracht om in die huizen te worden gegeten. Dít ene paaslam wordt geslacht vanaf het zesde uur (Joh. 19,14), anders dan bij de synoptische evangeliën waar een etmaal eerder de seideravond is gevierd. Zó kan de conclusie luiden: ‘ons paaslam is geslacht: Christus’ (1 Kor. 5,7), en de gedachtenis dáárvan kan voortgaan ook wanneer de tempel en de daarbij behorende elite vergaan zijn, tot de dag van heden!
Psalm 31
Psalm 31 is een lied vol klacht én vol vertrouwen. Een klacht, zoals in de verzen 18-23 verwoord, komt de Johanneïsche Jezus vanaf het kruis evenwel nu net niet over de lippen. Daarvoor gaat de Mensenzoon té soeverein het volbrengen van zijn werk (Joh. 19,30a) tegemoet. Lucas haalt wel het zesde vers aan: ‘in Uw hand beveel ik mijn geest’ (Luc. 23,46), en dat past ook geheel in het derde evangelie, waar de Geest Jezus doet ontvangen worden (Luc. 1,35), op Hem neerdaalt (Luc. 3,22) en Hem aandrijft (Luc. 4,1) om dan tenslotte weer aan de Schenker terug gegeven te worden, maar Johannes zegt het anders: ‘het hoofd buigend leverde Hij de geest over’ (Joh. 19,30b). Judas levert Jezus over aan de soldaten van de priesters (Joh. 18,2.5.36; 19,11), dezen op hun beurt leveren Hem over aan Pilatus (18,30.35) en Pilatus levert Hem over tot zijn kruisiging (19,16). Maar Jezus zelf levert de Geest over, zodat zijn overlevering, die bij Juda(s) inzette, van dan af voortgang vindt. Bij Johannes valt Pinksteren dus al op Goede Vrijdag (Naastepad, 57).
Hebreeën 4,14-16; 5,7-9
De twee fragmenten uit de Hebreeënbrief tenslotte spreken over Jezus als de hogepriester, die in zijn aardse leven deelhad aan onze zwakheden, verzocht is geweest (Heb. 4:15), in grote angst met smeekbeden om verlossing heeft geroepen, en op die wijze gehoorzaamheid heeft geleerd (Heb. 5,7-8). Net als de psalmwoorden past dit beeld minder bij de soevereine Mensenzoon van het Johannesevangelie. Een dramatische schreeuw tot de Vader vanaf het kruis vernemen we daar niet. Het is ook de vraag, of Johannes Jezus wel als een hogepriester ziet die, zoals de Heidelbergse Catechismus zegt, ‘tijdens heel zijn leven, maar in het bijzonder aan het einde daarvan, Gods toorn tegen de zonde gedragen heeft’ (HC Z 55/ vr. 37). Het lam Gods bij Johannes draagt de zonde wel, maar draagt deze vooral wég (Joh. 1,29). En Hij verschijnt wel voor de hogepriester, Annas (Joh. 18,13), maar die maakt weinig indruk, net als zijn schoonzoon Kajafas (vgl. Joh. 11,49v). Er is zelfs voorgesteld, als de eigenlijke hogepriester de arme Lazarus te beschouwen, die naar zijn Hebreeuwse naam Eleazar heet, de kleinzoon van Aäron, tegenover wie Jozua=Jezus dan als de koninklijke redder verschijnt (Num. 27,19; Boendermaker/Monshouwer 1993, 140v.). In de Hebreeënbrief kan de aardse Jezus trouwens ook geen hogepriesterambt vervullen, omdat Hij niet uit het huis Levi maar uit Juda stamt (Heb. 7,14). De verhoring van zijn aardse angsten is pas gekomen na de verlossing uit de dood, ofwel zijn opstanding (Heb. 5,7; Moffitt, 75). En zijn hogepriesterschap ‘naar de orde van Melkhi-tsèdèk’ (Psalm 110,4) is Hem pas verleend nadat Hij ‘de hemelen doorgegaan is’ (Heb. 4,14), na zijn hemelvaart en zijn verheffing ter rechterhand van de Allerhoogste dus (Moffitt, 129). In zijn aardse leven vervulde Hij geen priesterlijk ambt, maar zijn aardse lot heeft Hem wel bij uitstek geëquipeerd om ons vanuit de hemelen blijvend bij te staan en tot voorspraak te zijn wanneer wij vrijmoedig tot Hem naderen (Heb. 4,16).
Literatuur
Th.J. M. Naastepad, Pasen en passie bij Johannes Deel 2, Kampen: Kok, 1986.
J.P. Boendermaker en D. Monshouwer, Johannes. De evangelist van de feesten. Het vierde evangelie als liturgische catechese, Zoetermeer: Boekencentrum, 1993.
Karel Deurloo, Onze lieve vrouwe baart een zoon. Kleine bijbelse theologie deel III, Kampen: Kok, 2006.
Ton Veerkamp, Der Abschied des Messias. Eine Auslegung des Johannesevangeliums, TuK 30 (2007) nrs. 113-115 (met een ‚überarbeitete Ausgabe‘ van vertaling en aantekeningen in 2015).
Marco Visser, ‘Pars pro toto. Analyse van het pars pro toto in het werk van F.H. Breukelman en uitwerking aan de hand van de teksten over de knecht van jhwh in Jesaja. Een bijbels-theologisch onderzoek’, ACEBT 18, 2021.
David M. Moffitt, Rethinking the Atonement. New Perspective’s on Jesus’s Death, Resurrection, and Ascension, Grand Rapids Mi.: Baker Academic, 2022.
Jurgen van den Herik, In gesprek met Israël. Theologisch portret van Kleijs Kroon, Middelburg: Skandalon, 2024.
Preekvoorbeeld
‘Zie de mens’
Met deze woorden tekent Pilatus misschien treffender dan hij zelf vermoedde, de persoon van Jezus en ons allen. Stilstaan bij de betekenis van Goede Vrijdag is een heftige confrontatie. Wij worden op deze dag geconfronteerd met het lijden en sterven van Jezus maar eveneens met het lijden in onze wereld en in ons persoonlijk leven. Hoe kunnen we in deze confrontatie het leven van Jezus en ons eigen leven plaatsen. Hoe kunnen we dan zin geven aan Jezus lijden en dood? En aan het lijden dat ons soms zo pijnlijk kan treffen?
Op deze dag staat het kruis in ons midden en we zien een man gefolterd, naakt en met handen en voeten op een kruis genageld. Het kruis in de liturgie van Goede Vrijdag binnengedragen, toegezongen en vereerd als een teken van wat liefde en daadwerkelijke betrokkenheid in Gods Naam zeggen wil.
Op zich was het kruis een martelwerktuig in handen van Romeinse onderdrukkers om mensen ter dood te brengen. Een martelwerktuig ga je toch ook niet zomaar vereren?
Maar waarom dan wel het kruis, waarmee Jezus aan zijn einde is gebracht? Dit heeft alles te maken met wat Jezus voor ons wil betekenen, hoe Hij in zijn leven en dood op een kruis openbaart wie God voor ons mensen wil zijn. Door Jezus persoon worden wij allen geraakt. In zijn menswording wordt Gods menslievendheid zichtbaar. Heel ons menszijn wordt daarbij betrokken, het menszijn van ieder van ons, van u en van mij.
Daarom raken de woorden van Pilatus ‘Zie de mens’ niet alleen Jezus maar ons allen. Het is niet zomaar iemand die gekruisigd is, die slachtoffer geworden is van zijn ideaal. Maar het gaat hier om iemand die leeft vanuit een intense verbondenheid met het Mysterie van het leven, de Eeuwige die wij samen met Hem ‘Onze Vader’ mogen noemen, die ons hoe dan ook nabij blijft en ons nooit laat vallen.
De Schriftteksten van de Goede Vrijdagviering verdiepen op een bijzondere wijze waarom wij op deze dag Jezus’ Kruis prominent in ons midden mogen plaatsen. De woorden van de profeet Jesaja dienden zich al in de eerste vormen van de Jezusverkondiging aan om aan te tonen hoe Jezus’ leven verstaan wil worden. Jezus wordt gezien als de lijdende dienaar die op deze manier wil uitdragen wat Gods gerechtigheid, Gods solidariteit met ons mensen in al onze kwetsbaarheid betekent, en wat dit van Hem vraagt. De woorden van Jesaja lijken bijna letterlijk van toepassing op wat Jezus zelf heeft ondergaan aan foltering en dood en wat dat ook voor ons betekent. Hoe wij mensen ook door zijn dood, zijn volledige overgave bevrijding mogen ervaren van een levenshouding die wij zonde noemen, zonde als de weg van gerechtigheid zoeken los van God, waar eigenbelang voorop staat.
Ook hier worden wij mensen vanuit onze verbondenheid met de menswording van Jezus in ons menszijn geraakt en wordt bevrijding geschonken met een leven vol perspectief.
De evangelieteksten laten ons een Jezus zien die van het begin van zijn verkondiging de mogelijkheid heeft onderkend wat het kruis voor Hem kon betekenen en hoe dit ook zijn volgelingen zou raken. Jezus vraagt ook ons om het kruis op te nemen in zijn voetspoor om zo te komen tot Gods nieuwe wereld in bekende bijbelse termen ‘Gods koninkrijk’, een wereld waarin Gods gerechtigheid werkelijkheid mag worden. Een visioen dat uitdaagt en dat niet zonder slag of stoot gerealiseerd wordt. Lijden, dood, angst, twijfel zullen nooit afwezig zijn. Zij zijn bij Jezus aanwezig maar tekenen ook ons mensen.
Zo zien we de uitspraak van Pilatus: ‘Zie de mens’ ook verwoord in Psalm 31 van de liturgie van Goede Vrijdag. De radeloosheid en de onmacht, de angst en de waaromvraag van Goede Vrijdag wordt hier in alle scherpte geformuleerd. Maar ook de angst, de onzekerheid, de uitzichtloosheid die wij mensen ervaren, denkend aan wat wereldwijd aan leed en onrecht mensen wordt aangedaan of overkomt. Maar tegelijkertijd de verwoording van Jezus’ diepe verbondenheid en vertrouwen in zijn Levensbron en hoe wij, u en ik, worden aangemoedigd om ook dat vertrouwen bij alle onzekerheid niet los te laten.
Zo wordt Jezus getekend met de woorden: ‘Mijn God waarom hebt Gij mij verlaten’ maar ook met de woorden ‘Vader in uw handen beveel ik mijn Geest.’ Woorden van de mensenzoon als een blijvende inspiratie en uitnodiging. Zo mogen wij mens zijn.
Ons menszijn wordt op deze Goede Vrijdag op een nieuwe wijze ingekleurd met de woorden uit de Brief aan de Hebreeën. Ook hier mogen we zeggen: ‘Zie de mens.’
Jezus wordt Hogepriester genoemd, die ons menselijk bestaan deelt, afgezien van de zonde. Een impliciete verwijzing naar de hogepriester op de Jaarlijkse Verzoendag. Dan mocht hij het Heilige der Heiligen in de tempel binnengaan, de plek van Gods aanwezigheid ook wel aangeduid met ‘Gods heerlijkheid’ om daarna namens God verzoening en bevrijding te verkondigen van wat als zonde werd ervaren.
Gods heerlijkheid in het Johannesevangelie wordt veelvuldig genoemd als datgene waarmee Jezus zich verbonden wist en die Hij ook ons heeft toegebeden. Het blijvende teken van Gods nabijheid hoe uitzichtloos wij ons ook voelen. Zo worden wij door Hem in ons menszijn blijvend aangeraakt. Zo wordt zijn menswording tot vervulling gebracht. Met het kruis als teken bij uitstek van Gods menslievendheid voor wie de dood niet het laatste woord is. Het teken van blijvende nabijheid en bevrijdende kracht wanneer ook wij oog blijven houden voor al wat kwetsbaar is.
Dan worden de woorden ‘Zie de mens’ een opmaat om op een nieuwe manier te luisteren naar het lijdensverhaal uit het Johannesevangelie. Een vorm van verkondiging die voor zichzelf spreekt.
inleiding prof. dr. Rinse Reeling Brouwer
preekvoorbeeld drs. John Rademakers
4 april 2026
Paaswake
Lezingen: Gen. 1,1(26-31a) -2,2; Ps. 104 (Ps. 33) – Gen. 22,1-(-2.9a.10-13.15-) -18; Ps 16 – Ex. 14,15-15,1; Ex. 15,1-6.17-18 – Jes. 54,5-14; Ps. 30 – Jes. 55,1-11; Jes. 12,2-6 – Bar. 3,9-15.32-4,4; Ps. 19 – Ez. 36,16-17a.18-28; Ps. 42-43 (Ps. 51) – Rom. 6,3-11; Ps. 118; Mat. 28,1-10 (A-jaar)
Inleiding
Tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (1962–1965) kende de rooms-katholieke liturgie op zon- en feestdagen een eenjarige lezingencyclus waarin nagenoeg alleen het Nieuwe Testament fungeerde. Het Missale Romanum van 1570 kende namelijk slechts drie feestdagen waarop uit het Oude Testament werd voorgelezen: Driekoningen (Jes. 60,1–6), Goede Vrijdag (Hos. 6,1–6; Ex. 12,1–11), en de Paasnachtwake met niet minder dan twaalf zogeheten ‘Profetieën’.
Na Vaticanum II is de situatie drastisch gewijzigd: er werd een lezingencyclus ontworpen met structurele aandacht voor Oude en Nieuwe Testament en een evenredige inbreng van alle vier evangelies. In het huidige Romeins Lectionarium worden voor de Paaswake niet minder dan zeventien lezingen opgegeven. Omdat het onmogelijk is om die allemaal recht te doen, is gekozen voor een selectie eruit.
Genesis 1 – Het mysterie van een nieuw begin
Bij het (voor)lezen van Genesis 1 komt een aantal zaken samen. Duisternis en chaos worden verdreven door slechts een paar woorden: ‘Er zij licht.’ In de liturgische context van de Paasnacht verdwijnt de donkerte van Jezus’ dood en graf met de komst van het licht, gesymboliseerd in het ontsteken van de kaars die even in het pas gewijde water wordt gedompeld. Water en vuur zijn hier elkaars metgezel, in plaats van elkaars vijand.
Dat van oudsher specifiek in deze Paasnacht de catechumenen werden gedoopt is uiteraard niet toevallig. Als gedoopte ontsnap je aan ‘de duisternis van de zonde’ en word je opgenomen in het licht.
Exodus 14 – In zee, maar toch op het droge
Welk wetenschappelijk commentaar je bij de passage uit Exodus 14 ook raadpleegt, onmiddellijk kom je in een debat terecht over de verschillende bronnen waaruit deze tekst zou zijn samengesteld. Wat daarbij het meest opvalt, is dat de geleerden het absoluut niet eens kunnen worden over een oplossing.
In plaats van te proberen daar een zoveelste theorie aan toe te voegen, is het veel beter om de tekst zelf te laten spreken. Uiteraard roept het verhaal vragen op, zoals: had de passage over de doortocht door de Rode Zee niet wat korter gekund? En: waarom moet alles meerdere keren herhaald worden? Het verhaal is zo uitgebreid, omdat hier het meest beslissende moment in de beleving van het volk Israël wordt verteld, herinnerd en tegelijk in dankbaarheid gevierd.
Vuurzuil en wolkkolom fungeren als duidelijke symbolen van Gods aanwezigheid. Ze verbeelden als licht en donker tevens het verschil tussen leven en dood. En overal in de Schrift waar sprake is van een engel van God staat iets belangrijks te gebeuren.
Dat de doortocht door de Rode Zee inderdaad als een fundamenteel moment beschouwd moet worden voor het volk Israël blijkt ook uit de inhoud van het lied in Exodus 15. De eerste helft vertelt nog eens, nu op poëtische wijze, de wonderbaarlijke redding.
Maar dan vindt vanaf vers 13 iets heel opvallends plaats. Vanaf dat vers vertelt het gedicht hoe het Israël, veel later in het land, is vergaan, terwijl ze binnen de context van het boek Exodus nog aan de lange weg erheen moeten beginnen. De dichter kan zich gewoon niet inhouden en ‘verklapt’ al de toekomstige ontwikkelingen; met als hoogtepunt het heiligdom op de berg dat, opvallend genoeg door God zelf, koning voor eeuwig en altijd, is gebouwd (15,18).
Romeinen 6 – Zonde – dood/ doop – leven
De Brief van Paulus aan de Romeinen is geen gemakkelijk brok theologie. De kerkgeschiedenis weet daar alles van. Augustinus, Maarten Luther, Karl Barth, om slechts een paar namen te noemen, hebben een blijvend stempel gedrukt op de uitleg van ‘het oudste van de literaire meesterwerken van het christendom,’ aldus Theo de Kruijf, Romeinen (Belichting van het bijbelboek), Boxtel 1990, 5.
Het verdient aanbeveling om de passage uit de Romeinenbrief zowel naar voren als naar achter iets uit te breiden (6,1-14), om op deze manier iets meer grip op het betoog van Paulus te krijgen. Het kan daarbij behulpzaam zijn om de tekst te raadplegen in Bijbel in Gewone Taal, Haarlem/Heerenveen 2014.
Aanknopingspunt is hetgeen vanaf 5,12 wordt gezegd. Door de zonde van één mens, Adam, zijn zonde en dood in de wereld gekomen, maar dankzij één mens, Jezus, zullen we eeuwig leven. Door de doop hebben we ervoor gekozen om bij Jezus te horen. Kunnen we dus onbeperkt zondigen, omdat we door de doop zijn bevrijd? Natuurlijk niet! Want bij de keuze van de doop hebben we plechtig beloofd de zonde te mijden. Daarom is het van belang dat in de Paasnacht de doopbeloften worden vernieuwd ten overstaan van de gemeenschap.
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86
Matteüs 28 – Het graf bewaakt door twee partijen
De evangelielezing voor vandaag zou eigenlijk al in 27,57 moeten beginnen. Vanaf dit punt worden namelijk al bouwstenen klaargelegd. Een zekere Jozef uit Arimatea legt het lichaam van Jezus in een nieuw graf, rolt vervolgens een steen voor het graf en vertrekt. Twee Maria’s gaan tegenover het graf zitten en blijven daarachter. Dit wekt de suggestie dat zij een soort bewaking vormen van het graf. De tegenpartij, hogepriesters en farizeeën, vragen Pilatus om bewakers bij het graf te posteren, omdat ‘die bedrieger heeft gezegd: na drie dagen zal ik uit de dood worden opgewekt’ (27,63v).
De uitvoerige tijdsbeschrijving in 28,1 mag op het eerste gezicht vreemd overkomen, maar is dat niet. Immers, die aangekondigde derde dag is nu aangebroken. De twee Maria’s komen de situatie bij het graf in ogenschouw nemen; de vertaling ‘naar het graf komen kijken’ is mij te vlak, te toeristisch.
Er ontstaat ‘een grote aardbeving’, mogelijk een verwijzing naar 8,24 waar Jezus slaapt! De beving wordt veroorzaakt door een engel van de Heer; er staat dus iets fundamenteels te gebeuren! Het is heel tekenend dat de evangelist eerst vertelt wat de engel doet met de steen en dan pas hoe hij eruitziet. De bewakers zijn er onmiddellijk door uitgeschakeld. Heel ironisch natuurlijk binnen de context van het verhaal: ‘ze werden als doden.’
Jezus zoeken
Je leest er gemakkelijk overheen: ‘ik weet namelijk dat jullie Jezus zoeken.’ Dit motief is nogal opmerkelijk, omdat het tot nu toe in het verhaal geen enkele rol speelde. De steen is immers voor het graf gerold. De focus van de vrouwen is op het graf (27,61; 28,1), niet op het zoeken van Jezus. Opvallend genoeg gebruiken ook Marcus (16,6) en Lucas (24,5) bij deze scène het woord ‘zoeken.’ Het is daarom zeer waarschijnlijk dat ook Matteüs deze formulering aan een gemeenschappelijke traditie heeft ontleend.
Dat de engel spreekt van ‘Jezus, de gekruisigde’ is natuurlijk de aanloop naar het complete tegenbeeld: ‘Hij is opgewekt zoals Hij gezegd heeft’. Deze passieve werkwoordsvorm is een zogeheten passivum divinum, een rechtstreekse verwijzing dat God zelf de handelende persoon is. Het lege graf is het ‘bewijs’ dat Jezus’ voorspelling werkelijkheid is geworden. Er heeft iets wonderbaarlijks plaatsgevonden.
De opdracht aan de vrouwen
De twee Maria’s spelen in het verdere verloop van het verhaal een uiterst belangrijke rol. Zij worden door de engel tot boodschappers aangesteld om snel aan de leerlingen te melden dat Jezus leeft en dat ze naar Galilea moeten gaan en Hem daar zullen zien. In Galilea is het immers allemaal begonnen (3,13)
In het oude Missale Romanum eindigde met dit vers 7 de evangelielezing van de Paaswake. In het huidige Lectionarium is er gelukkig voor gekozen om de lezing met enkele verzen uit te breiden. Ontzet en opgetogen tegelijk verlaten ze het graf en voor de tweede keer in kort bestek horen we het woord ‘snel’ (v. 8). En daar is Jezus die hen dezelfde boodschap opdraagt als de engel eerder deed. Terwijl van de engel werd beschreven hoe hij eruit zag (28,3), is dat bij Jezus niet het geval; alleen zijn naam wordt vermeld.
De vrouwen vervullen hier een opmerkelijke rol. Ze zijn de eersten die de levende Jezus ontmoeten, Hem vastpakken en aanbidden. Ze zijn dus de allereerste getuigen dat de opstanding werkelijk heeft plaatsgevonden. Het is heel opmerkelijk dat zij deze rol krijgen toebedeeld, want in het oude Israël werden vrouwen en slaven niet als betrouwbare getuigen aanvaard of in elk geval als minder betrouwbaar dan mannen. Dat de twee Maria’s dus de eerste getuigen zijn van de levende Heer is een zeer bijzondere gebeurtenis.
Een laatste klein detail kleurt dit verhaal. Waar de engel de vrouwen zegt om het aan Jezus’ leerlingen te gaan vertellen, worden dezen in de woorden van Jezus zelf ‘mijn broeders’ genoemd.
Literatuur
Elmar Nübold, Entstehung und Bewertung der neuen Perikopenordnung des Römischen Ritus für die Messfeier an Sonn- und Festtagen. Paderborn 1986, 19–170.
Preekvoorbeeld
Het kan donker zijn in ons leven, donker door onze angst, ziekte, eenzaamheid of door dat alles tegelijk. Donker is het als we alle hoop op toekomst hebben verloren, als onze idealen in duigen zijn gevallen, wanneer een relatie met een geliefde werd verbroken of een geliefd iemand is gestorven. Al die pijnlijke ervaringen worden opgeroepen door de duisternis waarmee deze paaswake begon…
Maar in die duisternis ging vuur branden en werd een licht ontstoken. Zo werd uitgebeeld dat Gods Licht zich een weg zoekt doorheen ons leven. Alles wat ons bezighoudt, de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen en het lot van de hele wereld, op dat alles hebben we slechts echt zicht als we het – wie weet na hoeveel moeite – kunnen zien in het licht van een heel nabije God die met ons meevoelt. Dan merk je dat God woorden spreekt van troost en bemoediging, woorden die toekomst verzekeren over elke duisternis heen.
Zo hoorden we in het verhaal van de schepping: God roept dat er licht moet zijn. Duisternis en chaos worden verdreven, en er was licht! En in het verhaal van de uittocht uit Egypte hoorden we dat onze God zijn volk uit de slavernij bevrijdt. Al is er nog zoveel dat we over God niet weten, is het toch onze overtuiging dat onze God een God is die mensen tot leven roept en wil dat we bevrijd kunnen leven. Soms zien we het, misschien maar even, dat we op geen enkele manier uit Gods hand vallen. Zoals Jezus die in dat zwarte gat van de dood viel, maar opgevangen werd door een God-die-Liefde is.
Van dit ‘mysterie van ons geloof’ getuigt het evangelieverhaal. En om te laten zien dat God in dit hele gebeuren heel intens betrokken is, komt ook hier een engel van de Heer in het verhaal voor. Dankzij God heeft Jezus de dood achter zich gelaten voor een heel nieuw leven. Onomwonden staat er dat de gekruisigde Jezus door God uit de dood is opgewekt; niet dat een dode Jezus weer levend is geworden (en dan later nog eens is moeten sterven). De verrijzenis brengt Hem niet terug tot een bestaan als voor zijn dood. Hij is niet teruggekeerd, maar Hij is aangekomen. Hij werd opgewekt tot een niéuw leven in Gods intimiteit. Dat is ‘eeuwig leven’, niet een eeuwigdurend leven, maar een onbeperkt ervaren van geluk, want opgenomen in een Liefde zonder eind.
Van buitenaf bekeken lijkt Jezus’ leven een mislukking. Zijn vijanden hadden Hem gedood en waren ervan overtuigd dat ze Hem voorgoed het zwijgen hadden opgelegd. Maar dat liet God niet zomaar gebeuren. God bleef Jezus trouw en heeft Hem uit de dood opgetild. Maar slechts na verloop van heel wat tijd geloofden zijn leerlingen dat Hij leeft. Geleidelijk ervaarden ze dat Hij hen niet in de steek laat en dat Hij op een gans andere manier met hen is. Uit die ervaring kwamen ze tot het inzicht dat Hij niet in de dood is gebleven, maar dat Hij is opgestaan uit de dood. En daarvan getuigen ze. Ze moeten naar Galilea gaan, want daar is alles begonnen en ze moeten weer van vooraf aan beginnen.
Als jaren later de evangeliën tot stand komen zijn het geen reportages, geen ooggetuigenverslagen, maar een manier om vooral in beelden en verhalen hun geloof uit te drukken dat Hij er is, ook al is Hij gestorven. Ze bieden ons goede gronden om ons vertrouwen te schragen, bewijzen zijn er niet en meer informatie hebben we niet.
En wij, hier samen in deze Paaswake, wij proberen Jezus op zijn weg te volgen tot ook wij ooit zullen thuiskomen bij God en onbeperkt van Gods Liefde zullen genieten. Naar die toekomst zijn we onderweg en onze hoop op die toekomst geeft zin en richting aan ons leven. Maar dat houdt een enorme uitdaging in voor ieder van ons, want het is Gods vurigste wens dat aan elke duisternis en aan al het kwaad in de wereld een einde komt. En daarvoor rekent God ook op ons.
Overal waar sindsdien mensen leven in de stijl van Jezus en opkomen tegen haat en terreur, honger en geweld, of voor het behoud van de schepping, daar gebeurt opstanding. Zo kan ons leven ook een opstandingsverhaal zijn, wanneer we – in de mate en op een manier die voor ons haalbaar is – elkaar aanvaarden, voor elkaar zorgen, elkaar troosten, elkaar vergeven… Dan is verrijzenis een gebeuren dat voortduurt, dat geschiedenis maakt; en dat is al heel veel liefde metterdaad, al is het allemaal nog onaf en verre van volmaakt. Maar we geloven dat wat we tijdens ons leven samen met anderen in liefde hebben opgebouwd, bij onze dood door God wordt voltooid. Geloven in leven na de dood is dan geloven dat ons leven geen doodlopende weg is, maar uitloopt op niets dan Liefde-met-een-hoofdletter. Dat is de radicalisering van ons geloof dat God trouw is aan ons, en Hij houdt niet op trouw te zijn als ons hart het begeeft of onze hersenen uitvallen. Juist in deze wereld die getekend is door gruwel en geweld, wordt het mogelijk ánders naar de realiteit te kijken en een ander verhaal te vertellen, een opstandingsverhaal dat zegt dat dood en geweld, haat en vijandigheid, niet het laatste woord hebben. Daaruit kunnen we moed en geloof putten, voor vandaag en morgen.
inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld Paul Heysse
5 april 2026
Paaszondag
Lezingen: Hand. 10,34a.37-43; Ps. 118; Kol. 3,1-4 (1 Kor. 5,6b-8); Joh. 20,1-9 (A-jaar)
Inleiding
‘Wij geloven in één Heer Jezus Christus…
die geleden heeft en is opgestaan op de derde dag’
(uit de geloofsbelijdenis van Nicea, 325)
Handelingen 10,34a.37-43
De perikoop begint tamelijk plechtig: ‘Petrus nam het woord’. De originele Griekse tekst is misschien nog plechtiger: ‘Petrus opende zijn mond en sprak’. Wat volgt moet dan ook begrepen worden als een belangrijke, officiële uitspraak. Verderop in de tekst maakt Petrus duidelijk dat zijn verklaring niet iets persoonlijks is maar een getuigenis van ‘allen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan’ (v. 40). Bijna zou je hier denken aan een soort dogmaverklaring door het hoofd van het apostelcollege, of van de kerk, in verbondenheid met de andere apostelen.
Wat betreft de inhoud van de toespraak laat Petrus allereerst zien hoe God in Jezus een totale omwenteling teweeg heeft gebracht. Waar Jezus eerst door de mensen ge- en veroordeeld was, terechtgesteld aan een kruis, is Híj nu door God aangesteld tot oordelende rechter van levenden en doden (v. 42).
Na de vermelding van die plechtige toespraak van Petrus (v. 34), gaat de perikoop verder met: ‘Jullie weten het Woord dat is geschied’ (v. 37) om daarna te verklaren: ‘wij zijn getuigen van alles wat Hij heeft gedaan’. Een eerste indruk zou kunnen zijn dat Petrus in de pluralis maiestatis spreekt, maar in feite betrekt hij de bekeerde heidenen in de groep van getuigen. Op deze manier opent hij de deur voor een actieve deelname van de gojim, de volken, aan het getuigenis omtrent de verrezen Heer.
Psalm 118 (117), 1-2; 16ac-17; 22-23
Deze psalm kan onderverdeeld worden in verschillende coupletten. Het eerste begint met een uitnodiging tot lofprijzing tijdens een liturgische dankdienst in de tempel te Jeruzalem. In onze tussenzang zijn het de verzen 1-2. In het derde couplet, waarvan in onze tussenzang de verzen 16-17 zijn opgenomen, klinkt een danklied om de overwinning. In de verzen 22-23 wordt de grote ommekeer bezongen bij het volk Israël, dat in angst leefde en door vijanden werd omringd maar door de Heer gered werd. Als een steen die door de bouwvakkers was afgekeurd, heeft de Heer hen tot hoeksteen gemaakt.
Dit loflied werd gezongen als een soort responsorium waarbij een cantor een vers zong dat de gelovigen vervolgens herhaalden.
v. 1 cantor: Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig, eindeloos is zijn erbarmen.
v. 2 volk: Stammen van Israël, dankt de Heer, eindeloos is zijn erbarmen.
v. 15 cantor: De rechterhand van God doet machtige dingen.
v. 16 volk: De rechterhand van God doet machtige dingen.
De vermelding van de hoeksteen werd in de vroege kerk opgenomen en toegepast op Jezus zoals te lezen is in Handelingen 4,11 en 1 Petrus 2,7.
Kolossenzen 3,1-4
De christenen van Kolosse waren blijkbaar allesbehalve eendrachtig. In de laatste verzen van hoofdstuk 2 van deze brief refereert de schrijver aan deze problematiek.
De verzen van onze perikoop zijn een oproep aan de gemeente om zich te identificeren met Christus die verrezen is. Christelijke bezorgdheid moet niet uitgaan naar eten en drinken (2,16), vleselijk denken (2,18), wereldse bepalingen (2,20). Deze zijn puur menselijke zaken, schijnredenen. Richt u op wat bovenmenselijk is en vergeet niet dat u met Christus gestorven bent en met Hem deelt in de ware heerlijkheid.
Zie: H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46.
Sequentia
Deze hymne stamt uit de elfde of twaalfde eeuw. In dit lied wordt aan Maria Magdalena gevraagd wat zij gezien heeft bij het lege graf van Jezus (vgl. het evangelie van deze dag). Het lied eindigt met een triomfantelijke belijdenis waar uitgeroepen wordt: Scimus Christum surrexisse, wij weten dat Christus verrezen is.
Evangelie Johannes 29,1-10
Het paasverhaal van Johannes bevat een aantal boeiende elementen die sterk verschillen van de verhalen bij de synoptici.
In het eerste deel van het paasverhaal van Johannes is Maria Magdalena de hoofdfiguur. Over haar deden, en doen nog steeds, de meest bizarre opvattingen de ronde. Ze zou een prostituee uit Migdal geweest zijn, de minnares of zelfs de echtgenote van Jezus. In zijn evangelie schrijft Lucas dat Jezus zeven demonen bij haar zou hebben uitgedreven (Luc. 8,2). Bij de vermelding van die zeven demonen moeten we echter niet proberen om erachter te komen welke die zeven boze geesten geweest zouden zijn. Zeven is een symbolisch bijbels getal dat zoiets als hoogtepunt aanduidt. We kunnen hier denken dat het leven van Maria Magdalena één grote puinhoop was, erger kon het niet. Met hulp van Jezus heeft zij zich daaruit weten te bevrijden. Hij heeft haar leven een draai gegeven zodat het weer waard was geleefd te worden. Niet te verwonderen dat zij vervolgens met Jezus verder optrok. En dan, na een schijnproces, ontvalt Jezus haar, definitief, dood. Zal haar leven nu weer worden zoals het was voordat ze Jezus leerde kennen?
In tegenstelling tot de andere evangeliën gaat Maria Magdalena niet samen met andere vrouwen naar het graf, maar alleen. Evenmin is het haar intentie om het lichaam van Jezus te balsemen, dat had Nikodemus reeds gedaan (19,39v).
Het verhaal begint met ‘op dag één’, dus niet zoals in de meeste vertalingen te lezen staat: ‘op de eerste dag’. Bij de eerste dag begin je te tellen wat hier niet de bedoeling is. ‘Deze dag één’ is, evenals in Genesis 1,5, de dag waarop het scheppingsproces in werking wordt gesteld en dat de volgende dagen, de ‘tweede’, de ‘derde’, enz. bepaalt.
Verder wordt er van die dag één gezegd dat het, nog donker was, en niet ‘heel vroeg’ zoals in Marcus 16,2 ‘toen de zon opkwam’. Op ‘dag een’, toen de duisternis nog over de oervloed lag, zei God: ‘Laat er licht zijn’, en er was licht. De lezer/hoorder zal er zodoende attent op moeten zijn dat op ‘dag één’ in Johannes 20,1 de duisternis waarin Maria Magdalena zich bevindt, zal verkeren in licht, ook al heeft zij daar op dat uur nog geen idee van. De lezer zal even geduld moeten hebben om van deze omslag van duisternis naar licht getuige te kunnen zijn.
In veel culturen is ‘licht’ een symbool van ‘leven’ en ‘vrijheid’. Zodoende kan duisternis gezien worden als symbool van de ‘dood’ en ‘slavernij’. Maria Magdalena gaat dus de richting van de dood, van de onvrijheid, op, naar het graf van de dode Jezus. Maar waarom de dood, de slavernij opzoeken?
In hoofdstuk 11 van het vierde evangelie lezen we van de dood van Jezus’ vriend Lazarus. In die tekst merkt de apostel Tomas op ‘Laten ook wij maar gaan om met hem te sterven’ (11,16). Typisch is dat in veel vertalingen ‘Hem’ staat, met hoofdletter, wat de suggestie kan wekken dat het om de dood van Jezus gaat. In die perikoop is echter slechts sprake van de dood van Lazarus. Tomas spreekt over sterven met Lazarus, mogelijk om ‘tot geloof te komen’ (11,15).
Maria Magdalena is dermate gedesillusioneerd (het was donker) dat zij die in het leven zo nauw met Jezus verbonden was, nu ook in de dood bij Hem wil zijn, en misschien zelfs om ‘met Hem te sterven’. Dan doet zich echter een onverwacht en verrassend element voor: het graf is leeg. De evangelist houdt er echter de spanning nog in. Nog geen enkel teken van hoop, eerder van ontzetting: ‘Ze hebben de Heer weggenomen uit het graf en we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd’ (v. 2). Zelfs in de dood kan Maria niet rekenen op de aanwezigheid van haar Heer.
Een verrassend element in deze vertelling is dat Maria Magdalena na de ontdekking van het lege graf juist naar Petrus en de andere leerling gaat, om dan ook nog samen met hen naar het graf terug te keren. Haar verhouding met de apostelen, zeker met Petrus, was behoorlijk gespannen volgens het slot van het apocriefe Thomasevangelie waar Petrus zegt: ‘Laat Maria Magdalena van ons weggaan, want vrouwen zijn het leven niet waard, heeft Jezus gezegd’.
Na een wedloop komen de twee leerlingen aan bij het graf. En ofschoon Petrus pas aankomt na de andere leerling, laat deze hem als eerste het graf binnen gaan. Een kwestie van beleefdheid: de oudere voor laten gaan, of suggereert de auteur hier dat Petrus de erkende leider van de apostelen is en dat het aan hem toekomt om als eerste naar binnen te gaan en de situatie in ogenschouw te nemen om er dan later van te getuigen? Daarover geeft de evangelist geen uitsluitsel. Hij vertelt alleen maar dat Petrus de situatie binnen in het graf in ogenschouw neemt: de afwezigheid van het lichaam van Jezus en de lijkwaden netjes opgevouwen.
Vervolgens geeft de auteur een heel speciale opmerking door te vermelden dat de andere leerling (over zijn identiteit heerst nog altijd onzekerheid) ‘zag en geloofde (vertrouwde)’. Wat hij zag was wat Petrus ook al gezien had: een leeg graf en opgevouwen lijkwaden. En wat hij geloofde is nog verre van duidelijk. Zeker was dat niet een geloof in de verrijzenis van Jezus aangezien in het volgende vers staat dat zij de ‘Schrift nog niet kenden dat Jezus uit de doden moest opstaan’. Bovendien is het vreemd dat als het voor die leerling allemaal duidelijk zou zijn, hij dat dan niet aan de anderen ging verkondigen. We lezen alleen dat de twee weer naar huis gingen waar zij zich weer samen met de anderen opsloten ‘uit vrees voor de joden’ (v. 19). Bovendien moeten we voor ogen houden dat het geloof in de verrijzenis nog tamelijk recent was en zeker nog geen gemeengoed.
Na het vertrek van Petrus en de andere leerling blijft Maria Magdalena alleen achter in de graftuin. Met de vermelding van die tuin (19,41) lijkt de auteur een verbinding te maken met het Hooglied waar een jonge vrouw op zoek gaat naar haar geliefde (Hoogl. 3,1-3). En zoals zij tenslotte, na haar beminde gevonden te hebben, hem vastpakt, zo wil ook Maria Magdalena Jezus, die zij eerst voor de tuinman aanzag, vastpakken, maar dat werd haar niet toegestaan.
Zowel bij Johannes als bij de synoptici zien we hoe over de verrezen Heer alleen maar op beeldende manier gesproken wordt of kan worden: een leeg graf, opgevouwen lijkwaden, een tuinman, vastpakken. Er gebeurt namelijk iets dat ontsnapt aan onze controle. Maar wat daarachter steekt is volgens de evangelieteksten de essentie van de paasboodschap: Jezus leeft.
Johannes eindigt het eerste deel van zijn paasverhaal met een scène die niet in de perikoop van vandaag staat, namelijk dat Maria Magdalena, de apostola apostolorum, van Jezus de opdracht krijgt om bij de leerlingen over zijn verrijzenis te gaan getuigen (20,17v). Een vrouw (sic!) die de allereerste paaspreek gaat houden!
Preekvoorbeeld
Deze Paaszondag wordt in alle toonaarden gekleurd door de paasboodschap ‘De Heer is waarlijk verrezen!’ Maar waar baseren we dat eigenlijk op?
Je zou verwachten dat de grote feesten van Kerstmis en Pasen zich kunnen buigen over en beroepen op een expliciet getuigenis over Jezus’ geboorte en zijn verrijzenis. Maar nee! Met Kerstmis staat er in het evangelie geen expliciet geboorteverhaal – geen feitenrelaas van hoe laat het kindje geboren is en wat het weegt – maar louter dat Jezus die nacht daar geboren werd. En dan moeten we het ook nog hebben van enkel de summiere vermeldingen bij Matteüs en Lucas; Marcus en Johannes spreken er niet over. Alsof die nacht overgeslagen wordt.
En voor Pasen geldt dat nog meer: na de begrafenis van Jezus gaat het verhaal verder met de vroege Paasmorgen en wel met de ontdekking van het lege graf. Geen dokter of lijkschouwer die er een rapport van opgemaakt heeft, zelfs niemand die erbij is geweest.
Volgens mij heeft het enerzijds te maken met schroom: Christus’ geboorte en zijn verrijzenis zijn wel van een zo andere orde dan de rest van het leven, dat de evangelisten hier liever zwijgen. In dat zwijgen laten ze het mysterie van God voor zichzelf spreken.
Wij hebben het daar moeilijk mee, want we weten het liefst alles. En wat we niet kunnen zien of waar we met nuchter verstand niet bij kunnen, bestaat niet. Maar tegelijk geeft het evangelie daarmee de richting aan waarin we het moeten zoeken: geloof is altijd iets dat je je eigen moet maken. God dringt zich niet op en wringt zich niet binnen, maar klopt aan de deur van ons hart, of Hij binnen mag, zowel als het Kind van Betlehem dat zich in onze harten legt, als de Verrezene die ons roept om Hem te volgen. Geloof is een kwestie van liefde en die kun je niet afdwingen. Zelfs God niet.
Dat het evangelie terughoudend is, biedt ons ruimte: de ruimte om binnen te treden in ons geloof in de verrijzenis en het nieuwe leven. Het is geen verpletterende boodschap, maar een vriendelijke wenk om ons dat geloof eigen te maken en er met alles wat we hebben en zijn mee aan de slag te gaan.
Paasgeloof word je niet zomaar gegeven. Geloof heb je nooit in je binnenzak, het is geen app die je zomaar downloadt, maar daar moet je in groeien. Dat is nu zo, dat was toen niet anders. Maria Magdalena, die ‘s morgensvroeg naar het graf gaat, vindt daar geen verrijzenis, maar treft er louter en alleen het lege graf aan. Over een verrijzenis wordt op dat moment met geen woord gerept. In die verwarring zal er van alles door haar zijn heengegaan, maar ook dat haar leven danig in de war was geraakt. Jezus had vol liefde naar haar omgezien en dat had haar leven totaal veranderd. En zou Hij dat nu niet nog eens kunnen waarmaken? Het kan toch niet, zeggen we bij elk afscheid, dat de dood het einde is? En vanuit die openheid is de stap naar geloof in nieuw leven niet meer zo groot: Jezus had het haar geschonken, zou Hij het zichzelf niet schenken?
Je moet ervoor gaan zitten, maar de evangelist Johannes doorspekt zijn verhaal met verwijzingen naar Gods handelen. Het was de eerste dag, hij spreekt over dat het nog donker was – donker zal nog licht worden – en nog zovele andere beelden verwijzen naar de eerste schepping. Voor Maria Magdalena en voor de apostelen was het toen op dat moment nog ver weg, maar voor ons getuigt het Paasevangelie van een nieuwe schepping die vannacht is ontsproten.
Het paasgeloof begint klein en aarzelend, maar de eerste lezing laat zien dat het vlammetje spoedig oplaait. We horen Petrus in krachtige bewoordingen Jezus’ verrijzenis verkondigen. Stond er in het evangelie nog dat ze niet goed wisten hoe en wat, de eerste lezing is een stevige Paaspreek! Waarbij de link of de sprong zit in het kleine zinnetje aan het einde van het evangelie ‘Hij zag en geloofde’. Begrijpen konden ze het allicht nog niet, maar geloven al wel.
Voor ons betekent het wat de tweede lezing ons voorhoudt: eenmaal tot geloof gekomen zijn we geroepen en bedoeld om onze aandacht voortaan gericht te houden op Hem die ons leven en onze verrijzenis is: ‘Zoekt voortaan Christus en zint op Hem’, met de opdracht het nieuwe leven hier en nu al waar te maken in ons eigen bestaan.
Niks geen verrijzenis, maar alleen de ontdekking van het lege graf. Geloof word je niet zomaar gegeven, maar daar moet je mee aan de slag. En die eerste christenen gaan aan de slag. Ondanks hun verdriet en angst, ondanks alles wat er gebeurd was, kwamen ze toch bij elkaar zoals Jezus gezegd had, ze braken het brood zoals Jezus gevraagd had, ze lazen de Schrift zoals toen met Jezus, ze waren er zoals eerder rond Jezus.
Bij hun samenzijn, hebben ze zich de oude verhalen herinnerd: van God van wie men geloofde dat Hij de Schepper was van hemel en aarde en men las in het scheppingsgedicht in het boek Genesis hoe God licht schiep in doodse duisternis. En ze vierden het joodse paasfeest, dat God het volk bevrijd had uit Egypte en ze lazen de verhalen hierover in het boek Exodus. En natuurlijk klonken er ook de geweldige beelden van al die oude profeten.
En ze voelden samen aan: zou die God die steeds in staat is gebleken iets nieuws te beginnen, ook nu niet opnieuw begonnen zijn? En gaandeweg, vierend, biddend, pratend met elkaar, ontstaat aarzelend, voorzichtig, fluisterend stilaan het gelovige besef ‘Jawel! De Heer is waarlijk verrezen, zoals Hij ook zelf gezegd heeft!’ En met die boodschap gaan ze op weg en worden wij vandaag bevestigd in geloof: ‘De Heer is waarlijk verrezen!’ Om net als Maria en de apostelen de vrede en vreugde van geloof overal te laten zien.
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld drs. Ed Smeets
6 april 2026
Paasmaandag
Lezingen: Hand. 2,14.22-32; Ps. 16; Mat. 28,8-15 (A-jaar)
Inleiding
Handelingen 2,14.22-32
Historici in de antieke wereld maakten graag gebruik van speeches van personen in hun verhaal om aan de lezer de betekenis van gebeurtenissen over te brengen. In veel van de speeches die Lucas in het boek Handelingen plaatst, sluit hij aan bij deze gewoonte. De speeches zijn een soort aankondiging van het programma van Handelingen, en geven commentaar op het verhaal.
Zo ook in deze speech. Het wonder van Pinksteren heeft net plaatsgevonden, met de reactie van sommige omstanders dat de leerlingen dronken zijn. Op dat moment neemt Petrus het woord, als een profeet die bij het orakel van Delphi de extatische uitingen moest vertalen naar gewone mensen. Maar dat is niet wat Petrus doet. De leerlingen waren immers nu niet onverstaanbaar.
Wat Petrus doet is niet de woorden uitleggen, maar de gebeurtenis. Hij sluit aan bij wat ze al weten (Jezus’ wonderdaden en zijn dood), en onderbouwt dit met een uitleg van Psalm 16,8-11. Met zijn toehoorders deelt hij het idee dat deze psalm van David is, de messiaanse koning. De psalm kan echter niet over David zelf gaan, argumenteert Petrus: er wordt immers gezegd dat zijn lichaam geen bederf zal zien, terwijl van David het graf bekend was. Daarom moet de psalm door hem gezegd zijn over een nog te komen Messias, die David kon voorzien. Deze Messias is het, die verrezen is: Jezus.
Matteüs 28, 8-15
Het evangelie van de Paasmaandag begint bij het lege graf, waar de vrouwen bij het graf zojuist van de engel die ze daar ontmoet hebben, te horen hebben gekregen dat ze snel naar de leerlingen moeten gaan om hen het nieuws van de verrijzenis te vertellen. En om hen te zeggen dat de Verrezen Jezus hen voorgaat naar Galilea. De vrouwen doen dat: ‘snel’, zoals de engel hen opgedragen had, en ‘vol angst en met grote vreugde’. De vreugde is begrijpelijk; waar de angst vandaan komt vertelt Matteüs niet. Zijn ze bang om niet geloofd te worden? Bang dat het te mooi is om waar te zijn?
Onderweg naar de leerlingen ontmoeten de vrouwen de Verrezene zelf. Alleen de evangelist Matteüs vertelt ons van deze ontmoeting. De wijze waarop Jezus de vrouwen groet (Chairete) is de meest gewone groet die op dat moment gebruikt wordt, en die tot op de dag van vandaag nog gebruikt wordt. Je zou het goed kunnen vertalen als ‘hallo’. Het klinkt aards, gewoon en dichtbij. Blijkbaar heeft de Verrezene geen behoefte aan een theatrale opkomst: het wonder zelf is genoeg.
De vrouwen doen twee dingen in reactie: ze grijpen Hem bij zijn voeten en vallen voor Hem op hun knieën. Ze grijpen zijn voeten: blijkbaar is de verrijzenis een lichamelijk gebeuren. Dat weerhoudt hen er niet van Hem eer te betuigen (aanbidden). Het is een woord (prosekunesan) uit de cultus van de ‘goddelijke’ keizer. De vrouwen doen dit nu met de verrezen Jezus. De engel die de verrijzenis kwam aankondigen hadden ze niet aanbeden, maar nu aanbidden zij Jezus. Zo komt Matteüs dicht bij een verwoording van Jezus als menselijk en goddelijk: de vrouwen grijpen Jezus bij zijn voeten in alle menselijkheid, en vallen voor Hem op hun knieën als God.
Jezus herhaalt de oproep van de engel aan de vrouwen, maar met een wijziging: Hij spreekt van ‘mijn broeders’ in plaats van ‘zijn leerlingen’. Het is een relevante verschuiving: het zijn de leerlingen die Hem allemaal in de steek gelaten hebben, en in de aanduiding van hen als ‘broeders’ zit heel het evangelie van vergeving verpakt. Wat volgt is een nieuwe uitnodiging om naar Galilea te gaan, of misschien beter, te ‘komen’. Het is een uitnodiging voor een nieuwe ontmoeting met Jezus, een nieuw begin voor de leerlingen die Hem verlaten hebben (26,56).
Het tweede deel van het evangelie van de Paasmaandag vertelt van een tegenmissie. De hogepriesters en de oudsten, de religieuze leiders en de leiders onder de leken komen samen. Ze gebruiken geld om de soldaten te laten liegen. Geld heeft in het evangelie vaak een slechte naam: Het heeft een bijna demonische kracht (‘Niemand kan twee heren dienen’, Mat. 6,24) en kan het een mens onmogelijk maken om Jezus te volgen (‘Hij ging verdrietig weg, want hij had veel bezittingen’ Mat. 19,22).
Een erg goede leugen is het overigens niet. In zijn commentaar op Matteüs vraagt Calvijn al: Hoe konden de soldaten weten dat zijn lichaam gestolen was als het gebeurde toen ze sliepen? Bovendien was in slaap vallen tijdens de wacht iets waar een soldaat normaal gesproken zwaar voor gestraft zou worden. Ze moeten daarom overtuigd worden met veel geld en met de verzekering: Als het de gouverneur ter ore komt, zullen wij hem wel bepraten. Zo komen twee vijanden van het evangelie hier samen: liegend leiderschap en veel geld.
Vers 15 geeft een inkijkje in de eigen tijd van Matteüs: het verhaal van de diefstal is verder verteld, tot in zijn tijd. Het lijkt Matteüs niet erg te deren: er wordt geen suggestie gedaan om het tegen te spreken. De verrijzenis is niet te stoppen gebleken, en dus moeten tegenstanders hun toevlucht nemen tot leugens.
Overigens klinkt de term ‘joods’ in het evangelie van Matteüs alleen uit de mond van heidenen: alleen al daarom is er dus geen reden om in dit vers enig antisemitisme te vermoeden, laat het staan het in die richting uit te leggen. De ironie van het verhaal zet intussen de menselijke zwakheid en Gods kracht tegenover elkaar. De wachters liegen in opdracht dat ze geslapen hebben en dat tijdens hun slaap het lichaam gestolen is, terwijl de leerlingen toen Jezus hen het meest nodig had, in de tuin van Getsemane, daadwerkelijk hebben geslapen (Mat. 26, 40-45). De leerlingen en de vijanden zijn beiden op verschillende manieren onmachtig gebleken, maar de verrijzenis van Jezus is een daad van Gods kracht.
Literatuur
L.T. Johnson, The Acts of the Apostles, Sacra Pagina Series, Liturgical Press, Collegeville MN, 1992.
F.D. Bruner, Matthew, A Commentary. Volume 2: The Church Book. Matthew 13–28, Eerdmans, Grand Rapids MI, 2004.
S. Hauerwas, Matthew, Brazos Theological Commentary on the Bible, Brazos Press, Grand Rapids MI, 2006.
C. Keener, The Gospel of Matthew. A Socio-Rhetorical Commentary, Eerdmans, Grand Rapids MI, 2009.
Preekvoorbeeld
‘Dood en leven streden een wonderlijke strijd.’ Deze versregel komt uit de mooie paashymne Victimae paschali laudes en de boodschap is dat het leven de strijd gewonnen heeft. Maar volgens het verhaal dat we deze paasmaandag lezen, hebben de hogepriesters en oudsten, die Jezus dood wilden, de strijd nog niet opgegeven. Wanneer bewakers van het graf hen komen vertellen dat het graf van Jezus leeg is, krijgen ze een flinke zak geld om de leugen te verspreiden dat de leerlingen het lijk van Jezus hebben gestolen, toen zij - de bewakers - sliepen. De lastige en kritische Jezus is dood en dat moet vooral zo blijven.
De strijd tussen leven en dood is van alle eeuwen. In Oekraïne, Sudan en Palestina bombarderen de adjudanten van de dood ziekenhuizen en scholen, blokkeren ze voedseltransporten en verhandelen ze krijgsgevangenen en gijzelaars als koopwaar. Lijnrecht tegenover hen staan de strijdkrachten van het leven, hulpverleners van de Verenigde Naties, de Rode Halve Maan, het Rode Kruis, Artsen zonder Grenzen en eindeloos veel lokale vrijwilligers die hun eigen leven op het spel zetten om de levens van anderen te redden.
Leven en dood zijn vijanden. Dat komt in de evangelieteksten scherp naar voren. We zeggen soms misschien te gemakkelijk dat de dood bij het leven hoort. Voor de bloemen, planten en dieren mag dat waar zijn. Daar geldt de kringloop van vergaan en ontkiemen. Niet voor niets zijn de narcissen, paashazen en paaseieren populair in de paastijd die vanouds ook een lentetijd is. Maar paashazen, paaseieren en de eeuwige kringloop van vergaan en ontkiemen helpen niet om dichter bij de Verrijzenis van Jezus te komen. Die slaat juist een bres in de kringloop van vergaan en ontkiemen. Jezus verrijst om voorgoed te leven, niet om opnieuw te sterven. Paulus zegt het zo: ‘Wij weten dat Christus, eenmaal uit de doden opgewekt, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem’ (Rom. 6,9).
Met de opstanding van Jezus is ‘deze wereld omgekeerd’, zoals Huub Oosterhuis dichtte. Tekenen daarvan zien we in het paasverhaal van Matteüs. Normaal gesproken bezegelt een grafsteen de overwinning van de dood op het leven, maar de engel gaat triomfantelijk op de weggerolde steen zitten, om te laten zien dat het leven de dood heeft overwonnen. Normaal gesproken ligt de dode in het graf en staan de levenden eromheen. Maar in het paasverhaal komt de dode overeind en vallen de bewakers als dood tegen de grond. Normaal gesproken gaan de levenden op bezoek bij de dode, maar in het paasverhaal van Matteüs komt Jezus, gestorven en begraven, de levenden tegemoet, Maria van Magdala en de andere Maria.
De opstanding van Jezus is geen verlenging van zijn aardse bestaan, maar begin van een nieuw bestaan. Als eerstgeborene van de doden is Hij het begin van een nieuwe schepping. We vieren niet dat Hij langer leeft, maar dat Hij waarachtig en ten volle leeft, dat zijn leven is ontrukt aan de greep van de adjudanten van de dood. Door Hem op te wekken, laat God zien dat de machten van de dood niet het laatste woord hebben, niet in Jezus en ook niet in ons die in Hem geloven. De aanwezigheid van de verrezen Christus is een innerlijke levenskracht, die maakt dat de gelovige ook zelf een nieuwe schepping wordt. Paulus zegt het zo: ‘Iemand die in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbij, het nieuwe is er al’ (2 Kor. 5,17).
Soms staat in een overlijdensadvertentie van iemand die heeft geworsteld met een zware ziekte, dat hij een oneerlijke strijd heeft geleverd – en verloren. Zo voelt het vaak. Maar voor Jezus is iemand die met Hem verbonden blijft, nooit een loser. De eigenlijke strijd speelt zich namelijk niet af tussen vitaliteit en neergang, maar tussen liefde en zelfzucht. ‘Al gaan wij ook ten onder naar de uitwendige mens, ons innerlijk leven vernieuwt zich van dag tot dag’ schrijft Paulus aan de christenen van Korinte, helemaal in de geest van Jezus. Wie in de Mensenzoon gelooft, heeft – nu al - eeuwig leven, zegt Jezus, maar wie leeft in zelfzucht, is nu al dood. Met andere woorden, ook al loop je de marathon, dan wil dit nog niet zeggen dat je waarachtig leeft. En ook al lig je doodziek op bed, dan wil dit nog niet zeggen dat je ten dode bent opgeschreven.
Iemand die in Christus is, is een nieuwe schepping, ook op het randje van de dood. Iemand liet me een schriftje zien van haar onlangs overleden moeder. Die had niet lang voor haar dood een tekst overgeschreven uit het zondagse misboekje. Ik las: ‘Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben.’ Het lezen van die regels, in een wat beverig handschrift overgeschreven, was voor mij een soort Paaservaring.
inleiding dr. Stefan Mangnus OP
preekvoorbeeld dr. Jan Hulshof SM
12 april 2026
Tweede zondag van Pasen
Lezingen: Hand. 2,42-47; Ps. 118; 1 Petr. 1,3-9; Joh. 20,19-31 (A-jaar)
Inleiding
Het evangelie voor deze zondag – waarin de Verrezene zijn wonden toont en Tomas die wonden persoonlijk wil kunnen voelen – kan de indruk wekken dat het vandaag gaat over de betrouwbaarheid van het getuigenis omtrent de verrijzenis. Als we echter het geheel van de lezingen voor deze zondag bekijken, dan zien we dat het accent ergens anders ligt. Het gaat om het leven van de vroege gemeente, dat helemaal in het licht staat van de opstanding.
Handelingen 2,42-47
In het begin van het boek Handelingen lezen we over het leven van de vroege gemeente. Deze passage staat niet op zich: het eerste deel van Handelingen wordt telkens onderbroken door korte momentopnamen van de vroege gemeente: na 1,14 en 2,42-47 nog 4,32-37; 5,12-16; 5,41v; 8,1-3; 11,19-30 en 12,24. De perikoop van vandaag vertelt over trouw aan het onderwijs van de apostelen, de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed (v. 42). Het zijn de pijlers van het kerk-zijn: trouw aan het Woord zoals dat is overgeleverd, saamhorig in gemeenschap, verzameld rond brood en wijn, verbonden in gebed. In de verzen 44-47 worden deze vier elementen wat nader ingekleurd, waarmee ze meteen al wat problematischer worden voor ons. Bij het onderricht horen wonderen en tekenen. Bij de onderlinge gemeenschap hoort dat alle bezit gemeenschappelijk is. Bij het breken van het brood en bij het gebed, ten slotte, hoort dat je dat dagelijks doet en daarbij ook samen de maaltijd gebruikt. Allemaal zaken waar we nu voor terugdeinzen.
Nu heeft Handelingen wel de neiging een idealistisch beeld te tekenen van de vroege gemeente. Er waren ook spanningen, zoals blijkt uit de manier waarop Ananias en Saffira proberen te sjoemelen met het delen van bezit (5,1-11) en uit de richtingenstrijd tussen ‘Hebreeën’ en ‘hellenisten’ (6,1). Zonder iets af te willen dingen op het hooggestemde ideaal, is het wel duidelijk dat het Handelingen niet gaat om een beschrijving van hoe het er feitelijk aan toeging, als wel om een blauwdruk van een gemeente die geraakt is door de verrijzenis en daaruit wil leven.
Het lijkt misschien vreemd deze passage te lezen op Beloken Pasen, terwijl het leven van de vroege gemeente gebaseerd is op de gebeurtenissen van Pinksteren (2,1-40). Toch is deze keuze goed te verdedigen. In de vroege kerk werd aanvankelijk nauwelijks onderscheid gemaakt tussen Pasen en Pinksteren: de verrijzenis en de gave van de Geest waren nog niet liturgisch uit elkaar getrokken. Het boek Handelingen begint waar het Evangelie volgens Lucas eindigt: bij de hemelvaart, waar dezelfde in het wit geklede gestalten aanwezig zijn als bij de verrijzenis (Luc. 24,4; Hand. 1,10). De hemelvaart, twee keer verteld, aan het einde van het Lucasevangelie en aan het begin van Handelingen, werkt als een scharnier, die Pasen en Pinksteren verbindt. De gedachte was dat Jezus bij zijn opgang naar de hemel de apostelen een tweevoudige gave heeft gegeven: het Woord (Tora, Wet) en de Geest, die dat alles te binnen zal brengen. We zien dit nog terug in het evangelie voor deze zondag, wanneer Jezus de leerlingen hun opdracht geeft en over hen ademt met de woorden ‘Ontvangt de heilige Geest.’
Psalm 118
De antwoordpsalm 118 biedt een mooie brug tussen de lezingen. De dagelijkse lofprijzing van Handelingen 2,47 wordt door ons als vierende gemeente opgepakt als wij in het responsorium zingen: ‘Dank de Heer, want Hij is goed, zijn liefde kent geen grenzen’ (Ps. 118,1).
Spannend wordt het wanneer de gemeente ook vers 17 in de mond neemt: ‘Ik ben niet gedood, nee, ik leef.’
Hier is een waarschuwing op zijn plaats. De gewoonte om de psalmen te lezen als vooruitwijzingen naar Christus is erg oud, maar niet zonder gevaar. Het is veiliger en correcter om te zeggen dat de vroege gemeente, in de ervaring dat er ondanks moeilijkheden toch perspectief is, zichzelf inleefde in sterven en verrijzen van Christus en zich daarmee het vertrouwde psalmwoord eigen kon maken: ‘ik ben niet dood, ik leef.’ Dat kan de vierende gemeente nú nazingen: ondanks ‘pijnlijke beproevingen’ zijn wij – in het licht van Pasen – niet aan de dood prijsgegeven (v. 18).
1 Petrus 1,3-9
Toegeschreven aan de apostel Petrus, is deze brief ongetwijfeld van de hand van een latere schrijver die zichzelf wilde plaatsen in een traditie die zich beriep op de apostel Petrus. Zoals je mag verwachten, gezien de toeschrijving aan Petrus, vertoont de brief een beeld van de vroege gemeente dat overeenkomt met het beeld dat in het begin van Handelingen geschetst wordt: de opstanding van Christus betekent voor de gemeente nieuw leven. Niettemin verraadt 1 Petrus toch wel zijn late ontstaan: er is sprake van beproevingen, en het gevoel van het ‘nu’ van de vroege gemeente die leeft in de verrijzenis, begint te verschuiven naar een denken in termen van verwachting.
De beproevingen (v. 6) hebben mogelijk te maken met incidentele vervolgingen in Klein-Azië, waar deze brief gesitueerd moet worden. Misschien is er ook sprake van maatschappelijke weerstand tegen de vroege gemeente. Het begrip beproevingen herinnert aan Psalm 118,18, maar terwijl het in de psalm de Eeuwige is die uitkomst brengt, is het in 1 Petrus de gelovige die zijn geloof (of vertrouwen, dat is hetzelfde woord) moet bewijzen (v. 7). Dat het denken zich ondertussen meer in de richting van de langere termijn begeeft, is te zien aan de voorschriften die 1 Petrus 2,4-10 geeft voor het gemeenteleven. Het gemeenteleven dat in Handelingen zo vanzelf ging, wordt nu gestructureerd.
Zie: dr. P. van Veldhuizen, ‘De eerste brief van Petrus. In de wereld staan’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103
Johannes 20,19-31
De passage bestaat uit drie delen. In het eerste deel, 19-23, verschijnt Jezus aan de leerlingen. In het tweede deel, 24-29, verschijnt Hij ook aan Tomas. Het derde deel, 30-31, is het eerste slot van het Johannesevangelie (Joh. 21 is naar algemene overtuiging later toegevoegd). In het eerste deel zit een akelig stukje, namelijk dat uit vrees (v. 19) voor de Judeeërs – of de joodse leiders – de deuren gesloten zijn. Bijbels gezien zou vrees eerder op zijn plaats zijn bij het verschijnen van de Eeuwige. Het toont dat de leerlingen hun prioriteiten niet op orde hebben. Het herhaalde ‘vrede’ van de kant van Jezus (20,19.21.26) brengt ze weer bij de les.
Die les is het Pinkstermotief, dat wat de vroege gemeente beweegt: de opdracht (20,21) en de adem van de heilige Geest (20,22). Daarin zit een toespeling op Genesis 2,7, Ezechiël 37,9 en Wijsheid 15,11: de adem van de Geest is de levensadem. De leerlingen zijn zelf herschapen en krijgen tegelijk de opdracht mee tot herschepping. De vroege gemeente is zelf een zichtbare nieuwe schepping.
In het tweede stuk ligt de nadruk op het zien van Tomas. Wat wil hij nu eigenlijk? Voelen als bewijs dat de Verrezene echt is? Zou hij anders niet willen geloven? De tekst lijkt het te suggereren, als Jezus tot hem zegt ‘wees niet langer ongelovig’ en ‘omdat je gezien hebt heb je geloofd’ (20,27.29). Dat laatste is zeker waar, maar zien is niet voelen. Dat voelen heeft zelfs niet eens plaatsgevonden, het staat er althans niet. Tomas is niet op grond van voelen tot geloof gekomen. Het is goed nog eens beter te kijken naar dat voelen waar Tomas het over heeft.
In het evangelie komt Tomas naar voren als iemand die een sterke betrokkenheid heeft op het lijden. Hij was bereid mee te gaan naar de gestorven Lazarus: ‘laten wij ook gaan om samen met hem te sterven’ (Joh. 11,16). Vanuit die optiek verbaast het niet dat hij nu zegt dat hij zijn handen in Jezus zijde wil steken. Letterlijk staat er ‘invoegen’ of ‘inwerpen’ (Grieks: eisballoo, 20,25). Voor ‘wond’ staat er in het Grieks tupos, ‘merkteken’. Hij wil dus invoegen in de zichtbare merktekens van Jezus’ lijden en sterven.
Merk in dit verband op, dat bij Lucas de wonden helemaal afwezig zijn: daar toont Jezus zijn handen en voeten (Luc. 24,39). Bij Johannes daarentegen worden de wonden uitdrukkelijk genoemd, omdat zij merktekenen zijn dat Jezus zijn leven gegeven heeft voor zijn vrienden (15,9-17). Pas ten overstaan van Hem die invoelbaar door het lijden gegaan is, is Tomas bereid te getuigen ‘Mijn Heer en mijn God’ (v. 28).
Van deze scène zijn tal van schilderijen gemaakt. Sommige, bijvoorbeeld van Rubens en Rembrandt, tonen hoe Tomas uitgenodigd wordt zijn hand in Jezus’ zijde te steken, zonder dat daadwerkelijk te doen. Tekstueel gezien hebben deze schilderijen het bij het juiste eind. Er zijn er ook, denk aan Caravaggio, die Tomas’ vingers stevig in de wond van Jezus’ zijde zetten. Zij hebben het inhoudelijk bij het rechte eind.
Het is zoals Blaise Pascal (1623-1662) het verwoordde in zijn Pensées: ‘Ik meen dat Christus na zijn opstanding alleen toeliet dat zijn wonden werden aangeraakt … Alleen met zijn lijden mogen wij één worden.’
Literatuur
Tomáš Halík, Raak de wonden aan. Utrecht: KokBoekencentrum, 2018
Blaise Pascal, Gedachten. Vertaling Frank de Graaff. Amsterdam: Boom, 2024: citaat Fr. 943 (Lafuma).
Preekvoorbeeld
Goed samenleven
Wat is goed samenleven? Een actuele vraag voor ons, maar ook voor de eerste christelijke gemeenschappen. De lezing uit Handelingen vertelt ons wat ‘goed samenleven’ is. We leren wat de belangrijkste dingen zijn: onderwijs, brood delen en samen bidden. Deze pijlers kunnen we ook vandaag de dag als richtinggevend zien. Het gaat over alle aspecten van het menselijk bestaan. Het geestelijke, het lichamelijke en het spirituele. Altijd in een horizontale en verticale lijn. In verbinding met elkaar en met God.
Diaconie
Goed samenleven gaat over diaconie: ‘brood delen’. Niet ‘brood eten’ of ‘brood hebben’. Het delen is belangrijker dan het bezitten. Want we lezen dat eigendommen en bezittingen worden verdeeld onder ‘hen die het nodig hebben’. De jonge gemeenschap weet dat niet het belang van het individu maar van de groep bovenaan moet staan om te kunnen overleven.
Dat kan ons vandaag aan het denken zetten, want onze samenleving is juist steeds meer geïndividualiseerd, geseculariseerd en gematerialiseerd. Belastinggeld uitgeven aan sociale zekerheid, onderwijs en zorg moet steeds meer bevochten worden. Belangrijke politieke thema’s zijn gericht op grensbewaking en defensie. Waar we tegenwoordig sneller het gevoel hebben dat ons tekort wordt gedaan, lijken de eerste christenen daar minder moeite mee te hebben. Het materiele was slechts facilitair. Je hoeft niet meer te hebben dan je gebruikt. De rest ging naar degenen die iets nodig hadden. Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.
Eén lichaam
Het past in de beeldspraak van Paulus die de gemeenschap voorstelt als een lichaam. In een lichaam gaan de ledematen ook niet voor het eigenbelang. Voeding wordt eerlijk verdeeld. De rechterhand heeft er niks aan om meer te krijgen dan de linkerhand. Alle ledematen moeten samenwerken, hebben een functie en zijn belangrijk op de eigen manier. Christus is voor ons het hoofd van de gemeenschap; bron van kennis en wijsheid.
Maar Christus is ook het brood dat gebroken wordt. Dat zichzelf uitdeelt en zo ons tot voedsel wordt. Jezus deelt zichzelf niet alleen uit om ons te voeden, maar ook om voor te doen hoe wij moeten leven. We leven niet door te eten maar door te delen. Het lichaam gaat hier dus niet over het individu, maar over goed samenleven.
Leren, delen en bidden
Leren, delen en bidden geven ons een eigen perspectief op de tijd. Leren gaat over het verleden, maar is gericht op de toekomst; we kunnen profiteren van eerder op gedane kennis, we hoeven niet alles zelf te ervaren of te bedenken. Daar zijn we als mensen uniek in. Ook dieren leren van elkaar. Maar het geschreven woord maakt mogelijk dat wij iets weten van het verleden. Zoals de eerste christelijke gemeenten wiens ervaringen zijn beschreven in de Handelingen van de Apostelen. Dit is een vorm van kennis delen.
Het delen van brood vertegenwoordigt het hier en nu. Want ‘heden ons dagelijks brood’ hebben wij nodig om te kunnen leven. Daar zijn we als mensen universeel in.
Het gebed is hetgeen waarop we gericht zijn. Het vertegenwoordigt onze zorgen, verlangens en idealen. Jezus is ons dagelijks brood, Hij is gebroken en heeft zichzelf uitgedeeld om ons tot voedsel te zijn. Jezus is het richtpunt van ons gebed, Hij leerde ons wat goed samenleven is en liefde de bron van ons leven. Hij bad ons voor dat wij God mogen aanspreken met Abba. God als een zorgzame en liefhebbende ouder en de gemeenschap als fratelli en sorelli: een familie.
Eucharistie
Met deze drie elementen: leren, delen en bidden, kunnen we vandaag het Paasverhaal lezen. Jezus is gestorven aan het kruis. Talloze keren heeft Hij in parabels de leerlingen geprobeerd uit te leggen wie Hij was en wat zijn lot was. Maar echt snappen konden ze het niet. Ze konden er met hun hoofd niet bij. Totdat Hij brak aan het kruis en zijn boodschap van naastenliefde bij de leerlingen ‘binnenkwam’, werd geïncorporeerd. Delen is en blijft de manier waarop Jezus zich kenbaar maakt. In het breken van het brood. Een krachtig gebaar dat wij op zondag in herinnering roepen als het onderscheidend teken van de christelijke gemeenschap. Het verbindt ons met ons met andere christenen in de wereld en de eerste christelijke gemeenschappen. In de eucharistie kunnen we dat ervaren met heel ons lichaam. We zijn immers niet alleen een hoofd we zijn ook een lijf. Ook al leven we in een cultuur die zich graag terugtrekt in het hoofd, of, erger nog achter een scherm.
Ongelovige Tomas
Apostel Tomas wil niet afgaan op ‘van horen zeggen’ en ‘uit de tweede hand’. Hij wil zélf zijn handen in de wonden leggen. Dat is niet alleen een intieme manier om zijn vriend lichamelijk nabij te komen, maar vooral geestelijk en spiritueel. Tomas heet in de volksmond ‘ongelovige Tomas’ omdat hij dit zogenaamd tastbare bewijs nodig had. Maar we leren van theoloog en priester Tomáŝ Halík een andere interpretatie. Apostel Tomas was juist degene die een stap verder ging dan de andere leerlingen, omdat hij de pijn van Jezus’ gebrokenheid wilde meevoelen. Dit is echt compassie, medelijden. Hij nam de verrijzenis niet voorlief maar wilde ook delen in de pijn en het lijden die eraan voorafgingen. Om vervolgens tot geloof en gebed te komen. Het begin van het verspreiden van de boodschap van Jezus.
Als we deze gerichtheid op de ander, het meevoelen met diens lijden, navolgen, komen we bijna vanzelfsprekend uit bij de kwetsbaren in de gemeenschap met wie we onze overvloed moeten delen. Want goed samenleven is de kern van het christelijk geloof en de levensopdracht van ieder mens van goede wil.
Want zoals Tomas de handen in de wonden van Jezus legde om tot geloof te komen, kunnen wij, die niet zien maar wel geloven, onze handen uitstrekken naar de kwetsbaren van onze samenleving: de alleenstaanden, de armen, de vluchtelingen, die zieken en de kwetsbaren. Onze compassie houdt niet op bij Jezus, maar begint er. Het meevoelen met het lijden van de ander als startpunt van geloof.
inleiding dr. Arie Troost
preekvoorbeeld dr. Sanneke Brouwers
19 april 2026
Derde zondag van Pasen
Lezingen: Hand. 2,14 en 22-33; Ps. 16; 1 Petr. 1,17-21; Luc. 24,13-35 (A-jaar)
Inleiding
Handelingen 2,14.22-32
In deze keuze uit de rede van Petrus worden Pasen en Pinksteren bijna op dezelfde dag gehouden, omdat het een passage uit een Pinksterpreek van Petrus betreft. Dat is op zich een goede zaak: de twee feesten vallen binnen één liturgische tijd, die ook de ervaringen van de dood, verrijzenis, verheerlijking (hemelvaart) van Christus en de gave van de Geest in gedachten houdt en deze als een coherent geheel presenteert. Petrus verschijnt in de rol van Israëliet die tot zijn mede-Israëlieten spreekt; dit gebeurt op een wijze die past in de joodse traditie, meer specifiek in de traditie van de Psalmen zoals die als profetisch boek werden gelezen.
Naast de feitelijke inhoud biedt deze rede van Petrus ook een historisch interessant overzicht van de verkondiging en interpretatie van de Schrift in het vroege christendom. Petrus maakt in zijn rede een dubbele beweging. Het betreft meer dan alleen ‘Jezus teruglezen in het Oude Testament’ – het lot van Jezus wordt eerder belicht in relatie tot wat er ook in de Schriften te lezen is. Alleen in dat licht is het mogelijk om te begrijpen wie Jezus is en wat er met Hem is voorgevallen. Deze oude teksten worden tegelijkertijd op een nieuwe manier van belang; wat ze zeggen over David (en over hem) krijgt ook een concrete vorm in het leven, sterven en opstanding van Jezus van Nazaret.
Dit dubbele effect van heilige, canonieke teksten is kenmerkend voor hun genre: nieuwe gebeurtenissen worden in hun licht verstaan, terwijl deze gebeurtenissen op hun beurt een nieuw perspectief bieden op de oude teksten en hen op een nieuwe manier tot leven brengen.
Psalm 16
Dit danklied, toegeschreven aan David, is de psalm die Petrus uitvoerig gebruikt in zijn toespraak in de Handelingen van de Apostelen. De tekst vindt mogelijk zijn oorsprong in een danklied over een gelofte; in ieder geval werd de inhoud in dat licht gelezen toen het gedicht zijn titel kreeg. De ‘oorspronkelijke’ betekenis van deze poëtische tekst, waarin de betrouwbaarheid van God en zijn blijvende nabijheid en ondersteuning centraal staan, is op deze zondag slechts gedeeltelijk relevant. Het is vooral van belang om de dood en verrijzenis van Christus te verstaan in het kader van de psalm, evenals de psalm in het licht van deze gebeurtenissen.
1 Petrus 1,17-21
Deze mooie zinnen van het eerste hoofdstuk van de eerste brief aan Petrus bieden de lezer een bijzondere kijk op het lijden en de opstanding van Christus. De zinnen zijn deel van een bredere bemoediging en zelfs vermaning van de oorspronkelijke adressanten, die in geloof moesten blijven in een moeilijke situatie.
De belangrijkste uitdagingen in die de brief in deze en de voorafgaande zinnen voorkomen, zijn enerzijds: niet toegeven aan ‘lusten’, en anderzijds: je vertrouwen (pistis, wat ‘geloof’ betekent – vgl. v. 21) richten op niets of niemand anders dan op God en op wat Hij heeft bewerkt door het bloed van Jezus Christus. Zijn bloed wordt beschouwd als het bloed van een smetteloos lam (v. 19): om mensen te reinigen zodat zij bij de wederkomst van Christus ook genade zullen ontvangen (v. 13). Deze metafoor van het reinigende bloed van Christus, als dat van een smetteloos lam, vindt zijn oorsprong in opvattingen over de werking van offers.
Het draait minder om het feit dat Christus een offer is, maar vooral om het vergieten van het bloed van Christus, dat dezelfde effecten heeft als een offer, namelijk het reinigen van mensen. Het is bovendien niet de enige metafoor voor de verlossing in de brief (zie ook v. 3: herboren worden door de verrijzenis). De brief geeft niet aan hoe dit allemaal precies in zijn werk gaat, maar maakt via een aantal beelden en vergelijkingen wel duidelijk dat het werkt. Misschien lijkt dit ook op de ervaring van de eerste Christenen; zonder te begrijpen hoe alles precies verliep, ervoeren ze in de Geest dat God in de dood en opstanding van Jezus ook voor hen nieuw leven bewerkstelligde.
Zie: dr. P. van Veldhuizen, ‘De eerste brief van Petrus. In de wereld staan’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103
Lucas 24,13-35
Het verhaal van de twee leerlingen op weg naar Emmaüs behoort tot de meest bekende en geliefde teksten uit het Nieuwe Testament. Tijdens het feest van Pasen, dat vijftig dagen aanhoudt, is het op de derde zondag van dit feest heel passend om te lezen dat de leerlingen moeten leren omgaan met de verrezen Heer als iets dat meer is dan alleen een droom. Het is een zeer uitgebreid verhaal, waarin verschillende motieven spelen. Het kan bijvoorbeeld met recht worden beschouwd als een verhaal over het verwerken van een trauma, met name het trauma van de dood van Jezus (vgl. vv. 19-21), wat alle hoop van de leerlingen heeft verwoest.
Door mentaal en fysiek een pad te volgen, kunnen ze geleidelijk gebeurtenissen in een breder perspectief bekijken – dat van de Schriften en van het bredere verhaal waarin ze zich bevinden – en het op die manier in het eigen levensverhaal integreren om zo verder door het leven te kunnen gaan. Is deze dynamiek – met zijn focus op tijd, die essentieel is voor een weg, begeleiding, zoals die van Jezus, gemeenschap, zoals die tussen de Emmaüsgangers en Jezus, rituelen en voedsel, zoals die in de avondlijke maaltijd aanwezig zijn –, niet ook toepasbaar op andere traumasituaties?
Een ander aspect van het verhaal betreft de wijze waarop Jezus aanwezig is en voor beide leerlingen, Kleopas en zijn medeleerling, herkenbaar is. Dit is de meest evidente thematiek in het verhaal: Jezus start onherkenbaar – de Verrezene is niet te begrijpen – en wordt daarna in meer of mindere mate als een mogelijkheid of zelfs noodzaak (vgl. v. 26 en het daar genoemde ‘moeten’ lijden) binnen de Schriften geplaatst, en wordt vervolgens een ervaarbare werkelijkheid in de gemeenschap van de maaltijd. Dit roept verschillende vragen op over de wijze waarop de Verrezene onzichtbaar en onherkenbaar is en ontdekt en ontmoet moet worden; ook in een tijd en in een samenleving waarin, net als in de eerste eeuw, leven dat sterker is dan de dood bijna niet te begrijpen is.
Uiteindelijk zou je je ook kunnen afvragen wat Jezus zo opvallend maakt bij het breken van het brood (vv. 30 en met nadruk 35). Misschien hangt dat samen met de paradox dat het breken en delen van het brood, vergelijkbaar met het breken van Jezus' lichaam aan het kruis, communio is en daardoor gemeenschap bevordert? Het zou mooi aansluiten bij de focus die in de liturgie ligt op het rituele breken van het brood als de voorlaatste essentiële handeling van de Eucharistie, ondersteund door het ‘Lam Gods’ (zie v. 30 voor de vier essentiële handelingen in de Eucharistie: nemen – dankzeggen – breken – delen; deze handelingen verschijnen ook in het laatste avondmaal en bij de wonderlijke spijzigingen in hun diverse nieuwtestamentische varianten).
Preekvoorbeeld
Ze hadden de opgestane Heer ontmoet, de Emmaüsgangers. Op zondagmiddag, die allereerste zondag na Goede Vrijdag. Maar een tijdlang hadden ze helemaal niet doorgehad dat Hij het was. Dat vind ik altijd weer een spannende gedachte: ze herkenden Hem niet aan zijn uiterlijk. Niet aan zijn kleren, niet aan zijn tred, niet aan zijn oogopslag, niet aan zijn stem. Maar wél aan de manier waarop Hij het brood met hen brak. Ze hadden een tijd samen opgelopen, ze hadden gepraat, stilgestaan en elkaar aangekeken; ze hadden Hem zelfs verteld dat er geruchten gingen dat Jezus zou zijn opgestaan uit de dood; ze waren weer verder gelopen, hadden Hem binnengevraagd, eten klaargemaakt. Al die tijd hadden ze wél het gevoel: dit is bijzonder, deze ontmoeting doet iets met ons. Maar dat Hij het was, dat ze met de Opgestane aan tafel zaten – dat drong pas door toen Hij brood nam, ervoor dankte, het brak en het aan hen uitdeelde.
Nemen, danken, breken, delen: die vierslag komt telkens weer voor in de verhalen over Jezus. Zo staat het er bij de wonderbare spijziging waar Jezus duizenden mensen voedt. Zo staat het er ook bij het Laatste Avondmaal. Als Paulus aan de gemeente van Korinte instructie geeft over hoe je in de kerk de maaltijd van Jezus viert, benoemt hij het precies zo: we denken aan Jezus en hoe Hij het brood nam, dankte, brak, deelde.
Wat Jezus uitdeelde, was de liefde van God die Hij zelf belichaamde. Hij deelde zichzelf uit, blijkbaar heel tastbaar voor de mensen die erbij waren. Hij deelde niet iets uit wat Hij gemakkelijk kon missen, de restjes waar Hij zelf toch niets meer mee deed: Hij deelde echt zichzelf uit, Hij legde zijn hele ziel en zaligheid in het brood, en in de woorden die Hij erbij sprak.
Breken en delen – veel dingen kun je niet delen als je ze heel wilt houden. En veel kun je niet weggeven als je jezelf heel wilt houden. Jezus heeft zichzelf niet heel gehouden. Om zijn leerlingen ervan te verzekeren dat Gods liefde ons zelfs door lijden en dood heen draagt, heeft Hij zijn eigen heelheid opgegeven. Hij heeft zich laten breken om het leven uit te kunnen delen.
In minder heftige mate kennen we dat misschien wel allemaal: om anderen te kunnen geven wat je ze heel graag wilt geven, moet je zelf iets opgeven, van iets afzien. Je eigen gave leventje moet soms gebroken worden om te kunnen uitdelen wat je anderen gunt. Je tijd, die je soms zo graag helemaal voor jezelf zou hebben: daar breek je een stuk af voor je kinderen of kleinkinderen, een stuk voor je ouders, stukken voor buren en vrienden, een stuk voor de kerk of de vereniging. Breken en uitdelen, je doet het met je tijd, met je geld, soms ook met je zielenrust. Het is de beweging van Christus, de beweging van God.
We horen in de Paastijd dat de opgestane Heer zijn wonden laat zien. Hij heeft niet zijn gebroken lichaam ingewisseld voor iets nieuws. De sporen van zijn gebrokenheid blijven bewaard, ze zijn als het ware opgenomen, geïntegreerd in zijn nieuwe heelheid. Het nieuwe leven is niet alsof er nooit wat gebeurd is. Het nieuwe leven tilt alles wat er gebeurd is op en geeft het glans.
Het doet me denken aan die Japanse manier om met gebroken aardewerk om te gaan – dat heet kintsugi. De lijmnaden worden niet onzichtbaar gemaakt, maar juist extra zichtbaar, de breuklijnen aangezet met goudverf of zilververf. Wie kintsugi beoefent, realiseert zich al doende dat elke breuk ook iets toevoegt aan het leven. Er is niet alleen een verloren heelheid die nooit meer terugkomt, maar ook een nieuwe heelheid waarin de breuklijnen en de opgelopen wonden worden geëerd. De littekens van de Heer zijn eretekenen geworden. Sommige pijnpunten in je eigen geschiedenis zijn ankerpunten geworden. Je hebt geleden, maar het heeft je ook gevormd.
Breken en delen. Jezus brak brood en deelde het uit, en de mensen voelden dat Hij zichzelf uitdeelde, en mét zichzelf de liefde van God. Dat is hoe Jezus zich kenbaar maakte aan die twee leerlingen in Emmaüs en later ook nog aan anderen. Dat gebaar is tot rituele praktijk geworden in de eucharistie, en op allerlei manieren is het ook levende praktijk in uw en mijn leven. De oude heelheid, die van ons ongestoorde leven, wordt stukgebroken om te kunnen delen. Zo zijn we onderweg naar de nieuwe heelheid – niet van ons ongestoorde leven maar van Gods rijk dat ons allemaal verbindt, met elkaar, met heel de schepping, met Christus, met God. Lof zij U Christus!
inleiding prof. dr. Peter-Ben Smit
preekvoorbeeld dr. Piet van Veldhuizen
26 april 2026
Vierde zondag van Pasen
Lezingen: Hand. 2,14a en 36-41; Ps. 23; 1 Petr. 2,20b-25; Joh. 10,1-10 (A-jaar)
Inleiding
Het motief van de herder loopt als een rode draad door de lezingen van deze zondag. In Psalm 23 noemt de psalmist God vol vertrouwen ‘mijn herder’; de brief van Petrus heeft het over de ronddwalende schapen die de weg naar de herder hebben teruggevonden; in de lezing uit het Johannesevangelie identificeert Jezus zich met de herder; en ook al ontbreekt de term er, ook in de toespraak van Petrus in Handelingen, klinkt het motief door: zoals een herder roept God allen tot zich.
Handelingen 2,40 – ‘Laat u redden…’
Na het Pinkstergebeuren, waarover Handelingen 2,1-13 verhaalde, spreekt Petrus, samen met de elf andere apostelen – Judas was intussen vervangen door Mattias –, de samengestroomde joodse menigte toe in Jeruzalem. Vers 36, waarmee de lezing van vandaag begint, bevat de laatste woorden van deze toespraak van Petrus. Het is een ware geloofsbelijdenis: ‘Jezus, die u gekruisigd hebt, is door God tot Heer en messias aangesteld’.
Petrus’ toespraak raakt de toehoorders. Ze willen weten wat hen nu te doen staat. Petrus’ antwoord is eenvoudig en moeilijk tegelijkertijd. Ze moeten zich bekeren en laten dopen; dan zal Gods Geest ook over hen komen. Drieduizend mensen laten zich dopen, en worden zo leerling van de verrezen Jezus. Ook al ontbreekt de herdersmetafoor, de vermelding dat God eenieder tot zich roept (v.39), doet ongetwijfeld denken aan de metafoor van de herder en de schapen, die de stem van hun meester volgen en zo in veiligheid kunnen leven – ‘gered’ worden.
Psalm 23,1 – ‘De heer is mijn herder’
Psalm 23 is ongetwijfeld een van de bekendste gedichten uit het boek Psalmen. Na Psalm 22, waarin de Psalmist zijn godsverlatenheid uitschreeuwde – ‘Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ – ademt Psalm 23 vertrouwen.
In het opschrift is vermeld dat Psalm 23 een ‘psalm van David’ is. Er is veel onzekerheid over het auteurschap van de Psalmen, en over de vraag of de bijbelse koning David – als hij al een historische figuur was – effectief de auteur was van deze psalm (en andere psalmen die aan hem worden toegeschreven).
In ieder geval sluit Psalm 23 duidelijk aan bij de verhalen die over David in het Oude Testament zijn overgeleverd. De beeldspraak van de herder (v. 1) past goed bij David, die, blijkens 1 Samuel 16,11, een herdersjongen was.
Psalm 23 geniet dankzij de bucolische beelden vooral en terecht bekendheid als een psalm waarin God wordt beschreven als een herder (v. 1) – ook de rest van de terminologie in de eerste verzen van de psalm evoceren de wereld van de herder: ‘groene weiden’ (v. 2), ‘vredig water’ (v. 2), ‘veilige paden’ (v. 3), ‘donkere dalen’ (v. 4) en ‘stok en staf’ (v. 4). Het is een van de zeldzame teksten uit het boek Psalmen waar God als herder van een individu wordt benoemd. Het beeld van God als degene die het volk hoedt komt meer voor (zie bijvoorbeeld Ps. 28,9; 74,1; 79,13; 80,2).
Hoewel de herdersmetafoor typerend is voor Psalm 23, mag men niet uit het oog verliezen dat er nog een ander beeld aan bod komt. Immers, in de verzen 5-6 geldt God veeleer als gastheer dan als herder. Zoals een ideale gastheer zalft Hij het hoofd van zijn gasten – die Hij nota bene uitnodigt voor het oog van de vijand – met olie (v. 5).
In vers 6 verlaat de psalmist de beeldtaal, en benoemt hij waar het in werkelijkheid over gaat: ‘geluk en genade’ voor wie op God vertrouwt. Het vervolg van het vers maakt het nog concreter: Psalm 23 sluit af met de wens voor altijd in Gods huis – de tempel – te mogen vertoeven. Dit suggereert misschien dat de auteur van deze psalm iemand was die nauw bij de tempeldienst was betrokken.
De algemene teneur van Psalm 23 – ook al is hij misschien ooit voor een concrete situatie geschreven – maakt dat hij, als een lied van vertrouwen op God, breed toepasselijk is.
1 Petrus 2,25 – ‘U bent naar uw herder teruggekeerd’
1 Petrus 2,20b-25 bekleedt een centrale plaats in de brief, die een pseudepigrafisch geschrift is dat op naam van Petrus is gezet. Zoals blijkt uit het eerste vers van de perikoop (v. 18), dat evenwel geen deel is van de lezing op deze zondag, richt de tekst zich tot de ‘huisslaven.’ Van hen wordt verwacht dat ze ontzag hebben voor hun meester, hoe deze zich ook gedraagt. Het is zelfs een teken van Gods genade wanneer men onverdiend leed kan verdragen, zo betoogt de auteur van de brief. Daarin is Christus hen voorgegaan. Net zoals Jezus moeten derhalve ook zijn volgelingen bereid zijn onverdiend leed te verdragen en in zijn voetsporen te treden (v. 21).
De auteur van deze passage heeft duidelijk het vierde lied van de Lijdende Dienaar (Jes. 52,13–53,12) voor ogen. Dat blijkt uit het feit dat hij er verschillende motieven en uitdrukkingen uit opneemt. Jezus Christus leed, zoals de lijdende dienaar leed. Tegelijkertijd bracht zijn lijden redding. Ook de thematiek van de ronddwalende schapen aan het einde van de perikoop (1 Petr. 2,25) refereert aan deze tekst uit Jesaja: ‘Wij dwaalden rond als schapen’ (Jes. 53,4). Maar dankzij de herder kwamen zij – en komen wij – van zonde tot gerechtigheid (1 Petr. 2,24v).
Zie: dr. P. van Veldhuizen, ‘De eerste brief van Petrus. In de wereld staan’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en brieven, Vught 2017, 94-103
Johannes 10,11 – ‘Ik ben de goede herder’
Met de woorden ‘Werkelijk, ik verzeker u’ (Joh. 10,1) vervolgt Jezus zijn redevoering van Johannes 9. Nadat de farizeeën de genezen blindgeborene het vuur aan de schenen hadden gelegd, openbaart Jezus zichzelf als de ‘Mensenzoon’ (Joh. 9,35) – een titel waarmee Jezus in het Johannesevangelie naar zichzelf als de Messias verwijst.
In Johannes 10,1-10 gaat Jezus in op de verschillen tussen een dief en een herder. Vooreerst benadrukt Hij dat er een verschil is in de wijze waarop een dief of een herder een kraal binnengaat (veelal vertaalt men de Griekse term aulè ten onrechte als schaapskooi, waarmee een soort gesloten stal wordt bedoeld; een kraal daarentegen is een open, omheinde ruimte). Vooreerst gaat een herder recht op de deur af; een dief daarentegen zal niet langs de deur proberen binnen te gaan, maar over de omheining trachten te klauteren. Daarnaast herkent de bewaker de herder, en zal hij de deur voor hem openmaken, wat hij trouwens voor iemand die hij niet kent niet zou doen. Tenslotte herkennen ook de schapen de stem van de herder, en volgen ze hem naar buiten, hetgeen ze met een dief die ze niet kennen niet zouden doen; integendeel, ze zouden veeleer van hem wegvluchten.
Jezus karakteriseert zijn woorden als een paroimia (Joh. 10,6) – wellicht kan de term hier het best als ‘gelijkenis’ of ‘allegorie’ worden geïnterpreteerd. Waarschijnlijk richtte Hij ze tot de farizeeën, die Hij ook reeds in Johannes 9,40 had toegesproken (vgl. Joh. 10,6: ‘Hij vertelde hun deze gelijkenis’). Echter, ze begrepen de gelijkenis niet (Joh. 10,6). In het vervolg van de perikoop belichaamt Jezus de deur van de schaapskraal (Joh. 10,7): een deur beschermt niet alleen tegen indringers, maar biedt ook toegang voor wie het goed voorheeft met de kudde. In de nauwe opening van de kraal gaat de herder wijdbeens op twee stenen staan, de schapen gaan één voor één onder hem door naar binnen, hij is de deur, onderwijl telt hij ze.
Door de uitspraak ‘Zij die vóór mij kwamen waren allemaal dieven en rovers’, naar wie ‘de schapen niet hebben geluisterd’ (Joh. 10,8) profileert Jezus zich vervolgens ook als de herder, waarop Hij in het vervolg van de perikoop – die geen deel meer uitmaakt van de evangelielezing – verder focust (Joh. 10,11-16). Anders dan dieven en rovers die willen vernietigen, slachten en roven, is Jezus de redder waardoor de kudde leven heeft en krijgt.
Preekvoorbeeld
Met twee beelden beschrijft Jezus zichzelf: de herder en de deur. Het eerste is ons bekend, misschien wel zo bekend bij Jezus, dat we er niets nieuws meer in horen. Het tweede beeld is ons minder vertrouwd. Reden om bij beide beelden eens mijmerend stil te staan. Wat vertelt Jezus ons over zichzelf? Wat hebben die beelden ons te vertellen?
De herder en zijn schapen zijn vertrouwd met elkaar. De herder weet welke schapen in de omheinde ruimte, de kraal, tot zijn kudde behoren, en de schapen kennen hun herder. Het beeld roept vertrouwdheid op, intimiteit, geborgenheid, veiligheid.
Maar de situatie, waarin Jezus over deze vertrouwdheid spreekt, is allerminst veilig en vertrouwd. Niet voor niets heeft Jezus het behalve over een herder ook over een dief en een rover. Juist tevoren heeft Jezus een blinde man genezen, op de sabbat. De genezen man wordt door de farizeeën zonder pardon uit de synagoge gegooid. Dat gebeurt, nadat hij getuigd heeft over Jezus: ‘Zo iemand moet wel van God komen, want naar zondaars luistert God niet.’ De farizeeën willen iedereen uit de synagoge bannen, die Jezus als messias erkent!
Op dat moment spreekt Jezus over de dief en de herder en zegt over de laatste: ‘De schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen. Ze zullen eerder van hem wegvluchten.’ De toehoorders, zeer waarschijnlijk waren dat de farizeeën, begrijpen niets van wat Hij bedoelt met deze gelijkenis…
Jezus wil hen zeggen: ‘Degenen die mij volgen en in mij geloven, zoals die blindgeborene, doen dat niet zomaar. Vreemden volgen ze niet. Ze doen het, omdat ze iets fundamenteels in mij herkennen. Wij hebben samen al iets gemeenschappelijks.’
Maar hoe kan Jezus dat zeggen, terwijl toch velen die in Hem begonnen te geloven en Hem wilden volgen, Hem voor het eerst zagen en hoorden. Wat werd er herkend, wat riep zo’n vertrouwen op, wat maakte, dat veel mensen bij Hem als een herder veiligheid zochten?
Het is de genezen blinde die hierop het antwoord weet. Hij zegt: ‘Is het niet merkwaardig, dat mensen niet weten, waar Hij vandaan komt?’ Het is zo duidelijk voor de blinde: het is de Schepper die via Jezus tot zijn schepsel spreekt en het roept. De Schepper kun je herkennen aan de opbouwende dingen die Hij doet, leven dat Hij herstelt of geeft, mensen die Hij hoedt, ruimte geeft; en dat doet Jezus. Vandaar dat vertrouwen.
Maar dit herkennen vraagt een zekere openheid, een zekere ontvankelijkheid en aandacht. Anders ontgaat je het teken of de stem, die jou aanspreekt. In het Evangelie zijn het meestal zieken, armen en uitgestotenen, die die aandacht en ontvankelijkheid bezitten: zij hebben weinig te verliezen, zij kijken anders tegen de gewone dingen aan dan rijke, gevestigde en gezonde mensen, en vinden daardoor heel andere dingen belangrijk in het leven.
De farizeeën behoren volgens de Evangelist tot de gevestigde mensen, ze verstaan Jezus niet…
Jezus gaat nog een stap verder. Voor degenen die Hem verstaan, intiem met Hem zijn, heeft Hij nog een ander beeld. ‘Ik ben de deur,’ zegt Hij.
Een deur is de verbinding tussen binnen en buiten. En aan allebei de kanten is er iets waardevols te vinden, zowel binnen als buiten. Wat dat betekent, kun je je misschien indenken, wanneer je je de ingang van een ziekenhuis voorstelt. Wanneer je werkelijk iets mankeert, en geholpen wilt worden, dan wil je naar binnen: daar is verlossing van je pijn, je kwaal, misschien zelfs redding van je leven. Maar wanneer je behandeld bent, dan wil je ook graag weer naar buiten, want daar ben je niet opgesloten, daar zijn je geliefden, daar is het leven. De deur is het symbool voor redding, verlossing en bevrijding, beide kanten op.
‘Ik ben de deur,’ zegt Jezus. ‘Je kan door mij vrij in en uitgaan en weidegrond vinden.’
Binnen is er veiligheid en buiten voedsel, voor schapen in beide gevallen iets kostbaars en redding gevends. Anders dan dieven en rovers die willen vernietigen, slachten en roven, is Jezus de redder waardoor de kudde leven heeft en krijgt.
En voor mensen? Door Jezus, de deur, kunnen mensen God bereiken.
En door Jezus, de deur, kan God de mensen bereiken.
Door de deur, die Jezus, is kunnen mensen God bereiken. Niemand heeft ooit God gezien. Hij lijkt zo vreemd, ver, afstandelijk, onbegrijpelijk soms in zijn daden. Bij zo’n God kun je je eenzaam voelen. Maar als Hij in Jezus dichtbij komt, blijkt Hij een mens, die je bij je naam kent; die zijn leven voor je in de waagschaal wil stellen, als dat nodig is. Die je aanraakt, zoals een herder zijn schaap, zoals een vertrouwd persoon.
Door de deur die Jezus is, kan God de mensen bereiken. Want ook voor God is die deur nodig. Hij wil de mensen bereiken, werkelijk met hen verbonden zijn. En dan is Jezus zijn weg, zijn poort naar de mensen. God heeft het nodig om in de wereld te zijn, want dan voelt Hij zich werkelijk God van de mensen. Voor God is Jezus zijn redding, redding uit zijn opgeslotenheid.
En zo hebben we allebei Jezus, de deur, nodig: God en mensen. God toont zich aan ons in Hem en de mensen van Judea raakten in Hem aan God, en wij, wij raken nog steeds in Hem aan God.
Het is goed dit erbij te bedenken. Je bent niet in staat om een deur aan twee kanten tegelijk te zien, zo gaat het ook met dit beeld. Je kunt het mysterie, waar Jezus op doelt, nooit volledig met je verstand bevatten. Maar je kunt je er wel met aandacht en ontvankelijkheid voor open proberen te stellen.
Die deur staat altijd open, zowel voor jou, als voor God. Je mag er vrij in- en uitgaan en geborgenheid, vrijheid en voedsel zoeken voor je ziel.
inleiding prof. dr. Hans Ausloos
preekvoorbeeld Marian Wisse
Homiletische hulplijnen 119
Kunstmatige intelligentie
Wat gebeurt als predikanten gebruikmaken van AI (Artificial Intelligence)? Het is een bruikbaar hulpmiddel om research te doen. Ik zet AI in om mijn kerkkrantje te schrijven. AI genereert tekst die ik vervolgens bewerk en naar mijn hand zet. Ik gebruik AI om snel de hoofdlijnen van een discussie op een rijtje te krijgen. Maar kan AI preken?
Een preek is geen overdracht van bijbelse informatie, maar een relationele en contextuele gebeurtenis. Het Woord wordt verkondigd in en aan een concrete parochie, op een specifieke tijd en plaats. De preek ontstaat niet in de studeerkamer als een clandestien onderonsje tussen predikant en tekst, maar in een meervoudige relatie van Bijbel, actualiteit, liturgie, predikant, hoorder. De predikant staat niet buiten de parochie, maar is zelf deel van het lichaam waartoe hij spreekt. Zijn of haar verstaan van de tekst wordt mede gevormd door gedeelde ervaringen, pastorale nabijheid en kennis van de levenssituaties van de hoorders. Juist die betrokkenheid maakt dat de preek meer is dan een exegetisch correcte tekst: zij wordt een woord dat aanspreekt, troost, corrigeert en opent. De preek is niet een reproduceerbaar product, maar een eenmalige gebeurtenis, die zich voltrekt in verantwoordelijkheid voor deze gemeente, op deze zondag.
Vanuit dit perspectief kan AI hooguit dienen als een ondersteunend instrument in het voorbereidende proces, niet als drager van de verkondiging zelf.
De eigen aard van verkondiging is dat de preek zich richt op het bijzondere, eenmalige, specifieke van deze tekst en deze hoorders. Een preek is inductief. AI is naar zijn aard deductief en gaat uit van wat in den brede op internet beschikbaar is, het veralgemeniseert.
Ik geef daarvan een voorbeeld. In mijn literatuurclub op de Wallen lazen we afgelopen najaar De resten van een mens van Detlev van Heest (2025). Een van de deelnemers had AI gevraagd naar de betekenis van de titel. En kreeg daarop dit antwoord:
De titel De resten van een mens van Detlev van Heest is vooral symbolisch bedoeld en sluit nauw aan bij de thematiek van het boek.
Kort gezegd verwijst de titel naar wat er van een mens overblijft wanneer grote zekerheden wegvallen – lichamelijk, geestelijk én existentieel.
Iets uitgebreider:
“Resten” duidt niet alleen op lichamelijke aftakeling, maar ook op brokstukken van identiteit: herinneringen, gewoonten, overtuigingen en relaties die overblijven wanneer een mens geconfronteerd wordt met verlies, ziekte, ouderdom of ontworteling.
Het boek laat zien hoe een mens gereduceerd kan raken tot fragmenten: routines, observaties, kleine gedachten — alsof het geheel niet meer intact is.
Tegelijk roept de titel de vraag op: Is een mens nog volledig mens wanneer er vooral ‘resten’ over zijn?
Van Heest suggereert dat juist in die resten nog betekenis, waardigheid en menselijkheid schuilen.
De titel past ook bij zijn sobere, observerende stijl: weinig grootse conclusies, veel aandacht voor het alledaagse en het overblijvende.
Dit alles heeft AI dus bijeen gevonden op internet, bij elkaar geraapt uit recensies die verschenen op bijvoorbeeld https://smitakisboekenlust.com/detlev-van-heest-de-resten-van-een-mens en https://www.trouw.nl/tijdgeest/detlev-van-heest-de-schrijver-die-vooral-parkeerbonnen-schreef~b9ffc79c
De literatuurclub echter leest en bevraagt een boek van voor naar achter en weer terug, soms fysiek, soms als e-boek dat de mogelijkheid heeft op woordniveau te zoeken. Dan ontstaat een ander beeld dan wat AI schetst.
De opdracht van De resten van een mens luidt: ‘ter nagedachtenis van Emma en Sandra’. Emma Paulides spelt een centrale rol in het boek. Het verhaal ontspint zich vrijwel vanaf het begin om haar en om haar dochter heen, Sandra van Raalten, het 21-jarige slachtoffer van de Zaanse paskamermoord (30 november 1984), waarvoor aanvankelijk Hans van Z. werd veroordeeld, een rechterlijke dwaling. Hij werd een jaar later vrijgesproken, maar toen was het beeld al geschetst van kinky seks met fatale afloop.
In de resten van een mens blijft Emma zich tegen die suggestie verzetten. ‘Achttien jaar heb ik moeten vechten om haar naam te zuiveren. Ik zie die nieuwslezer met zijn rotkop nog zeggen “een uit de hand gelopen sadomasochistisch spel”. Over mijn dochter zeiden ze dat. Sandra kon dat woord nog niet eens uitspreken. En die walgelijke rechters die de verkeerde man veroordeelden. Een van die rechters, die Spong, houdt zelf van sadomasochistische spelletjes en die dacht dat iedereen zo in elkaar zat als hij.’ (250)
Weliswaar is Emma van Zaandam naar Hilversum maar zij blijft het graf van Sandra bezoeken, noemt haar naam in ieder gesprek, bewaart alle krantenknipsels, foto’s, 8 millimeterfilms.
Gaandeweg het boek wordt Emma ongeneeslijk ziek. Haar laatste dagen slijt zij in een verpleeghuis, terug in Zaandam. Haar uitvaart wordt voorbereid, zij wil gecremeerd worden samen met de knoken en beenderen van Sandra.
‘Met Berber Smits Schouten was ik in de woning van Emma. Op verzoek van Emma’s broer zochten we haar adresboekje, alvast ten behoeve van een lijst van te verwittigen personen. Er hing geen andere geur dan anders. Zelfs de troep viel me mee.
Smits Schouten keek in de rondte met de resten van een pakje ranzige boter in haar handen, dat ze in de papierberg op de grond had gevonden. “Alles wat bederfelijk is, gooi ik weg.” Alle lades opende ze, maar het adresboekje was nergens te vinden. Daarbij stiet ze op foto’s van Sandra. “Moet je zien. Wat een prachtig kind. Het komt hier zó dichtbij.” (822)
‘Met Berber Smits Schouten ging ik Emma’s woning weer in. Overal stonden dozen, verhuisdozen, lege en half gevulde. Midden in de kamer stond een grote doos met dinky-toys van Sandra. “Die kunnen niet weg,” vond ze. “Het héle huis staat vol met speelgoedautootjes van Sandra.” (832).
‘Twee dagen na Emma’s overlijden werden Sandra’s stoffelijke resten opgegraven. Berber Smits Schouten was erbij. Ze reed in haar auto met een lijkzak met het gebeente van Sandra naar Hilversum, naar uitvaartonderneming Vagevuure.’ (835 – bedoeld is Van Vuure, De resten van een mens laat zich ook lezen als een sleutelroman).
Deze citaten uit de laatste hoofdstukken van De resten van een mens maken wel duidelijk wat ik bedoel met de gemeenplaatsen van AI en hoe close reading zich verzet tegen een al te gemakkelijk spreken van ‘symbolische’ betekenissen losgezongen van het specifieke levensverhaal. De resten van een mens duidt op wat er van Emma is overgebleven in de jaren dat zij Sandra overleefde tot zij eindelijk samen gecremeerd werden, as tot as.
Met dit voorbeeld uit de Nederlandse literatuur laat ik zien wat dreigt als de predikant bij het schijven van de preek teveel op AI leunt. AI is slechts een hulpmiddel dat zich de laatste jaren rap ontwikkeld heeft, maar het is feilbaar, het gaat uit van het bekende, van wat algemeen voor handen is.
De preek wil dat alles niet. Een postmoderne preek ontstaat uit geduldig luisteren naar fragmenten, komt op uit een specifiek klein verhaal, vertrekt niet van het algemene naar het bijzondere, maar precies andersom, daar waar AI met lege handen staat.
drs. Klaas Touwen
Ontleend aan ‘de mystieke molen’, sculptuur basiliek Sainte-Marie-Madeleine,