- Versie
- Downloaden 7401
- Bestandsgrootte 483.70 KB
- Aantal bestanden 1
- Datum plaatsing 31 mei 2018
- Laatst geüpdatet 1 augustus 2025
Nummer 5– 97ste jaargang 2025 – september/oktober
TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING
UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN
7 september 2025 Drieëntwintigste zondag door het jaar
Inleiding dr. Y. v.d. Akker-Savelsbergh
Preekvoorbeeld I. D’hert OP
14 september 2025 Kruisverheffing
Inleiding dr. M. van de Wiel OCSO
Preekvoorbeeld prof. dr. H. Rikhof
21 september 2025 Vijfentwintigste zondag door het jaar
Inleiding G. van Buul OFM
Preekvoorbeeld H. Brouwers
28 september 2025 Zesentwintigste zondag door het jaar
Inleiding drs. M. van der Post
Preekvoorbeeld T. Brouwer OP
4 oktober 2025 Heilige Franciscus van Assisi
Preekvoorbeeld G. van Buul OFM
5 oktober 2025 Zevenentwintigste zondag door het jaar
Inleiding H. Janssen OFM
Preekvoorbeeld drs. K. Touwen
12 oktober 2025 Achtentwintigste zondag door het jaar
Inleiding dr. I. Van Den Eynde
Preekvoorbeeld drs. E. Smeets
19 oktober 2025 Negenentwintigste zondag door het jaar
Inleiding prof. dr. R. Reeling Brouwer
Preekvoorbeeld prof. dr. J. de Lange
26 oktober 2025 Dertigste zondag door het jaar
Inleiding prof. dr. A. van Wieringen
Preekvoorbeeld M. Wisse
Homiletische hulplijnen 116 drs. K. Touwen
7 september 2025
Drieëntwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Wijsh. 9,13-18b; Ps. 90; Filemon 9b-10.12-17; Luc. 14,25-33 (C-jaar)
Inleiding
Hoe kan men kennis van en inzicht in de wil van God verkrijgen? Uit de eerste lezing blijkt dat dit alleen mogelijk is door Gods gave van wijsheid, Gods heilige Geest. Wij ontvangen haar door onderricht en gebed. In zijn brief aan Filemon probeert Paulus met argumenten en een beroep op de liefde (agapè) Filemon inzichtelijk te maken hoe hij Onesimus moet benaderen, wil hij een waarachtig christen zijn. In het evangelie geeft Jezus inzicht in wat het betekent om zijn leerling te zijn. God staat altijd op de eerste plaats en vanuit dat inzicht handelt een leerling van Jezus.
Wijsheid 9,13-18b
In het deuterocanonieke boek Wijsheid kan men drie delen onderscheiden: In het eerste deel staat de wijsheid als bron van leven centraal (Wijsh. 1,1–5,23); het middendeel handelt over Salomo, de leraar van de wijsheid (6,1–9,18) en het slotdeel gaat over de wijsheid in de geschiedenis van Israël en Egypte (10,1–19,22).
Onze lezing vormt de afsluiting van bovengenoemd middendeel en daarnaast ook de afsluiting van het zogeheten gebed van Salomo – hij wordt niet bij name genoemd –, dat door velen beschouwd wordt als de climax van het boek Wijsheid (9,1-18). Het gebed van Salomo is een dramatische oproep van Salomo aan God om hem de gave van inzicht en wijsheid te schenken. Het is de enige manier om Gods bedoeling te leren kennen en zijn wil te doen (vgl. de inleiding tot dit gebed in 8,17-21).
In 1 Koningen 3,1-15 en 2 Kronieken 1,7-13 wordt beschreven hoe God in een droom respectievelijk nachtelijk visioen aan Salomo verscheen en hem vroeg: ‘Wat wilt u dat Ik u geef?’ Salomo vraagt God hem wijsheid te schenken, een opmerkzame geest om recht te kunnen spreken, inzicht en onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Juist omdat Salomo niet om, wat meer voor de hand ligt, rijkdom of een lang leven heeft gevraagd, schenkt God hem naast wijsheid en inzicht ook rijkdom en een lang leven. Het grote verschil tussen deze beide teksten en die in het boek Wijsheid is de verandering van de oorspronkelijke context van een droom en visioen in een door Salomo uitgesproken gebed.
Dit gebed heeft een concentrische structuur en is als volgt opgebouwd: het begint met de bede om wijsheid opdat de zwakke mens in zijn korte leven zijn scheppingsopdracht kan vervullen (9,1-6). In het hart van het gebed staat de bede om de gave van wijsheid, opdat de koning, rechter en bouwer van de tempel, zijn plichten kan vervullen (9,7-12). Tot slot spreekt Salomo de overtuiging uit dat de mens alleen in staat is de wil van God te kennen dankzij de gave van de wijsheid, de zending van Gods heilige Geest (9,13-18).
Het is een poëtisch gebed met een aantal voorbeelden van synoniem parallellisme in de verzen 13-17, dat wil zeggen dat beide delen van het vers dezelfde gedachte uitdrukken in ietwat onderscheiden bewoordingen, bijvoorbeeld: ‘Welke mens kent Gods raadsbesluit/of wie vermoedt wat de Heer wil?’ (9,13). Verder is er sprake van een inclusio in de verzen 13 en 17-18 (de wil van God kennen; mens/mensen). De wijsheid wordt voorgesteld als een persoon die bij God woont vanaf het begin van de schepping en die weet heeft van wat God lief is en behaagt.
Filemon 9b-10.12-17
In zijn korte brief aan Filemon noemt Paulus zich tot tweemaal toe 'gevangene van Christus Jezus' en ‘in de boeien van de blijde boodschap’. Hij schrijft deze brief omwille van een zaak die hemzelf maar ook Filemon als medewerker van Paulus ter harte gaat. Duidelijk is in elk geval dat Paulus, of hij nu in de gevangenis zit of niet, zich blijft inzetten voor de goede zaak.
Er speelt een conflict tussen Filemon en zijn slaaf Onesimus waarin Paulus wil bemiddelen. Bovendien probeert Paulus met een beroep op de christelijke levenshouding de relatie tussen beiden niet alleen te herstellen, maar te veranderen. In zijn brief maakt hij geen onderscheid tussen heer (Filemon) en slaaf (Onesimus), voor hem zijn beiden ‘geliefde broeders’.
Wat nu precies de aanleiding is geweest tot het conflict, weten we niet. Mogelijk is de slaaf Onesimus gevlucht of heeft Filemon hem wegens arbeidsongeschiktheid of ouderdom afgedankt, hij was hem niet meer tot nut. Paulus weidt niet verder uit over eventueel pijnlijke details. Ook weten we niet waar Paulus gevangen zit en hoe Onesimus hem in de gevangenis kan verzorgen. Onesimus – een typische slavennaam, die ‘nuttig’ betekent – is inmiddels door Paulus bekeerd tot christen (Filem. 10), tussen hen beiden is een soort geestelijke vader-zoon-relatie ontstaan.
Paulus vraagt Filemon om deze Onesimus die nu hij christen is geworden, deel uitmaakt van de christelijke gemeenschap, weer in zijn huis op te nemen. Hij beroept zich daarbij niet op zijn eigen gezag en autoriteit (Filem. 8), maar wel doet hij een beroep op de liefde (agapè). Verder zegt Paulus dat Onesimus nuttig voor Filemon zou zijn, ook al was hij dat in het verleden niet (Filem. 11) en hij wijst Filemon op de nieuwe verhouding tussen heer en slaaf (Filem. 15vv). Nu Onesimus christen is, vraagt Paulus hem niet een slaaf, maar een geliefde broeder op te nemen als was het Paulus zelf (Filem. 17). Paulus wil zelfs eventueel door Filemon geleden schade uit eigen zak vergoeden, al voegt hij er onmiddellijk aan toe dat deze hem ook nog een en ander schuldig is (Filem. 18vv).
Tegelijkertijd richt Paulus zich tot de gehele gemeente met de vraag, wat onderlinge broeder/ zusterschap in de praktijk betekent? Of ook: hoe gaan christenen met elkaar om? Is er dan nog sprake van heer-slaaf-verhoudingen of heeft zuster/broederschap het laatste woord?
Paulus heeft hier zeker geen sociale of maatschappelijke veranderingen op het oog, slaven vormden nog te zeer een vast bestanddeel van zijn wereld (zie 1 Kor. 7,20-24). Hij vraagt Filemon dan ook niet om Onesimus vrij te laten. Op grond van zijn geloof moet Filemon een manier zien te vinden om met Onesimus als broeder om te gaan, ook al is hij zijn slaaf.
Blijft nog de vraag over wat Paulus in (het niet gelezen) vers 11 bedoelt met de woorden dat Onesimus nu wel weer eens nuttig zou kunnen zijn voor Filemon, terwijl hij dat voordien niet meer was.
Paulus voegt nog toe in de verzen 15v: ‘Misschien was dat wel de reden waarom hij een tijdlang bij u weg is geweest: dat u hem voorgoed terug zou krijgen. Niet meer als slaaf, maar als veel meer dan een slaaf: als een geliefde broeder, speciaal voor mij en des te meer voor u, als mens en als christen.’
Zou Paulus misschien bedoelen dat Filemon, juist door Onesimus als broeder weer in zijn huis op te nemen, kan leren wat agapè is, de liefde die verbroedert in de Heer, waardoor hij uiteindelijk leert om net als Paulus, gevangene, slaaf van Christus te zijn? Of Filemon in deze moeilijke opgave is geslaagd, vermeldt de tekst niet.
Literatuur
Y.v.d. Akker-Savelsbergh, ‘Een gevangenschapsbrief’, in: Henk Janssen en Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 98-102
Yvonne van den Akker-Savelsbergh, ‘De vrijheid die Jezus brengt’, in: Speling 74 (2022,4) 83-88
Lucas 14,25-33
Direct vooraf aan de evangelielezing van vandaag vertelt Jezus de gelijkenis van een feestmaal, waarin de genodigden om allerlei redenen weigeren gehoor te geven aan de uitnodiging van de gastheer. Daarop worden overal vandaan mensen van de weg geplukt zodat de heer niet met alle voorbereide eten blijft zitten. Jezus besluit deze gelijkenis met de woorden: ‘… want Ik verzeker u, geen van die mensen die genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven’ (Luc. 14,24).
De uitnodiging afslaan heeft dus verregaande gevolgen, echter, onze lezing laat zien dat de uitnodiging aannemen evenmin een sinecure is.
In 14,25 hervat Jezus zijn weg naar Jeruzalem en drommen mensen lopen met Hem mee. Jezus wil hun duidelijk maken dat ze goed moeten weten waar ze aan beginnen als ze zijn leerling willen zijn. De voorwaarden zijn streng en negatief geformuleerd. Driemaal lezen we hoe het niet moet met als conclusie telkens: ‘Anders kan hij geen leerling van mij zijn’ (14,26.27.33). Wie zijn een mens dierbaarder dan je eigen familie, je eigen man of vrouw? Dierbaarder dan je eigen leven zelfs? En toch staat hier dat je juist die – genoemd worden zeven categorieën, dat wil zeggen, niemand uitgezonderd, iedereen – moet ‘haten’ (miseo), terwijl je liefhebben zou verwachten (14,26).
In zijn evangelie gebruikt Lucas het woord ‘haten’ in totaal zevenmaal. Steeds zijn het buitenstaanders die Israël (1,71), de leerlingen van Jezus (6,22.27; 21,17) en Jezus zelf (16,13; 19,14) haten. Alleen hier (14,26) worden Jezus’ leerlingen opgeroepen tot haat. Toch stemt Jezus uitdrukkelijk in met het gebod van ‘je vader en je moeder eren’ iets verder in het evangelie (18,20). De goede verstaander begrijpt dat Jezus hier een zwart-wit tekening schetst om zijn punt duidelijk te maken, namelijk dat God op de allereerste plaats komt, vóór wie of wat dan ook (vgl. 8,19vv). Niemand mag tornen aan het eerste gebod. Daarom staat hier het woord ‘haten’ dat op te vatten is in de betekenis van ‘op de tweede plaats komen’: God staat bovenaan.
Verder moet een leerling zijn kruis opnemen en achter Jezus aangaan. Jezus bepaalt de richting, hier is dat richting Jeruzalem. Dat het Jezus vooral gaat om inzicht en om handelen vanuit dit inzicht, blijkt uit de twee ‘rationele’ argumenten in de vorm van de beide gelijkenissen.
De eerste gelijkenis vertelt over iemand die een toren wil bouwen, de tweede gaat over een koning die tegen een andere koning ten strijde wil trekken. De pointe van de beide gelijkenissen is dat je dit soort belangrijke beslissingen niet zomaar neemt. Je moet goed weten waar je aan begint en gedegen inzicht hebben in mogelijke problemen. Eerst wordt de kans van slagen afgewogen. Is die er niet, dan zie je van het voornemen af. Zo moet ook wie leerling van Jezus wil zijn, overwegen of er al dan niet kans van slagen is gezien de strenge voorwaarden.
Tot slot horen we dat wie geen afscheid kan nemen van al zijn bezit of beter nog, van al datgene dat hem/haar in bezit houdt (vgl. 5,11.28; Hand. 2,44vv; 4,32), geen leerling van Jezus kan zijn. Ook dit inzicht is vereist om helemaal vrij te kunnen zijn voor God, om Hem in het spoor van Jezus op de allereerste plaats te kunnen stellen.
Preekvoorbeeld
Hoop, bron van vrijheid
Het lijkt wel alsof Jezus zichzelf tegenspreekt. Hem volgen betekent de bereidheid alles op te geven wat een mens dierbaar is: vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zusters, zelfs het eigen leven. Het laat aan duidelijkheid niets te wensen over (Luc. 14,25vv7). En dan, in één en dezelfde adem lijkt Hij die radicaliteit te relativeren. Bezint eer je begint, klinkt het. Overschat jezelf niet, maar wees wijs en erken je eigen beperktheid. Het klinkt radicaal en relativerend tegelijk (Luc. 14,25-34). Diezelfde toon horen we in de eerste lezing in het boek Wijsheid (Wijsh. 9,13-18b). Beide horen samen in de lezingen van deze zondag.
Het zijn vooral de eerste woorden van Jezus’ toespraak die geschiedenis hebben gemaakt. Ze werden niet zelden voorgehouden als graadmeter voor een authentieke geloofsbeleving. Jezus richt zich niet tot een uitgekozen groep van sympathisanten. Hij richt zich tot ‘de talloze mensen’ (Luc. 14, 25) die naar Hem komen luisteren. Jezus’ levensvoorbeeld geldt voor allen die zich leerling van Hem willen noemen. Toch zijn er mensen die zich uitgedaagd voelen door de radicaliteit van zijn woorden. Ze hebben doorheen de geschiedenis een veelheid van vormen aangenomen. Eén daarvan uit het recente verleden is de inzet die door de bevrijdingstheologie geïnspireerd is geweest. Er zijn mensen die metterdaad ‘hun kruis hebben opgenomen’ in solidariteit met wie geminacht werden of gediscrimineerd.
‘Je kruis opnemen’! Het kan nooit losgemaakt worden van de politieke en culturele context waarin men leeft. Vandaag is de bevrijdingstheologie op de achtergrond geraakt, althans in Europa. Maar de nieuwe uitdagingen zijn niet minder ingrijpend. Er is veel onrust door de verwarring die zich op talloze gebieden voordoet. Mensen zijn angstig geworden. Vooral de dreiging van een oorlog die steeds dichterbij schuift maakt mensen ongerust. Het perspectief op de toekomst is heel wazig geworden. Het begrip ‘hoop’ duikt onverwacht op, maar vooral in negatieve zin. We weten nu reeds dat er geen hoop is op een duurzame vrede. We kijken met benauwd hart naar de onvoorspelbare ontwikkelingen op het geopolitieke vlak. Naast de dagelijkse beelden over het geweld dat zich in ons eigen continent afspeelt, zijn er zoveel haarden van geweld en moordpartijen die ons niet onberoerd kunnen laten. Er is geen hoop op een voor alle mensen menswaardig bestaan in deze wereld. We durven niet méér hopen dan een vermindering van het oorlogsgeweld.
Het ziet ernaar uit dat de algehele onzekerheid op het Europees continent de hele klimaat-problematiek uit het zicht heeft weggeduwd. We staan hier evenwel voor een ‘oorlog’ die met geen enkele soort bewapening kan worden gewonnen. De situatie is dusdanig dat het er uitziet alsof we nu reeds de strijd verloren hebben, alsof het alleen nog bergaf kan gaan. Maar de overstromingen die overal, de wereld rond, onverwacht doorbreken, de bosbranden, het ontbreken van voedsel en zuiver water vragen een dringend antwoord van de politiek. De bekende Nederlandse schrijver Tommy Wieringa schreef hierover een essay Optimisme zonder hoop. Hij schrijft dat hij de hoop heeft opgegeven. Hij wil niet voor pessimist versleten worden, maar wat de klimaatproblematiek betreft gelooft hij niet dat een significante verbetering van de situatie nog haalbaar is. Hij heeft die overtuiging getoetst aan tal van wetenschappelijke studies die hem hierin bevestigen. We hebben de boot gemist. De hoop dat we in staat zouden zijn dat wél te doen heeft hij opgegeven. Hij wil die realiteit niet verdonkeremanen. Maar hij wil ook niet zomaar de armen laten zakken. Hij houdt vol om op de kleine schaal van zijn persoonlijke levensruimte te doen wat hij kan. Daardoor verandert er niets, maar voor hem is het wellicht een teken van protest tegen de onverschilligheid terzake.
Hij mag dan de hoop op een doorbraak in de klimaatpolitiek hebben opgegeven, hij wil zijn positieve ingesteldheid niet opgeven. Hij spreekt zelfs over optimisme. Hij laat namelijk de redelijkheid niet varen. Er blijft heel wat te doen waarvoor wij onze verantwoordelijkheid kunnen opnemen. De parabels van de torenbouwer of de oorlogszuchtige koning manen terecht aan tot rationeel denken.
De brief van Paulus aan Filemon speelt zich af op het interpersoonlijke niveau. De slaaf Onesimus heeft Paulus verzorgd toen deze in de gevangenis zat. Onder Paulus’ invloed is hij christen geworden, en in zijn brief aan Filemon vraagt hij Onesimus niet als een slaaf maar als een broer te behandelen. In de christelijke gemeenschap staat de agapè toch op de eerste plaats.
Wellicht zijn er meer inspirerende stemmen die blijven wedden op de hoop die vanuit de toekomst op ons toe komt. In dit verband blijft het gekende gedicht van Charles Péguy een overweging waard (www.kuleuven.be/thomas/page/gedichtendatabank/view/246628).
Hij gebruikt het beeld van een klein meisje dat het vertrouwen in de toekomst niet opgeeft. Hoop als een klein meisje die de beide deugden van geloof en de liefde bij de hand neemt en vooruit trekt naar de toekomst. Dat ze het niet opgeeft, daar is God verbaasd over, en het stemt hem welgezind.
In een tijd dat er zoveel dromen dreigen vernietigd te worden trekt Leonard Cohen de wereld rond met zijn Anthem waarvan het Alleluia algemeen bekend is. Het is geen triomfantelijk lied. Eerder een overtuiging die in alle bescheidenheid de hoop trouw blijft dat er betere tijden komen. There is a crack, a crack in everything, that’s how the light gets in. Het goede moet gedaan worden omdat het goed is, ook al gaat het niet vanzelf.
Voor een bespreking van Tommy Wieringa, Optimisme zonder hoop, zie de Homiletische hulplijn op blz. 42v.
inleiding dr. Yvonne v.d. Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld Ignace D’hert OP
14 september 2025
Kruisverheffing
Lezingen: Num. 21,4-9; Ps. 78; Fil. 2,6-11; Joh. 3,13-17 (C-jaar)
Inleiding
Numeri 21,4-9
De Israëlieten vertrekken vanaf de berg Hor, waar later Aäron begraven zou worden, naar de Rode Zee. Zij moeten om het land Edom heen reizen. De tocht is zwaar en niet eenvoudig. De moeilijke levensomstandigheden tijdens de woestijntocht doen het geloof en het vertrouwen van het volk wankelen. Ze worden ongeduldig en beginnen tegen God en tegen Mozes te klagen. Deze uiting van ongenoegen is het laatste van de klaagverhalen in het boek Numeri. Hierbij valt op dat het volk rechtstreeks tegen God klaagt, en niet – zoals dat meestal het geval is – tegen Mozes en/of Aäron.
‘Maak zo’n vuurspuwer en zet die op een paal’, zegt God tegen Mozes, ‘iedereen die gebeten is en ernaar opziet, zal in leven blijven.’ God stuurt ‘giftige’ – beter: ‘vurige’ – slangen als oordeel over het volk, die velen van hen bijten en doden. De Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden. betekenen letterlijk ‘vurige slangen’, waarschijnlijk verwijzend naar het brandende gevoel van een slangenbeet op de menselijke huid.
Het volk komt naar Mozes en belijdt: ‘Wij hebben gezondigd’, en ze vragen Mozes om tot God te bidden om de slangen weg te nemen. Omwille van dit verzoek bidt Mozes tot God, die hem de opdracht geeft om een bronzen slang te maken. Wie naar die slang opkijkt, wordt gered. De Hebreeuwse woordcombinatie voor ‘een bronzen slang’ in 21,9 is een woordspeling, aangezien de woorden ‘slang’ (nāḥāš) en ‘brons’ (neḥošet) in het Hebreeuws nauw verwant zijn.
Enkele honderden jaren later laat koning Hizkia de bronzen slang van Mozes, Neḥuštān genaamd, verbrijzelen (2 Kon. 18,4). De bronzen slang wordt in de tempel van Jeruzalem als een heilig object bewaard, maar mensen beginnen er offers aan te brengen alsof het een afgod of een beeld van jhwh is. Dit is duidelijk een schending van het eerste van de Tien Geboden, dat afgoderij en het maken van beelden verbiedt (Ex. 20,3v).
Misschien viert men in deze cultus de beschermende kracht van God, maar het is waarschijnlijk ook een genezingscultus met sterke Kanaänitische associaties. Zo heeft de bronzen slang in Numeri 21 enige relatie met een genezingsritueel dat in het oude Nabije Oosten gebruikelijk is. Als een individu aan het gif van een plant of een dier lijdt, dan moet het staren naar een afbeelding van diezelfde giftige plant of datzelfde giftige dier de persoon genezen en/of tegen verdere aanvallen beschermen. Als onderdeel van zijn poging om de eredienst in Juda te hervormen, vernietigt koning Hizkia de bronzen slang in de tempel.
Literatuur
Ph.J. Budd, Numbers (Word Biblical Commentary, Vol. 5), Grand Rapids, Zondervan, 1984.
D.T. Olson, Numbers (Interpretation. A Bible Commentary for Teaching and Preaching), Louisville, John Knox Press, 1996.
Psalm 78
In Psalm 78,4-8 geeft de psalmist de overleveringen die hij van de vorige generatie heeft ontvangen aan de volgende generatie door, opdat ook zij niet dezelfde fouten zullen maken. Dit doorgeven van de traditie gebeurt in de vorm van een ‘gelijkenis’. Deze bestaat uit een samenvatting van de vroege geschiedenis van Israël die de nadruk legt zowel op het gebrek aan geloof van het volk als op de dankbaarheid voor Gods vele genadige daden voor hen. De terugblikken op de uittocht (vv. 12-14 en 43-53), de woestijn (vv. 15-41) en de pre-monarchale tradities (78,54-64) zijn illustraties die de zelfbeheersing van God laten zien wanneer Hij door de Israëlieten werd geprovoceerd (vv. 38-39). Juda moet, aldus de psalmist, niet alleen van de fouten van zijn voorvaderen leren, maar ook met gepaste dankbaarheid reageren op Gods’ geschenk van de koningen uit het huis van David.
Filippenzen 2,6-11
Hoewel er andere onderverdelingen mogelijk zijn, kan men de christologische hymne in de Filippenzenbrief in twee gedeeltes verdelen: 2,6-8 (de vernedering van Christus) en 2,9-11 (de verhoging van Christus).
In het eerste deel betoogt Paulus dat Christus aan alle mensen gelijk is geworden. Zijn vernedering gaat tot het uiterste: Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Deze dood is de grootste uiting van vernedering, speciaal in de ogen van Romeinse burgers. Alleen slaven en vreemdelingen ondergaan deze doodstraf.
In het tweede deel drukt Paulus de verhoging van Christus uit, die hier symbolisch door het geven van een naam wordt weergegeven. Deze naam is niet de persoonlijke naam Jezus, die Hij al in zijn vernedering had, maar een titel om de nieuwe situatie uit te drukken, namelijk de naam boven alle namen, Christus de Heer. Die titel drukt de nieuwe werkelijkheid uit van de verheerlijkte Christus, een situatie die Hem boven alle andere schepselen plaatst.
Literatuur
P. Ortiz, ‘Filippenzen’. In: E. Eynikel, E. Noort, T. Baarda en A. Denaux (red.), Internationaal Commentaar op de Bijbel. Band 2, Kampen: Kok, 2001, blz. 1959-1970.
Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95.
Johannes 3,13-17
Nikodemus behoort tot de leidende kringen van de farizeeën. ’s Nachts komt hij naar Jezus toe, vermoedelijk uit vrees voor zijn collega’s, nadat zij met Jezus - bij diens tempelreiniging - een conflict hadden. Nikodemus is onder de indruk van de tekens die Jezus heeft verricht. Hij bewondert Jezus en beschouwt Hem als een leraar zoals hijzelf er een is. Maar hij weet niet wie Jezus echt is noch wat hij van Hem verlangt. In feite is hij het type van de zoekende gelovige uit 2,23vv.
Het gesprek tussen Jezus en Nikodemus speelt zich in twee fases af. In het eerste deel (3,2-10) zijn de gesprekspartners nog nauw op elkaar betrokken, terwijl in het tweede deel (3,11-21) Jezus alleen aan het woord is. Op zich is dat laatste niets opzienbarends. We zien in het Johannesevangelie vaker dat Jezus over zichzelf in de derde persoon spreekt. De lezer krijgt hierdoor het besef dat ook Jezus zelf aan hogere krachten en machten is onderworpen. Dat Jezus bijvoorbeeld de mensenzoon is en het licht in de wereld, zijn ook voor Jezus gegevens waarmee Hij niet zodanig samenvalt dat het tot een ik-uitspraak komt.
Inhoudelijk blijft de monoloog van Jezus binnen de narratieve context. Hij spreekt over zijn eigen oorsprong: de afdaling van de mensenzoon die door een opstijging gevolgd wordt; de afwijzing van mensen die meer op de duisternis gesteld zijn dan op het licht, en de toenadering tot het licht van wie wel de waarheid doet.
Om Nikodemus dat opstijgen van de mensenzoon een beetje duidelijk te maken, grijpt Jezus op de geschiedenis van de koperen slang uit Num. 21,4-9 terug. ‘En deze mensenzoon’, aldus Jezus tot Nikodemus, ‘moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben’ (3,14v).
Deze episode verwijst hier zowel naar Jezus’ kruisiging op Goede Vrijdag als naar zijn verrijzenis en verheerlijking met Pasen. Wie in de woestijn door een slang was gebeten en naar de bronzen slang opkeek, werd van een wisse dood gered. Zo zal al wie in Jezus gelooft, eeuwig leven hebben.
Opvallend hierbij is dat Jezus zijn kruisiging niet zozeer als een vernedering beschouwt, maar veeleer als een verhoging. Op die manier zal Hij verheerlijkt worden en ieder die in Hem gelooft eeuwig leven schenken. Met de woorden ‘eeuwig leven’ wordt hier niet het hiernamaals bedoeld, een leven na de dood, maar een kwaliteit van leven die uit een ontmoeting met de levende Jezus voortkomt.
Literatuur
S. van Tilborg, Johannes (Belichting van het bijbelboek), Boxtel: Katholieke Bijbelstichting, 1988.
Onderlinge samenhang van de lezingen
In de lezingen van vandaag spelen ‘verheffing’ en ‘leven’ een grote rol. In de lezing uit het boek Numeri heft Mozes in de woestijn een koperen slang omhoog. Iedereen die door een slang is gebeten en naar de koperen slang opziet, zal in leven blijven. In de lezing uit het Johannesevangelie wordt de mensenzoon omhoog geheven, opdat eenieder die in hem gelooft eeuwig leven zal hebben.
Aan de ene kant herinneren de lezingen ons aan het gebeuren op Goede Vrijdag. Aan de andere kant wijzen zij ons ook naar het feest van Pasen. Als wij net als Jezus ons (dagelijks) ‘kruis’ dragen om met Hem – symbolisch gezien – te sterven, dan zullen wij ook met Hem leven. Want niet de dood of het kruis hebben uiteindelijk het laatste woord, maar de liefde die alles overwint.
Preekvoorbeeld
Het gebeurt zo nu en dan: dat een feest de gewone zondag vervangt, zoals vandaag. Dan moet het feest wel een belangrijk feest zijn. Waarom is het feest van kruisverheffing een belangrijk feest? Bij Allerheiligen-Allerzielen is dat duidelijk, maar bij dit feest? Het heeft oude wortels. Volgens een legende heeft Helena de moeder van keizer Constantijn het kruis waaraan Jezus gestorven is in Jerusalem gevonden en toen in 335 op 14 september de kerk van het heilig Graf werd ingezegend, werd dat kruis ook getoond, omhoog getild zodat iedereen het kon zien. Misschien met de lezing uit Numeri en het gezegde van Jezus uit het evangelie volgens Johannes in gedachten. Maar vieren we dit feest om die gebeurtenis uit een ver verleden te herdenken? Nee. We vieren het om goed naar het kruis te kijken en om na te denken over dat symbool bij uitstek voor ons Christenen: wat betekent het kruis in ons leven?
Over het kruis is vanaf het begin van het Christendom nagedacht. Waarom moest de Messias lijden? Waarom moest Jezus zo sterven? Dat waren vragen waar de eerste christenen mee geworsteld hebben. Iets van die worsteling is te proeven in de hymne die Paulus opgenomen heeft in zijn brief aan de Filippenzen. Een tekst die in onze traditie van groot belang is geweest voor de geloofsbeleving en de geloofsreflectie. Elke zin van de hymne vraagt erom even stil te blijven staan, haast elk woord moet je proeven, in je dragen, om de rijkdom ervan te ontdekken. Bijvoorbeeld die zin die in de liturgie van de Goede Week als een refrein klinkt: ‘gehoorzaam geworden tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis’. In de theologie is die zin en de term ‘gehoorzaam’ wel uitgelegd als passend bij ‘bevel is bevel’, als een vorm van kadaverdiscipline, als een min of meer stilzwijgende en niet bevragende volgzaamheid. De vraag is of gezien Jezus’ doodsangst en gebed in de Hof van Olijven en de psalm die Hij op het kruis bidt, het niet beter is ‘gehoorzaam’ te verstaan als blijven horen, als een luisterbereidheid ten einde toe.
Misschien helpen de volgende gedachten over een andere term uit die hymne om het symbool van het kruis en de betekenis van het kruis voor ons leven nu wat te verhelderen.
De hymne begint met een tegenstelling: in onze vertaling goddelijke majesteit – bestaan van een slaaf: ‘Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft het bestaan van een slaaf op zich genomen.’ In het Grieks wordt voor ‘majesteit’ en ‘bestaan’ hetzelfde woord gebruikt: morphè, vorm, beeld, image.
Misschien is het op het eerste gezicht was vreemd om dat woord morphè met beeld, imago, te vertalen, maar net als onze hedendaagse cultuur was de antieke cultuur een visuele cultuur. Niet iedereen kon lezen. Zoals in de middeleeuwen de grote gebrandschilderde ramen in de kathedralen de Bijbel van de armen waren waarop mensen de verhalen uit de Bijbel konden zien, zoals in onze cultuur reclame en liedjes verbeeld worden en er zelfs prijzen voor zijn voor de beste videoclip of reclamefilmpje, zo ook in de tijd van Paulus.
De vorm, het beeld, imago van de goddelijke keizer was niet alleen te zien in de grote beelden op de pleinen, maar ook op bekers, munten en allerlei andere gebruiksvoorwerpen. Op die manier was iedereen vertrouwd met de vorm, de goddelijke vorm van de keizer. Precies omdat de goddelijke keizer afgebeeld wordt als een militair overwinnaar, die verdeelt en heerst, als iemand die zo vrede en voorspoed brengt, met geweld en onderdrukking, denkt iedereen dat dat ook de manier is waarop iemand met de vorm van God handelt: dat is de gewone, de normale manier.
Maar in die hymne wordt tegenover die vorm, die gewone manier, een andere gesteld: de christelijke. In de hymne wordt die vorm, om een term te gebruiken die Paulus ook gebruikt, uitgehold, leeggemaakt. Tegenover die gewone vanzelfsprekende vorm van de goddelijke keizer, wordt een andere goddelijk imago gezet, die de vorm aanneemt van een slaaf, die niet heerst maar dient, en dat is het feest van kruisverheffing dat eindigt op een kruis.
Deze gedachten passen bij een andere tegenstelling die Paulus in allerlei vormen gebruikt in zijn brieven: Geest – vlees. De term ‘vlees’ staat dan voor de menselijke conditie in al haar aspecten. Het punt van de tegenstelling die Paulus gebruikt is dat wij mensen weliswaar niet anders kunnen bestaan in het vlees, maar dat wij niet behoeven te leven naar het vlees. Wij hoeven niet automatisch of klakkeloos de normen en waarden van onze culturen, onze economische systemen, onze samenlevingsvormen over te nemen. Wij kunnen als Christenen, sterker nog, wij moeten als Christenen leven naar de Geest. In het vlees, naar de Geest.
Er zijn kruizen waarop Jezus eerder staat dan hangt, en waarop Hij geen doornenkroon op heeft, maar een echte koningskroon. Ik heb die kruizen lange tijd gezien als een poging om het kruis mooi te maken. Zoals er ook kruizen te zien zijn zonder corpus maar wel met edelstenen versierd. Maar misschien heb ik niet goed gekeken en zijn het verbeeldingen van die hymne uit de brief aan de Filippenzen: een kruis waarop die gewone, vanzelfsprekende vorm van de goddelijke keizer of koning wordt leeggemaakt. Een kruis als een even subtiele als pijnlijke herinnering aan onze taak in het vlees te leven naar de Geest, voortdurend kritisch te zijn op de waarden en normen die ons vanuit onze maatschappij worden aangedragen, zeker als ze verpakt worden als ‘christelijke’ (of ‘joods-christelijke’) waarden.
inleiding dr. Max G.L. van de Wiel OCSO
preekvoorbeeld prof. dr. Herwi Rikhof
21 september 2024
Vijfentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Am. 8,4-7; Ps. 113; 1 Tim. 2,1-8; Luc. 16,1(10)-13 (C-jaar)
Inleiding
Amos 8,4-7
Amos was een boer uit Tekoa in het ‘Zuidrijk’ Juda. Hij trad op in het noordelijke koninkrijk Israël tijdens de regering van koning Jeroboam II (783-743). In die tijd stond Israël op het toppunt van zijn welvaart en politieke macht terwijl Juda een vrij klein en onbetekenend staatje was. Tussen de beiden staten heerste niet alleen politieke spanningen, ook op godsdienstig gebied waren er hevige strijdpunten, ondanks het feit dat in beide gebieden JHWH als nationale godheid werd vereerd, in Juda in Jeruzalem en in Israël in Betel en Dan.
In hoeverre de profetieën van Amos tegen Israël beïnvloed zijn door de politieke en godsdienstige spanningen tussen beide koninkrijken, is niet helemaal duidelijk. In Juda werd vaak nogal in zwart-wit termen over Israël gedacht en gesproken. Opvallend is de reactie van de priester Amasia uit Betel toen hij de profeet terug wilde sturen naar Juda. Hij rept niet over godsdienstige zaken die Amos bekritiseerd had, maar wel over diens politieke opstelling. ‘Hier in Betel, in het heiligdom van de koning, hebt u niets te zeggen’. Juist om die reden zijn de woorden van Amos zo’n verbluffend moedig oordeel (7,10-13).
Amos neemt geen blad voor zijn mond bij zijn kritiek op het leven in Israël. Een overduidelijk voorbeeld daarvan is dat hij de dames van de hoofdstad Samaria uitmaakt voor ‘koeien uit Basan’ (4,1). Ook de perikoop in eerste lezing van deze zondag liegt er niet om. De woorden van Amos tegen het volk van Israël zijn een vervolg op de aanklachten in de voorafgaande bladzijden van het profetenboek.
Abraham Joshua Heschel karakteriseert het onderhouden van de sabbatswetten in afwachting van het einde van de dag en daarnaast het bedriegen met valse weegschalen (v. 5) als zwartgallige ironie voor de moderne lezer. De mensen kijken uit naar het einde van de heilige dag om het bedriegen en uitbuiten weer te kunnen hervatten. Heschel noemt dit een verbluffend oordeel, zeker voor wie gewend zijn om een ritueel op zijn eigen merites te beoordelen. Wanneer dat correct wordt uitgevoerd, heeft het ontegenzeggelijk zijn waarde. Maar de profeet spreekt honend over degenen die ritueel combineren met zonde. Dit standpunt van de profeet, en van God zelf, komt eveneens duidelijk naar voren in hetgeen Amos zegt in hoofdstuk 5,21-25.27.
Psalm 113,1-2.4-6.7-8
Psalm 113 is de eerste van de zogenaamde Hallel-liederen die gezongen werden op de grote feesten. Matteüs (26,30) en Marcus (14,26) maken gewag van deze gewoonte door te vertellen hoe Jezus en zijn leerlingen het Laatste Avondmaal afsloten met het zingen van deze lofzangen. De Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament gebruikt hier de term ha-Hallel. In Psalm 113,1-3 wordt de gelovige tot driemaal toe opgeroepen de naam van de Heer te bezingen. Het waarom van die lofzang lezen we in de verzen 4-9. De wijze waarop de Heer in deze psalm getekend wordt is het absoluut tegengestelde van de houding van mensen zoals zij tot wie Amos zijn profetie richt.
1 Timoteüs 2,1-8
Zie A.B. Merz, ‘De eerste brief aan Timoteüs. Pseudo-Paulus stelt voor altijd orde op zaken’ en K, Touwen, ‘Preekvoorbeeld’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 69-79.
Lucas 16,1-13
Parabels zijn niet altijd even duidelijk. John Dominic Crossan is van mening dat Jezus met zijn vertellingen vaak behoorlijk uitdagend is. Ook al gebruikt Hij bekende situaties, toch moeten zijn toehoorders vaak nogal wat speurwerk ondernemen om er achter te komen wat er precies bedoeld wordt. Niet altijd zo eenvoudig. Daarom vragen de leerlingen soms om opheldering. Op die manier kan echter het uitdagende karakter van de parabel tenietgedaan worden door middel van een allegorische uitleg van het verhaal. Christenen komen niet zelden in de verleiding om parabels allegorisch te interpreteren. Een van de meest bekende voorbeelden daarvan is de uitleg van de parabel van de Barmhartige Samaritaan door Augustinus.
De parabel in de evangelielezing van deze zondag wordt in feite ook vaak allegorisch uitgelegd. Zo wordt de rijke man waar in het eerste vers sprake van is, en die later (v. 8) als ‘heer’ (kyrios) wordt aangeduid door sommigen met God of met Jezus geïdentificeerd. In de stijl van Augustinus kunnen dan vragen rijzen als: wie wordt er bedoeld met rentmeester; wat is de betekenis van de olie en het graan, hoe moet je de veroordeling en het ontslag van die rentmeester verstaan?
Aangezien Jezus vertelt door middel van situaties uit het dagelijkse leven mogen we ervan uitgaan dat zijn toehoorders over het algemeen die situaties herkennen en zich dan gaan afvragen wat de bedoeling van die vertelling is of hoe zij daar mee om moeten gaan. Laten wij daarom beginnen naar de concrete situatie te kijken waar Jezus over vertelt.
Het verhaal begint met de vermelding van een rijke man. Gezien de grote hoeveelheid goederen die men aan hem moet betalen hebben we, naar alle waarschijnlijkheid, te doen een grootgrondbezitter die in de stad woonde, iemand die vaak niet erg geliefd was bij de plattelandsbevolking. Ook Lucas steekt zijn aversie ten aanzien van rijken vaak niet onder stoelen of banken. Op het platteland werden de zaken van zo’n rijke grootgrondbezitter behartigd door een oikonomos, letterlijk iemand die de wetten in het huis of het bedrijf van zijn baas vaststelt en behartigt. Hij kon zodoende leningen verschaffen met de eigendommen van de eigenaar. Aangezien het vaak niet om een betaalde baan ging, maar om een positie op basis van vertrouwen, moest de ‘rentmeester’ zelf maar zien wat dat rentmeesterschap hem op kon leveren. In die zin leek hij verdacht veel op de tollenaars die ook extra betaling rekenden op de officiële tolprijzen. Waarin de verkwisting van de eigendommen van de rijke man door die rentmeester bestonden wordt in het verhaal niet duidelijk. Ook is het vreemd dat de heer zich baseert op wat er van zijn rentmeester gezegd wordt. Hij geeft hem te horen dat hij ontslagen is en pas daarna stelt hij een onderzoek in naar de vermeende fraude.
Een oppervlakkige lezing van het verhaal kan eveneens leiden tot de conclusie dat de rentmeester na van zijn ontslag gehoord te hebben, de eigenaar nog even een loer draait door de schuldbewijzen nog snel even te vervalsen. Misschien daarom kreeg de man de kwalificatie van ‘onrechtvaardige rentmeester’ zoals de ingevoegde titel in veel bijbelvertalingen zegt. Het is dan wel vreemd dat de heer die rentmeester prees ‘omdat hij slim gehandeld had’ met de zaken en ten nadele van de eigenaar. Als het bij de kwijtgescholden hoeveelheden olie en graan echter om het percentage van zijn eigen winst gaat, dan benadeelt hij de eigenaar geenszins maar schept hij wel een garantie voor zijn eigen toekomst. Dat is slim handelen en dat wordt door de heer geprezen.
De verzen 9-13 zijn toevoegingen en een zekere toepassing van de idee van de parabel. De essentie van deze verzen is de uitspraak ‘maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen als de mammon er niet meer is’. In de klassieke oudheid was het maken van vrienden, het patronaat, een gewoonte om garanties te bekomen voor het eigen leven. De uitspraak kan zodoende gezien worden als een waarschuwing ‘kijk uit voor je toekomst’. Hoe we ons die ‘eeuwige tenten’ moeten voorstellen is niet direct duidelijk. Een Hebreeuwse vertaling van het Nieuwe Testament gebruikt de term misjkenot, hetgeen ‘buren’ betekent. De waarschuwing is dus een oproep om zo te handelen dat je later, voor altijd (aionious; olam), bij je buren, terecht kunt. Deze oproep gaat eveneens in de richting van een waarschuwing om te zorgen dat je ook voor altijd kunt rekenen op de opname door God.
Preekvoorbeeld
Met enige regelmaat belt er een bedelaar bij me aan. Ik kan moeilijk ‘nee’ zeggen, maar ik wil ook niet met mijn geld een of andere verslaving in stand houden. ‘De politie heeft vannacht mijn tentje in beslag genomen’, begon een jonge man zijn verhaal. ‘Hebt u een tentje?’ Ik belde iemand van de diaconie. Ja, ze had een tentje. Zou ze komen brengen. Zo raakte ik bij een kop koffie met hem in gesprek. Hij vertelde over zijn jeugd vol geweld van een vader die aan de drank verslaafd was. Als tiener was hij van huis weggelopen. Hij had onderdak gevonden in een woon- en werkgemeenschap in Frankrijk. Afgelopen maand had hij op Facebook gezocht naar zijn familie en waarachtig foto’s gevonden van zijn moeder aan een gezellig diner. Heimwee had hem naar Nederland gelokt, maar hier ze hadden hem de deur gewezen. Teveel oud zeer.
We hebben hem geholpen met een buskaartje naar Frankrijk. Een maand later stuurde hij een foto uit Marseille waarop hij met een koksmuts op het hoofd stond te koken.
Zo heeft elke oplichter, elke bedelaar, elke vluchteling zijn verhaal. En bijna ieder verhaal vertelt wat je eigenlijk niet horen wilt..., namelijk dat de ander die je in de ogen kijkt, dat die er net zo een is als jij. Je had in hetzelfde schuitje gezeten, als je niet alle geluk van de wereld had gehad.
Op de markt werd waar afgemeten in een kistje van 34 cm hoog, breed en lang, dus van ongeveer 40 liter. Als je deze maat een paar centimeter kleiner maakte, had je extra winst. Zeg maar: zoals met dat pak bakmeel waar – voor dezelfde prijs – ineens 35 gram minder in zat! ‘Krimp-flatie’ noemen we dat tegenwoordig! Bij het afrekenen woog de handelaar de waarde van jouw geld af met een sjekel van dik 10 gram. Als hij die sjekel verzwaard had, liet de klant dus teveel betalen. Deze handelaars konden niet wachten tot de heilige dag was afgelopen. De profeet Amos ergert zich aan deze mentaliteit. Eens kijken wat Jezus zegt over fraudeurs...!
De parabel van de onrechtvaardige rentmeester vinden veel lezers lastig. Het compliment van Jezus aan de oplichter is moeilijk te verteren!
Toespraken van Jezus zijn wel vaker provocerend. Dan wil Hij zijn publiek wakker schudden. Dat doet Hij bijvoorbeeld door ons onsympathieke mensen tot voorbeeld te stellen. U kent ongetwijfeld de dief in de nacht of de vijf egoïstische danseresjes die hun olie weigeren te delen met collegaatjes. Jezus bedoelde niet dat we op die berekenende meiden moeten lijken. Hij wijst ons erop dat zij zich tenminste op het onverwachte hadden voorbereid. Dat is het – en dat alleen! –, wat we van hen kunnen leren.
Zoiets gebeurt ook in de parabel van vandaag. Een bedrieger wordt ons tot voorbeeld gesteld. Echter niet om zijn gesjoemel na te volgen. We moeten niet het vermogen van anderen achterover drukken. Nee, Jezus zegt: ‘deze oplichter doet wat jullie te weinig doen; hij vergeeft. Hij vergeeft uit puur eigenbelang, maar hij doet het tenminste!’
Ik zou me kunnen voorstelen dat aan deze parabel een ware gebeurtenis ten grondslag ligt. Een onbetrouwbare rentmeester was ontslagen, maar voordat dit tot de buitenwereld was doorgedrongen, begon hij – op kosten van zijn heer! – schulden kwijt te schelden. Zo maakte hij vriendjes voor als hij straks zonder inkomen zat. Nu komen mensen naar de wetgeleerde, naar Jezus, om zijn oordeel te vragen. Kon deze rentmeester wel rechtsgeldig schuld kwijtschelden, nu zijn Heer hem al ontslag had aangezegd? De vragenstellers verwachten een veroordeling van de onbetrouwbare knecht. Maar Jezus trekt een onverwachte conclusie. Hij prijst de rentmeester! Hoe crimineel hij ook is, hij vergeeft tenminste, ‘en dat doen jullie niet.’
Zo bezien is de parabel goed te verteren. Maar hebben we nu de angel uit het verhaal gehaald? Jezus wilde ons toch schokken!?
Het woord rentmeester gebruikt Jezus elders om ons allen te typeren. Wíj zijn Gods zaakgelastigden. Ook de lieden die Jezus om een juridisch oordeel vragen, zijn zelf allemaal Gods rentmeesters. Ze vinden dat zij de goede en eerlijke knechten zijn. Ze veroordelen de man die zich dingen van zijn heer toe-eigent en die doet, alsof het allemaal van hem is.
Wil Jezus misschien zeggen: ‘ik zie het verschil niet zo goed, tussen jullie en die oplichter. Jullie doen ook alsof het land van jou is, alsof anderen geen recht op de oogst hebben, alsof hongerende kinderen pech hebben gehad, omdat ze op het verkeerde continent geboren zijn. En als jullie aalmoezen geven en schuld vergeven, dan put je uit de oneindige gaven die je om niets in de schoot geworpen zijn. Maar het verschil tussen jullie en die sjoemelaar is, dat hij tenminste aan zijn debiteuren vergeving schenkt. De rijkdommen waarover hij beschikt zijn sowieso niet van hem.
De bedelaar aan de deur, de vluchteling aan de grens, ze zijn net zo een mens, als je er zelf een bent!
inleiding Gerard van Buul OFM
preekvoorbeeld Harrie Brouwers
28 september 2025
Zesentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Am. 6,1a.4-7; Ps.146; 1 Tim. 6,11-16; Luc. 16,19-31 (C-jaar)
Inleiding
Het thema van de lezingen van deze zondag is de gerechtigheid en de verantwoordelijkheid die mensen hebben voor het lot van anderen die hun solidariteit nodig hebben. Leven we langs elkaar heen of laten we ons raken? Zowel de oudtestamentische tekst als die uit het evangelie zijn nadrukkelijk gericht tot welgestelde mensen, en de woorden en beelden zijn hard. Daar zal een bedoeling achter liggen: ze willen hen wakker schudden die dat misschien het hardst nodig hebben.
Amos 6,1a.4-7
Amos is onder de schrijvende profeten degene die het meest expliciet en onomwonden de sociale ongerechtigheid in Israël aanklaagt. De tekst van vandaag is er een goed voorbeeld van. Ook bij andere profeten vinden we natuurlijk de sociale aanklacht – het behoort tot de kernboodschap van de profeten van Israël – maar vaak is die indirect. Dan spreekt de profeet bijvoorbeeld in veroordelende zin over afgodendiensten. Tot aan de tijd van de ballingschap tierden die welig in heel Israël, zowel in het Noord- als Zuidrijk. ‘Jullie laten de God van Israël in de steek en hangen andere goden aan. Dat leidt tot jullie ondergang’, zeggen de profeten. Ze willen dat er een einde komt aan die afgodendiensten. De andere goden stichten verwarring en ontkrachten het verbond van God met zijn volk. Het is het project dat God met zijn volk had ingezet toen het ontstond bij de uittocht uit Egypte en bij de berg Sinai: dat het zou leven in onderlinge solidariteit, sober, met voortdurend oog voor de armen en uitgeslotenen, en daarin met God verbonden. Als de profeten kritiek leveren op de afgodendiensten gaat het dus ook altijd over het in de steek laten van dit oorspronkelijke project.
Amos spreekt nauwelijks over afgodendiensten. Hij bekritiseert wel krachtig de valse liturgie, het brengen van offers aan jhwh – allemaal volgens de regels en uitbundig en overdadig (4,4v; 5,21-24). Die liturgie is vals, omdat er eer gebracht wordt aan God, maar tegelijk zijn project van recht en gerechtigheid onder zijn volk met voeten getreden wordt. Precies dat is onverteerbaar voor de profeet. Hij verkondigt z'n boodschap luid en duidelijk, totdat hij door de autoriteiten het land uitgezet wordt. Hij was immers een zuiderling die in het Noordrijk was komen preken (7,10-13).
Amos voorspelt dat het de rijke uitbuiters slecht zal vergaan. Dat is het thema door alle hoofdstukken van het boek heen. Je kunt je afvragen wat voor indruk hij daarmee gemaakt heeft op hen die hij bekritiseerde en of hij er enige verandering mee heeft kunnen bewerken. Maar de geschiedenis heeft hem gelijk gegeven. Amos trad op rond 760 vChr. toen koning Jerobeam II over het Noordrijk regeerde en er relatieve rust en welvaart heersten (dat laatste alleen voor de sociale bovenlaag). In 722 werd Samaria ingenomen door de Assyriërs en werd een groot gedeelte van de bevolking, waaronder zeker de machtigen en rijken, in ballingschap weggevoerd. Ziedaar het gelijk van de profeet!
Het boek Amos is, zoals alle profetische geschriften, verschillende keren aangevuld en geredigeerd. Het gelijk van de profeet is zeker nadien door de redacteuren nog wat meer aangezet. Zo zal in de korte tekst van vandaag het woord 'ballingschap' in vers 7 ofwel toegevoegd ofwel benadrukt zijn, toen de ballingschap van de Noordrijkers eenmaal een feit was geworden. En in vers 1 worden niet alleen de zelfverzekerden op de berg van Samaria, maar ook de zorgelozen in Sion aangesproken. Dat laatste zal Amos zelf niet gedaan hebben, maar jaren later een volgeling van Amos in het Zuidrijk. Samaria was verwoest, maar moge Jeruzalem niet het zelfde lot treffen! Dan moet men wel de boodschap van Amos ter harte nemen, want in Juda heerste net zo goed onrecht als toentertijd in het Noordrijk.
De vrijmoedigheid waarmee profetische teksten bewerkt en aangevuld zijn, blijft voor ons altijd een eyeopener. Het geeft ons de ruimte om de bijbelse teksten met eenzelfde vrijmoedigheid te actualiseren en te betrekken op onze situatie. De onwil, wijd verbreid in onze tijd, om zich te bekommeren om het lot van wie het minder getroffen hebben, valt onder het oordeel van de profeet.
1 Timoteüs 6,11-16
Zie A.B. Merz, ‘De eerste brief aan Timoteüs. Pseudo-Paulus stelt voor altijd orde op zaken’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 69-79.
Lucas 16,19-31
Wie zich niet laat raken door het leed van anderen... Het is een thema dat vaker opduikt in het evangelie van Lucas. Laten we drie episodes naast elkaar zetten, waarvan de gelijkenis van vandaag de laatste is.
In hoofdstuk 10,25-37 staat het gesprek van Jezus met een wetgeleerde over de vraag hoe je deel kunt krijgen aan het eeuwig leven. ‘Wees een naaste voor wie jou nodig heeft,’ is Jezus’ uiteindelijke advies, en Hij heeft dat geïllustreerd met het verhaal over de barmhartige Samaritaan, die zijn reis liet onderbreken door de gewonde man langs de weg. De priester en de leviet daarentegen lieten de man links liggen.
In hoofdstuk 13,1-9 richt Jezus zich met zijn gelijkenis van de vijgenboom tot hen die vooral in termen van 'eigen schuld dikke bult' denken over slachtoffers van oorlog en ongeluk. ‘Jullie leven zal net als die vijgenboom onvruchtbaar zijn als je je niet bekeert,’ zegt Jezus.
Nu, weer drie hoofdstukken verder, gaat het opnieuw over iemand die lijdt en een ander die er langsheen leeft, druk met zijn feesten en mooie kleren. Lazarus is als de gewonde reiziger langs de weg tussen Jeruzalem en Jericho of als de Galileeërs die door Pilatus zijn afgeslacht en als de mensen die onder de brokstukken van de instortende toren van Siloam terechtkwamen. De gewonde reiziger trof het goed met de Samaritaan die langskwam: hij werd verzorgd en kreeg de kans om weer op te knappen. De doden van Galilea en Siloam hebben met Lazarus gemeen dat ze gestorven zijn zonder dat er naar hen is omgekeken.
Maar de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus heeft een ontknoping, en die krijgt alle nadruk. Het loopt uiteindelijk goed af met de arme Lazarus en slecht met de rijke man, maar dit 'happy end' wordt verlegd tot na dit leven. Dat geeft aan het verhaal de spanning van een geschiedenis die nog niet tot een oplossing gekomen is. Laten we dit eens goed bekijken. De toehoorder of lezer van deze gelijkenis zou in de verleiding kunnen komen te denken: aan alle onrecht in deze wereld komt een eind, want na onze dood worden de goeden beloond en de slechten bestraft. Maar als je zo leest kun je jezelf buiten schot laten, want God zelf zet immers de zaken recht. Het onrecht dat nu het lijden van velen veroorzaakt kun je daarmee ook buiten schot laten. Deze interpretatie van het verhaal is daarom onverteerbaar, Amos zou er heftig tegen protesteren. De geschiedenis komt niet tot een oplossing door alleen maar te hopen op goddelijke gerechtigheid in het hiernamaals.
Bij een nauwkeuriger lezing van de gelijkenis zien we dat de ontknoping misschien juist wel niet draait om het lot van Lazarus en de rijke man, maar om dat van de vijf nog levende broers van de rijke man. Wat kunnen zij doen om het eeuwige leven te verwerven (en de eeuwige verdoemenis te ontlopen)? Dat is dezelfde vraag die in hoofdstuk 10 de wetgeleerde aan Jezus stelde. Hier volgt ook hetzelfde antwoord: de broers hebben de Wet en de Profeten, zo goed als de wetgeleerde de samenvatting van de Wet al kent in het gebod om God lief te hebben en je naaste als jezelf. Wat dan nog overblijft is de heel concrete vraag: van wie kan ik de naaste worden? Wie ligt er langs mijn weg of voor mijn deur? Het is misschien een kwestie van onze ogen openen (of laten openen) en kijken.
Tot slot een kleine speculatie over die beelden van het hiernamaals: Augustinus zegt in zijn uitleg van het Onze Vader dat de hemel is als de ziel van de rechtvaardigen. De hemel breekt af en toe door in ons aardse leven. Het is God die ons daar de ogen voor opent.
De blik die ons vergund wordt op Lazarus en de rijke man na hun dood werpt – opnieuw – meer licht op ons hier en nu dan op wat ons na de dood te wachten staat. We krijgen een bevestiging van wat we misschien diep in ons hart al weten: je niets aantrekken van het leed van anderen deugt werkelijk niet. Leven zoals de rijke man brengt schade toe aan je ziel, is een doodlopende weg, in het beste geval leidt het vroeg of laat tot gewetenswroeging. Het erbarmelijke leven van Lazarus is misschien minder erbarmelijk dan het lijkt. Dit laatste zeg ik met aarzeling, want ik wil er niets mee gladstrijken of wegpoetsen, maar ik zeg het ook met overtuiging: al te vaak heb ik in het leven van arme mensen grote rijkdom van ziel gezien, geluk, eenvoud en vanzelfsprekende solidariteit. Wat van buitenaf grauw en armoedig lijkt, blijkt van binnen volop van leven te getuigen. Zo is het beeld van Lazarus op schoot van Abraham een troost, niet omdat het ons wil zeggen dat we na een leven vol lijden in de hemel komen, maar omdat het ons erop wijst dat ook al tijdens ons leven ziekte en leed nooit het enige en laatste woord hebben. En wie ons deze gelijkenis vertelt kan het weten.
Literatuur
Aurelius Augustinus, Het huis op de rots – Verhandeling over de bergrede. Vertaald en van aantekeningen voorzien door Leo Wenneker en Hans van Reisen, Ambo Amsterdam 2000 en verschillende herdrukken daarna, p. 135-137.
Preekvoorbeeld
Het is altijd goed een Evangelieverhaal in de context te bekijken. En dan zien we hoe in hetzelfde hoofdstuk 16 van het Lucasevangelie, vlak voor het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus, een ander verhaal wordt doorgegeven, ook over een rijke. Deze komt voor het voetlicht, niet betreffende zijn verhouding tot een arme stumper, maar in zijn verhouding tot zijn rentmeester.
Beide rijkemansverhalen hebben een boodschap. Het ene verhaal helpt het andere beter te begrijpen.
De eerste rijke komt zelf weinig in beeld, meer zijn rentmeester. Deze wordt door zijn meester op een goed moment vanwege verkwistend gedrag ter verantwoording geroepen. We kennen het verhaal: de rentmeester begreep al meteen, toen hij schuldig voor zijn meester stond, dat zijn ontslag aanstaande was. Wat zou hij doen? Hij maakt een plan. Hij bedenkt: ik ga de schuld, die de schuldenaars bij mijn meester hadden, ten dele kwijtschelden. Zo zullen zij, wanneer hij ontslagen zal worden, hem goed gezind zijn en wellicht dat hij, als hij op straat komt te staan, bij een van hen onderdak kan vinden. De rijke meester hoort van dat plan en in plaats van kwaad te worden, vindt hij het slim wat zijn rentmeester bedacht heeft om zich na zijn ontslag in te dekken.
We weten dat Jezus een afschuw had van alles wat met de onrechtvaardige mammon, met het verkeerd gebruik van geld, te maken heeft. Het is voor Hem: God of de mammon (v. 13 in ditzelfde hoofdstuk 16) – maar toch, ondanks diens berekenend, zakelijk gedrag, stelt Hij de slimme rentmeester tot voorbeeld voor zijn leerlingen. Zijn raad is: zij, zijn leerlingen, moeten ook slim zijn en zorgen vrienden te verwerven – eventueel zelfs door het aanwenden van de onrechtvaardige mammon als het om hulp aan misdeelden gaat –. want stel, dat ze ooit voor de hemelpoort komen te staan, dan zullen ze welgezinden hebben, die bij God voor hen pleiten, - die God herinneren aan het goede, dat gedaan is, - en omwille van die pleidooien, zullen ze worden binnengelaten. Zij waren betrouwbaar geweest wat betreft de onrechtvaardige mammon (het kleine), hen zal het grote, het ware (het Griekse woord is alèthinon) worden toevertrouwd. Bedoeld wordt: het ware leven over de dood heen, onderdak in eeuwige tenten.
Gaan we nu naar de rijke van deze zondag, die ervan hield iedere dag feest te vieren en in fijn linnen gekleed te gaan. Hij gaat zo op in die braspartijen, dat hij niet eens ziet hoe er een arme stumper buiten voor zijn deur ligt, hongerig, met zweren overdekt. Misschien ziet hij hem wel, maar doet hij net of die man niet bestaat, loopt hem glad voorbij. Had hij maar iets gehad van de slimheid van de rentmeester over wie het zojuist ging! Dan zou hij, al puur uit berekening, die arme stumper iets hebben toegestopt, een beetje van de onrechtvaardige mammon, waarvan hij zoveel in zijn portemonnee en op zijn bankrekening had staan! Deze had hem dankbaar aangekeken. Hij had zich een vriend verworven. Zou hij ooit voor de hemelpoort komen te staan, dan zou die vriend, al gestorven, vast bij God positief over hem gesproken hebben, voor hem gepleit hebben! Maar nee hoor! Hij was niet slim als de rentmeester, maar dom in zijn rijkdom, helemaal opgaande in zijn feestvierend bestaan, totaal geen oog hebbend voor de nood en het gebrek in de wereld, blind voor de man bij de poort van zijn huis!
Nu begrijpen we het vervolg van het verhaal van de rijke van deze zondag. Hij kwam te sterven en na een leven vol feest met drinkvrienden en broers, die net als hij waren, ging hij naar de onderwereld. Hij zag Abraham en Lazarus in diens schoot, maar dat was ergens helemaal in de verte aan de andere kant van een diepe kloof. Al die feesten hadden hem vrienden opgeleverd, zeker, – waar drank is en eten en drinken, daar krijg je gemakkelijk vrienden, maar het waren slechts schijnvriendschappen. Hij had niemand tot echte vriend, ware vriend, kunnen maken, iemand, die in Gods oog tot de kleinen of armen behoorde, die voor hem zou willen pleiten, iemand, die een goed woordje voor hem zou willen doen. Eenzaam, hulpeloos riep hij, ja smeekte hij vanaf deze kant van de kloof naar de andere kant! Zou dat misschien de hel zijn: eenzaamheid, geen vrienden hebben, niemand hebben, die het voor je opneemt, omdat jijzelf het nooit voor iemand hebt opgenomen, in kille afstandelijkheid vertoeven, terwijl daarginds ver weg feestgedruis is en hemelse muziek, feest van de kinderen Gods en van Abraham, elkaar toegewijd in vriendschap en liefde!
De rijke begrijpt dat voor hemzelf niets meer te doen valt, daarom vraagt hij voor zijn vijf broers, dat die gewaarschuwd worden, dat ze niet in dezelfde situatie terecht zullen komen. Abraham is heel laconiek: niet nodig, ze hebben alles wat nodig is: de wet, de profeten, Mozes, het woord van God in de Bijbel en later de prediking van het evangelie. En als de rijke dan zegt: laat iemand uit de doden opstaan, dan zullen zijn broers geloven. Vandaag weten we dat hij op zijn wenken bediend werd: Jezus verrees uit de doden. Maar voor die broers zou het niet helpen. Ze waren doof voor Mozes en de profeten, ze zouden ook doof blijven voor de opgestane Christus. Jezus zou inderdaad een nieuw hart kunnen geven, onverschilligheid kunnen doen omkeren tot compassie, ‘met een boog om het leed heenlopen’ veranderen in ‘betrokkenheid bij het leed van een ander’ maar voor die broers was dat niet meer weggelegd!
Feestvieren en slemppartijen: we hoorden hierover ook in de eerste lezing uit de profeet Amos. Het ging om de zorgelozen en zelfverzekerden op Samaria’s berg, vele honderden jaren al voor Christus. Ze dronken wijn uit brede schalen, maar om Jozefs ondergang bekreunden ze zich niet. Ook toen al: opgaan in genotzucht, drink- en eetfestijnen, maar geen solidariteit met anderen die het moeilijk hebben. Ze blokkeerden het voor zichzelf om vrienden – échte vrienden – te maken, die wérkelijk om hen gaven, voor hen pleitten of het voor hen opnamen. De gevolgen bleven niet uit: ze gingen in ballingschap. Van hun land en staat bleef niets over. Anderen zouden het bevolken. Door wat ging gebeuren na het jaar 721 vChr., het jaar dat hun ballingschap in ging, werden ze zwaar gestraft en verloren ze alles.
Alles winnen en het ‘ware’ krijgen toevertrouwd, dat kan echter ook! Dit hoorden we in de tweede lezing van deze zondag uit de 1ste brief van de apostel Paulus aan zijn leerling Timoteüs. ‘Strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwig leven’ schrijft hij aan zijn beminde leerling en hij roept dit ook ons toe, die nu leven. ‘Streef naar gerechtigheid, godsvrucht, liefde, volharding, zachtmoedigheid’ en: ‘bewaar dit gebod ongerept en onbevlekt.’ Maar waarom zouden we dit doen, al die inspanning? Wel, ‘eens zal te rechter tijd’ – zo gaat de apostel verder – ‘onze Heer Jezus Christus verschijnen, Hij, de enige Heerser, de grote Koning, de opperste Heer die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in ongenaakbaar licht.’ Het is in dat licht, zo mag onze hoop zijn, dat ook wij eens zullen opstaan met Christus! Een grotere vriend – als het zover komt –, die voor ons zal pleiten en voor ons zal opkomen bij de hemelse Vader, kunnen we ons niet indenken!
inleiding drs. Marc van der Post
preekvoorbeeld Tiemen Brouwer OP
4 oktober 2025
Heilige Franciscus van Assisi
Preekvoorbeeld
Franciscus en Lucas 9,3
10a. Twee burgers van de stad, in hun hart geraakt door Gods genade, kwamen nederig naar Franciscus toe. Een van hen was broeder Bernardus, de andere broeder Petrus. En ze zeiden hem simpelweg: ‘We willen voortaan bij je blijven en doen zoals jij doet. Zeg ons dus wat we met onze bezittingen moeten doen.’ Franciscus was juichend gelukkig over hun komst en hun verzoek en antwoordde hun vriendelijk: ‘Laten we de Heer om raad gaan vragen.’
10b. Ze begaven zich dus naar een kerk in dezelfde stad, gingen er binnen, knielden nederig neer en vroegen biddend: ‘Heer God, Vader van de heerlijkheid, wij vragen U ons in uw barmhartige liefde te laten weten wat we moeten doen.’ Na hun gebed vroegen ze de priester van die kerk, die daar op dat moment aanwezig was: ‘Vader, wees zo goed ons het evangelie van onze Heer Jezus Christus te laten zien.’
11a. Omdat ze zelf nog niet goed wisten hoe ze bij het lezen van het evangelieboek te werk moesten gaan, opende de priester het boek voor hen. Meteen al vonden ze de passage waarin geschreven stond: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan alles verkopen wat je bezit, en geef het aan de armen; dan zul je een schat bezitten in de hemel.’ Ze bladerden verder in het boek en vonden toen: ‘Wie mijn volgeling wil zijn…’ enzovoort. En toen ze nog een keer de bladen omsloegen, stuitten ze op: ‘Neem onderweg niets mee…’ enzovoort. Een overweldigende vreugde maakte zich van hen meester toen ze dit hoorden, en ze zeiden: ‘Dat is het wat we verlangden, dat zochten we.’ En de zalige Franciscus zei: ‘Dat zal onze leefregel zijn.’ Daarna sprak hij tot de twee anderen: ‘Je hebt de raad van de Heer gehoord; ga hem dus uitvoeren.’
11b. Broeder Bernardus ging dus heen en omdat hij rijk was, bracht de verkoop van al zijn bezittingen hem veel geld op. Broeder Petrus was echter altijd al arm geweest aan stoffelijke goederen, maar in geestelijke goederen was hij reeds rijker geworden. Ook hij deed wat de Heer hem geraden had. Vervolgens haalden ze de armen van de stad bij elkaar en verdeelden onder hen het geld dat de verkoop van hun bezittingen hun had opgebracht.
[Max Sier, Henk Loeffen, Herinneringen aan broeder Franciscus, deel 2, Haarlem 1985, hoofdstuk II: ‘De eerste twee broeders van de zalige Franciscus’]
Lucas 9,3: ‘Neem niets mee voor onderweg, geen stok, geen reistas, geen brood en geen geld, en ook geen extra kleren’, is een vers uit de uitzendingsrede van de apostelen. Een vergelijking van deze tekst van Lucas met de versies van Matteüs en Marcus laat al zien dat de drie synoptische evangelisten niet helemaal met elkaar overeenstemmen.
In het begin van zijn nieuwe leven heeft Franciscus op verschillende manieren gezocht naar aanwijzingen voor zijn levensvorm. Interessant is dat in de oudste levensbeschrijving (Vita 1) door Thomas van Celano niet over een onderzoek in het evangelie gerept wordt. Daarvoor moeten we te rade gaan bij andere levensbeschrijvingen van Franciscus zoals: het tweede boek van Celano,(Vita 2) en voorts in De legende van de drie gezellen en in de hier geciteerde Herinneringen aan broeder Franciscus. Maar ook die teksten stemmen niet helemaal met elkaar overeen. Alleen dit laatste werk laat een duidelijke verbinding zien met Lucas 9,3.
Op verzoek van de broeders, Bernardus en Petrus, gaat Franciscus samen met hen naar één van de kerken in Assisi, mogelijk de Nicolaaskerk, om het evangelie te raadplegen over de weg die zij zouden moeten gaan. Sommige commentaren interpreteren die gang naar de kerk en het evangelieboek als een oude gewoonte, bekend als de sortes apostolorum. Deze bestond erin dat men drie keer op goed geluk het evangelieboek opende en de tekst die men zo aantrof als een goddelijke aanwijzing beschouwde van hoe te handelen.
In zijn Testament schrijft Franciscus dat hij en zijn broeders ongeleerd, ongeletterd waren. Vaak is dat uitgelegd alsof zij (semi) analfabeten zouden zijn. Dit weerspreekt echter de realiteit. Franciscus las en schreef Latijn. Broeder Pietro was doctor in de rechtsgeleerdheid terwijl van Bernardus eveneens aangenomen wordt dat hij bedreven was in lezen en schrijven.
De anonieme auteur van de Herinneringen aan broeder Franciscus vertelt dat de broeders nog niet goed wisten hoe ze bij het lezen van het evangelieboek te werk moesten gaan. Waarschijnlijk kenden zij het evangelie van de lezingen in de liturgie, zonder precies te weten waar de betreffende tekst te vinden was. De hulp van de priester was zodoende nodig. Als het zou gaan om een consult op goed geluk zouden ze daar geen hulp voor nodig hebben.
We kunnen ons de scène in die kerk als volgt voorstellen. De broeders hebben een idee hoe ze willen gaan leven en zoeken nu een bevestiging daarvan in het evangelie. Maar waar moeten ze precies zoeken? Ze vertellen de priester over hun plan te leven zoals Jezus en de apostelen, waarop de priester voor hen teksten laat zien die met hun plannen overeenkomen.
Nu kan de vraag rijzen of dat wel overeenkomt met de oude biografieën en met wat Franciscus schrijft in zijn Testament: ‘Nadat de Heer mij enkele broeders had gegeven, toonde niemand mij wat ik moest doen, maar de Allerhoogste zelf heeft mij geopenbaard dat ik moest leven volgens het model van het heilig evangelie.’
Hier hoeven we niet direct aan een of andere bijzondere openbaring van God te denken. Franciscus zelf is behoorlijk terughoudend over bijzondere of wonderbaarlijke openbaringen in zijn leven. Nergens schrijft hij over de ervaring voor het kruis van San Damiano of over de stigmatisatie op de Vernaberg. Het feit dat Franciscus en zijn broeders een bevestiging vonden in het evangelie voor de wijze van leven die zij wilden volgen, hebben zij als een openbaring van Gods kant geïnterpreteerd.
Na het vinden van de gezochte evangelieteksten is volgens de auteur de reactie van de broeders: ‘Dat is het wat we verlangden, dat zochten we.’ Deze uitroep lijkt een echo van de beschrijving van Celano in zijn eerste hagiografie waar hij vertelt van de evangelielezing in het kerkje van Porciuncula. Daar hoort Franciscus van de oproep van Jezus om op weg niets mee te nemen. En dan is zijn reactie: ‘Dat is wat ik wil, wat ik zoek, dat is het wat ik wil doen met heel mijn hart’ (1 Cel 22,3).
En nu naar Lucas. Volgens de anonieme auteur van de Herinneringen aan broeder Franciscus werd het evangelieboek drie keer geopend. Bij de derde keer lazen ze: ‘Neem voor onderweg niets mee: geen staf, geen reiszak, geen brood, geen geld. Ook mag niemand twee stel onderkleren bij zich hebben’ (Luc. 9,3).
Aan het begin van de voorlopige redactie van de regel van de minderbroeders wordt hun levenswijze beschreven als: ‘leven in gehoorzaamheid, in kuisheid en zonder eigendom, en de leer en de voetstappen van onze Heer Jezus Christus volgen’ (RnB 1,1).
Voor Franciscus en zijn twee gezellen was de Lucastekst die zij in de kerk te horen kregen blijkbaar een duidelijke aanwijzing hóe zij in de voetstappen van onze Heer Jezus Christus moesten treden. Deze immers was nog armer dan de vossen die hun holen of dan de vogels die hun nesten hadden, terwijl de Mensenzoon zelfs niets had om zijn hoofd op te leggen (Mat. 8,20).
Gerard van Buul OFM
5 oktober 2025
Zevenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Hab. 1,2-3 en 2,2-4; Ps. 95; 2 Tim. 1,6-8.13-14; Luc. 17,5-10 (C-jaar)
Inleiding
Profeten-lezing: Habakuk 1,2-3; 2,2-4
Dan zijn er de twaalf profeten:
mogen hun beenderen in hun graf weer opbloeien.
Want ze hebben Jakob moed gegeven
en het volk door hoop en vertrouwen gered.
(Sirach 49,10)
Habakuk is één van de twaalf kleine profeten. Van hem is weinig bekend. Hij treedt in Juda omstreeks 600 voor de gewone jaartelling op. Juda wordt overheerst door de Chaldeeën; de Babylonieërs onderdrukken de mensen van Juda. Maar de profeet constateert ook dat de mensen van Juda niet naar de Tora luisteren en ongerechtigheid plegen.
Daarom roept Habakuk tot de Barmhartige om hulp. Het lijkt erop dat de profeet bij JHWH geen gehoor vindt. Daarom heft hij een klaaglied aan.
In een klaaglied kunnen we drie elementen onderscheiden: aanroeping van JHWH, klacht en smeekbede om redding. In Habakuk 1 en 2 heeft het klaaglied de vorm van een dialoog tussen Habakuk en JHWH. waarin deze drie delen verweven zijn.
Voor ‘rechtsverkrachting’ gebruikt de profeet verschillende woorden: onder andere ‘geweld’ en ‘arglist.’ De mensen die de Tora verkrachten en het recht verdraaien verdringen de rechtvaardigen: ‘deze wereld omgekeerd’! JHWH gebruikt de Chaldeeën om de ogen van de mensen in Juda te openen zodat zij omkeren en weer de weg van de Tora gaan (1,5-11).
Habakuk betrekt zijn post als wachter op het bolwerk: ‘kijkt uit wat het antwoord is van de Barmhartige’. Hij moet het visioen duidelijk op platen griffen, zodat het in een oogopslag goed te lezen is. Het visioen laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘wie niet oprecht is kwijnt weg, maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw’ (2,4; Rom 1,17). De verdrukker zal omkomen, het trouwe Juda zal leven. Emunah (2,4) is een geladen woord: vastheid, stevigheid, trouw van mensen onderling en trouw aan God. Met volharding wacht de getrouwe op de vervulling van het woord van God.
De profeet Habakuk verkondigt ook een blijde boodschap (3,17-19):
Al zal geen wijnstok dragen,
geen vijgeboom zijn vrucht,
al ligt het veld te klagen
onder een lege lucht,
God doet zijn hand toch open,
zijn lof krijgt stem in mij.
Daar ik op Hem mag hopen,
ben ik alleen maar blij.’
[Liedboek 448,4]
Lezing uit de brieven: 2 Timoteüs 1,6-14
Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.
Evangelie-lezing: Lucas 17,5-10
In devoorafgaande perikoop maakt Abraham duidelijk hoe belangrijk het is als het gaat over dood en leven, om naar Mozes en de Profeten te luisteren (16,19-31). Aan de hand van Mozes en de Profeten (de Bijbel van Jezus) duidt Jezus zijn leven, in al zijn kleuren. Hij benadrukt ook de zusterlijke verantwoordelijkheid voor elkaar. In goede en in kwade dagen heb je voor elkaar in te staan. Als leden van de gemeente, het lichaam van Jezus Christus, waarvan Jezus het hoofd is. Wanneer een zuster of broeder zondigt (door niet trouw te zijn aan elkaar en aan God) dien je haar of hem ernstig toe te spreken. Wanneer hij of zij berouw heeft en zich bekeert, dien je haar of hem te vergeven, zelfs tot zevenmaal toe op een dag (zusterlijke vermaning/correctio fraterna – Luc. 17,3v). Op deze woorden van Jezus, reageren de apostelen met de vraag om meer geloof/trouw. Blijkbaar kun je alleen door een groot geloof je zusterlijk barmhartig gedragen tegenover elkaar. Geloof zo groot als een mosterdzaadje is volgens Jezus echter genoeg.
Wanneer je doet wat je is opgedragen (door Tora en de Profeten, God, Jezus) zeg dan: ‘wij zijn maar eenvoudige knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan’.
Lieve Heer, Gij zegt kom en ik kom,
want mijn leven is onder de macht gesteld
van de Heer die mijn dagen en nachten telt
en de Heer zegt kom en ik kom.
[Liedboek 51]
Literatuur
Amy-Jill Levine & Marc Zvi Brettler, Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, Haarlem/ Antwerpen 2024.
Preekvoorbeeld
Jezus heeft het in zijn gelijkenis over een slaaf. We moeten het dus over slavernij hebben, over rechten en plichten, en over hoe de Heer met ons omgaat. ‘Als iemand van jullie een slaaf zou hebben.’
Relaties tussen mensen worden in geld uitgedrukt. Wij doen heel naïef alsof dat verwerpelijk is, maar ondertussen bouwen ook wij krediet op bij de een, bij wie we een potje kunnen breken, terwijl een ander schuld heeft aan wat ooit is misgegaan, en je draagt het hem of haar nog altijd na en kunt hem/haar niet vergeven.
Daarbij denken we wel niet meteen aan geld, maar onze taal is er wel naar: schuld, vergeving = kwijtschelding, krediet. Dat laatste is een mooi voorbeeld. Krediet opbouwen betekent: aanzien, geloofwaardigheid, invloed, vertrouwen opbouwen, maar ook: een afbetalingsregeling, een hypotheek, een lening. Relaties kunnen in geld en macht worden uitgedrukt.
‘Als iemand van jullie een slaaf zou hebben…’ Zo heb ik het wel gelezen, maar de Nieuwe Bijbelvertaling heeft die ‘slaaf’ wegvertaald en er ‘knecht’ van gemaakt, en in het tegenwoordige taalgebruik is die knecht ook al nergens meer te vinden, maar is een medewerker geworden.
De Nieuwe Bijbelvertaling heeft dat gedaan omdat het woord ‘slaaf’ (zo de NBG-vertaling 1951 en de nieuwe Willibrord) niet zo gemakkelijk postvat in het gedachtegoed van hedendaagse mensen. Slavernij behoort niet tot onze belevingswereld. Met het wegvertalen van het woord slaaf kijken we weg van vrouwenhandel, gedwongen prostitutie, dwangarbeid.
Heden ten dage worden wereldwijd 45.000.000 slaven gehouden, voor meer dan de helft in India, Pakistan, China, Bangladesh en Oezbekistan. De definitie van slavernij: ‘dat een persoon onder de controle staat van een ander persoon die geweld en dwang toepast om die controle in stand te houden, en als het doel van die controle uitbuiting is.’
Alleen al de omvang van kinderslavernij wordt wereldwijd geschat op 10 miljoen kinderen die werken als kindsoldaten, als slaaf in de steengroeven, in de tapijtindustrie in India, op cacaoplantages in Ivoorkust, de restavecs op Haïti, de kinderprostitutie, vooral in Zuidoost-Azië.
Jezus zegt: ‘Als iemand van jullie een slaaf zou hebben…’ Wij moeten de confrontatie met die gedachte aangaan; dat jij ongehinderd kunt beschikken over een ander, die doet wat jij zegt.
Als iemand van jullie een slaaf zou hebben, die ploegt of de kudden weidt, dan zal hij, die iemand van jullie, wanneer die thuiskomt van het land, toch niet tegen hem zeggen: “Ga maar meteen aan tafel”?
Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak iets te eten voor me klaar, doe je gordel om en bedien me terwijl ik eet en drink, en daarna kun je zelf eten en drinken”?
Hij bedankt de slaaf toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen?
En dan de perspectiefwisseling, de omkering. Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: ‘Wij zijn maar slaven, we hebben enkel onze plicht gedaan.’
Dus niet meer: stel, dat iemand van jullie slaven houdt, nee, jullie moeten zeggen: ‘Wíj zijn maar slaven, we hebben enkel onze plicht gedaan.’
‘Enkel onze plicht’, dat wil zeggen: er is iemand anders die recht op ons kan laten gelden. Hij is onze Heer, Hij heeft het over ons voor het zeggen, Hij heeft dat recht, wij zijn aan Hem verplicht.
Dit alles staat in de context van dat iemand je iets misdaan heeft. En het is je plicht – om Christus wil – hem of haar te vergeven.
Maar Hij zegt er wel iets bij: als diegene berouw toont. Dat is een voorwaarde. ‘Ik heb berouw’. Erkenning, spijt, berouw, inzicht – ja, dat is belangrijk, voor dader én slachtoffer. Dan komt er ruimte.
Christus zegt: dán is het je plicht. Niet als alles ontkend wordt, geloochend, je haalt je maar wat in je hoofd. Niet als je onder druk gezet wordt, gemanipuleerd met straf en beloning, niet als ze met bijbelteksten om je oren slingeren, niet als ‘vergeving’ je als algemene christelijke idee wordt opgelegd.
Maar in geval van berouw, ja, want dan kun jij verder en dan moet die ander ook verder kunnen. Dat is dan aan jou, als een daad van in vrijheidstelling, waarmee je vooral jezelf in vrijheid stelt: ik draag het je niet langer na.
Daar ben je soms wel mee bezig, met iets een ander nadragen, je loopt maar te zeulen, je tilt er zwaar aan, je blijft ermee bezig, het leidt tot niets.
Vergeving? Ik breng het niet op. Maar ik draag het je niet langer na. Ik houd ermee op. Ik loop er niet langer mee te slepen. Vooral ikzelf heb daar veel belang bij, want ik ben er moe van.
Ik draag het je niet langer na. En jij op jouw beurt, het ga je goed, je bent ook maar een mens.
Met die schuldvergeving, sta je voor de verleiding je macht te doen gelden, de ander door het stof te laten kruipen. Machtsfantasieën spelen op, je zou er een heel theater van kunnen maken, maar Jezus houdt je bij de les: ga jezelf niet te buiten.
Hij waarschuwt je voor te grote gebaren, houd het bij jezelf en zeg: ik heb slechts mijn plicht gedaan.
Wat is het, je vijand lief te hebben? Misschien wel dit, dat je hem blijft bejegenen als medemens, in de hoop dat hij het wórdt.
Rabbi Abbahoe (begin vierde eeuw) zegt: ‘Een dag met regen is groter dan de dag van de opstanding. Want de dag van de opstanding komt alleen de vromen ten goede, maar een dag van regen is zonder onderscheid goed voor vromen en zondaren.’ Ik wens u nog een regenachtige zondag.
inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen
12 oktober 2025
Achtentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: 2 Kon. 5,14-17; Ps. 98; 2 Tim. 2,8-13; Luc. 17,11-19 (C-jaar)
Inleiding
De grote lijnen van zowel het verhaal van Naäman als het verhaal van de tien melaatsen zijn welbekend. Dankzij informatie van een tot buitgemaakte vrouw komt de vijand Naäman te weten dat hij in Israël genezen kan worden. Hij wil eerst niet doen wat de profeet van Elisa vraagt, namelijk om zeven keer in de Jordaan te baden. Als hij het toch doet, wordt hij genezen (2 Kon. 5). Jezus ontmoet tien melaatsen. Als zij in zijn opdracht op weg gaan naar de priesters, genezen ze. Hierop komt slechts één van hen terug naar Jezus om Hem te bedanken (Luc. 17). In beide genezingsverhalen komt telkens een vreemdeling tot lofprijzing van God. Iemand treedt op namens God (Jezus, de profeet Elisa) en geeft de zieke een opdracht. De melaatsen voeren de opdracht uit, worden geheeld, zelfs al is die man Gods niet aanwezig. De heling leidt tot dankbare erkenning van God, hoewel dit niet voor alle betrokkenen in dezelfde mate geldt: van de tien melaatsen is er slechts één die terugkeert om Jezus te bedanken.
En het was nochtans een vreemde
Vanaf de eerste zin van het verhaal krijgen we een portret van Naäman als vreemdeling, en zelfs als vijand van het volk. Hij staat in hoog aanzien bij de koning van Aram die dankzij Naämans militair optreden een overwinning behaalt. Dit gebeurt ten koste van Israël, dat het slachtoffer is van geslaagde strooptochten. Juist zo’n plundering zal uiteindelijk sterk in Naämans voordeel blijken te zijn: het is een tot buit gemaakte vrouw die de mogelijke genezing ter sprake brengt. Die tot slavin gedegradeerde vrouw heeft groot inzicht en overtuigingskracht. Op haar woord gaat Naäman eerst naar zijn koning, en dan naar de koning van Israël. Die wijze vrouw weet wat beide koningen zich niet realiseren: dat de profeet Elisa namens God tot grote daden in staat is. Na de genezing komt Naäman tot de erkenning dat enkel JHWH op heel de aarde God is en spreekt hij zijn voornemen uit dat hij enkel voor JHWH zal offeren (2 Kon. 5,15vv).
De man die in Lucas 17 terugkeert om Jezus te bedanken terwijl hij God prijst, is juist diegene van wie men het niet zou verwachten: het is een Samaritaan, een elders geborene (v. 16.18). Jezus is, vanuit zijn besef dat lijden, sterven en verrijzen op handen zijn, op weg naar Jeruzalem (Luc. 9,51), en trekt door de dorpen in Galilea en Samaria. Dat is een omgeving die in de ogen van de heersende orde te Jeruzalem weinig voorstelt.
Samaria is onder de Assyriërs gevallen. Wie in deze diverse samenleving JHWH bleef vereren, erkende enkel de Tora (Pentateuch) als gezaghebbend boek, waardoor Judeese Joden hen niet als volwaardige joden erkenden en hen meden. Ook Galilea was een culturele en religieuze smeltkroes, waardoor het ook wel bekend stond als het ‘Galilea van de (heidense) volkeren’ (Jes. 8,23). Toch zijn deze onreinen in de ogen van de heersende orde op Jezus’ heilsweg geplaatst. Dat geldt ook, en in het bijzonder, voor de Samaritaan die Jezus niet enkel vertrouwt maar ook God looft en dankt, en zo ook de Judeeërs (Judea betekent ‘God zij geprezen’) tot voorbeeld strekt.
Zonder bemiddeling lukt het niet
In beide verhalen is er hoop en vertrouwen dat heling mogelijk is. De mannen hebben gehoord van iemand die namens God hen kan bevrijden van hun aandoening. Lucas verhaalt niet van wie de melaatsen van Jezus gehoord hebben, maar ze spreken hem aan als ‘meester’, zoals ook leerlingen, farizeeën en wetgeleerden in het Lucasevangelie doen (Luc. 17,13). Naäman heeft het via zijn echtgenote van de buitgemaakte slavin gehoord. Hij komt echter niet dadelijk bij de juiste persoon terecht: de koning van Aram beschouwt deze genezing als een opdracht van zijn gelijke, de koning. Hoewel deze beseft dat deze genezing een goddelijk ingrijpen vergt, legt hij niet het verband met de profeet Elisa tot deze hem aanmaant Naäman naar hem door te verwijzen. Maar zelfs deze doorverwijzing volstaat niet: zonder de aanmoediging van Naämans bedienden zou deze niet doen wat van hem gevraagd wordt, en zonder hen zou dus ook de genezing niet plaatsvinden.
Hoe genezing tot stand komt
Een huidziekte als melaatsheid is in het Oude Israël niet enkel een fysiek maar ook sociaal en religieus geladen gegeven. Wie een huidziekte heeft die zich uitbreidt, moet zich aan de priester laten zien, die bepaalt of deze zieke rein of onrein is. Is deze onrein, moet hij zich afzonderen, en ‘onrein’ roepen. Enkel door een zuiveringsritueel, uit te voeren door de priester, kan wie geheeld is, terug deel uitmaken van de gelovige gemeenschap. De priester moet hiervoor de zieke grondig onderzoeken (zie Lev. 13–14). Jezus sluit hierop aan door de melaatsen de opdracht te geven om zich aan de priester te laten zien (Luc. 17,14). Het is echter in het Lucasevangelie niet de rituele reiniging die heelt. Rein worden gebeurt als zij op weg gaan (v. 14). Het is het vertrouwen dat doen wat Jezus zegt effect zal hebben, dat maakt dat zij helen. Vandaar dat Jezus tot de Samaritaan zegt: je geloof heeft je gered (v. 17).
Naäman heeft heel eigen verwachtingen van hoe de genezing zal verlopen: de profeet moet hem persoonlijk benaderen, de naam van zijn God aanroepen en hem aanraken op de aangetaste plaats (2 Kon. 5,11). Het klinkt als een remedie die hij tevergeefs eerder in Aram heeft uitgeprobeerd. Elisa ziet het anders: hij stuurt een bediende naar buiten met de opdracht dat Naäman zich zeven keer moet baden in de Jordaan. Naäman was bereid om tegen een hoge beloning zich te laten genezen. Maar zo’n eenvoudige opdracht weigert hij uit te voeren. Het gaat in feite om méér dan al dan niet bereid zijn om te doen wat gevraagd wordt. Als baden in de Jordaan beter is dan in de rivieren van Damascus, dan ligt het niet aan het water van de Jordaan, maar aan de God in wie Elisa zijn vertrouwen stelt. Doen wat gevraagd wordt, is ook op die God vertrouwen stellen. Dat doet hij, en hij komt daarbij ook tot expliciete erkenning van JHWH.
Vertrouwen, (on)dankbaarheid en winstbejag
Vertrouwen in God ligt aan de basis van de heling van zowel Naäman als de tien melaatsen in Lucas 17. De lezers weten immers dat niet enkel de Samaritaan, maar ook de negen anderen genezen zijn. Jezus vraagt zich retorisch af waar die negen anderen gebleven zijn, zij zijn toch ook genezen? Het vertrouwen in Jezus was er, ze gingen met zijn allen op weg, maar slechts een kwam terug om Jezus te bedanken was er niet. Lucas geeft hiervoor geen verklaring. Wel is duidelijk dat deze ondankbare reactie niet bestraft wordt. Vertrouwen is vertrouwen, geheeld is geheeld. Hiermee brengt Jezus in praktijk wat Hij eerder zijn leerlingen aanbevolen heeft: goed te doen zonder iets terug te verwachten, zoals ook God handelt (Luc. 6,32-35).
In 2 Koningen 5 is er maar één zieke, en die komt dadelijk terug, met heel zijn entourage. Hij wil behalve God erkennen, ook zijn dankbaarheid in pasklare munt uitdrukken. Elisa weigert echter, met een bezwering: ‘Zowaar JHWH leeft’ (2 Kon 5,16). Gechazi, Elisa’s dienaar, ziet dat echter anders. Met dezelfde bezwering wil hij wel iets van Naäman aannemen (v. 20). Onder valse voorwendselen troggelt hij van Naäman twee talenten zilver en gewaden af, die hij bij hem thuis verbergt. Het is Elisa echter niet ontgaan. Dit is toch niet de tijd om jezelf te verrijken? Gechazi gedroeg zich in feite zoals de vijand Naäman die we in het begin van het verhaal leerden kennen: zich meester makend over rijkdom en mensen. Het past dan ook bij de moraal van het verhaal dat Gechazi niet alleen Naämans hebzucht maar ook Naämans ziekte overneemt. Gechazi gaat weg, met een huid wit als sneeuw. Hierin verschilt dit verhaal van de genezing van Mirjam in Numeri 12, waardoor de melaatsheid daar niet het laatste woord krijgt: op voorspraak van Aäron richt Mozes zich tot God, en kan zij zich na zeven dagen terug bij het volk aansluiten (Num. 12,10-15).|
2 Timoteüs 2,8-13
Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.
Preekvoorbeeld
‘Mens, waar ben je dan?’ Dat vraagt Jezus zich af als het gaat om die melaatsen die genezen en gevlogen zijn. Maar zo gauw die vraag klinkt uit Gods mond, dan behelst dat altijd de fundamentele levensvraag: ‘Mens, waar ben je, wie ben je dan, waar sta je in ‘t leven, waar kan Ik je vinden?’ Dat begon al met Adam en Eva, toen die van de boom gegeten hadden. God had hun alles toevertrouwd, in beheer gegeven, maar wel gevraagd dat die mens God God liet zijn. Maar de mens wilde wel ‘ns proberen of het ook zonder God zou kunnen. Bedoeld om uit, met en tot God te bestaan, ging de mens zichzelf als God gedragen. En als God na het eten van de vrucht de mens zoekt, dan klinkt die indringende vraag daar voor het eerst: ‘Mens, waar ben je dan?’
Het zal een jaar of vijftien geleden zijn dat ik met kerstmis preekte dat God terug was in ons land, als vluchteling. Er was toen net een boekje verschenen dat geloof in Europa een nieuwe impuls kreeg juist door de komst van christelijke asielzoekers. Het werd me niet door iedere kerstkerkganger in dank afgenomen dat ik langs die weg de vreemdeling lof toedichtte.
We horen vandaag twee genezingsverhalen en in beide komt juist de vreemdeling tot de lof van God en tot verkondiging. Het verhaal van Naäman in de eerste lezing is een prachtvertelling. Daar komen twee mensen voor die heel expliciet laten zien wie ze zijn en waar ze staan. Naäman was een Syriër met een vreselijke huidziekte. Geen enkele medicijnman of kwakzalver kon hem daar vanaf helpen. Maar er loopt aan zijn hof een meisje rond, dat ooit weggekaapt was uit Israël, maar haar geloof in God nooit verloren noch verloochend heeft. Zij is vreemdeling in dat vreemde land, nochtans het land dat het hare onder de voeten gelopen had en uitgebuit, maar ze getuigt er van haar geloof: ‘Ga toch ‘ns naar het land van God, naar Gods profeet daar, Hij zal u redden!’ Met haar getuigenis laat ze zien wie ze is en waar ze staat. Overigens laat God in dit verhaal zien dat hoewel alles verloren lijkt Hij er ook nog is en ondertussen zijn geschiedenis met zijn volk rustig verder schrijft. En ten goede keert.
Naäman gaat. Het gaat allemaal niet zonder slag of stoot, want als hij bij de profeet komt en daar te horen krijgt dat hij zich zeven keer moet baden in de Jordaan, dan lijkt hij af te haken. Alsof de wateren thuis niet zouden kunnen waartoe dat water hier in staat zou zijn. Maar het gaat niet om het water, maar om geloof in God. Zoals wijwater of Lourdeswater ook geen zin of kracht hebben zonder geloof. Niet het water is wondermiddel, maar Gods kracht. Het oude zuiveringsritueel kent ook geen wonderkracht van zichzelf, maar is een act van diepgelovig vertrouwen. Vandaar ook dat de melaatse er een priester bij moest halen die zowel de ziekte als de genezing – in Gods Naam – moest vaststellen. Het getal zeven verwijst zelf al naar God.
Naäman ondergaat het. Misschien eerst nog onder het motto ‘baadt het niet schaadt het niet’, maar als hij inderdaad genezen blijkt, dan neemt hij een vracht aarde uit het heilige land mee naar huis, om daar voortaan de levende God te aanbidden. De heling leidt tot erkenning van en dankbaarheid jegens God. ‘Nu weet ik,’ getuigt hij, ‘dat er in Israël een God is en nergens anders op aarde!’ Om in zijn eigen land en leven een plek in ere te houden om God te dienen – om God in ere te houden! – daarom neemt hij die grond mee, want God is vanaf nu de dragende grond van zijn bestaan. Niet alleen zijn huid, maar meer nog zijn hart krijgt nieuw leven! Mens, waar sta je? Naäman wil voortaan staan op Gods heilige grond en daar zijn leven op bouwen. De vreemdeling Naäman geeft daarmee een kraakhelder antwoord op de vraag ‘Mens, waar sta je dan?’
Hetzelfde geldt voor de Samaritaan in het evangelie. Een Samaritaan werd door de Joodse goegemeente met de nek aangekeken en als minderwaardig beschouwd, als niet volwaardig. Maar het is juist deze vreemdeling die net als Naäman tot nieuw gelovig inzicht komt. Hij wist heel goed: ‘Bij die Jezus moet ik zijn! Hem ga ik volgen!’ Houd Jezus Christus in gedachten, drukt de tweede lezing ons op het hart, die uit de dood is opgestaan.
Ik kan me niet voorstellen dat die andere negen niet dankbaar zouden zijn. Maar die ene vreemdeling voelt als beste aan dat het leven na genezing alsnog zinloos is, als je je voortaan niet heel dicht houdt bij deze bron van licht, heil en leven.
Eigenlijk gaat het in dit evangelie ook om onze zondagsviering. We komen naar Jezus, vragen naar Hem, luisteren naar Hem, laten ons door Hem aanraken en inspireren, gaan vol lof naar huis en getuigen onderweg en doorheen de hele week wie Jezus voor ons is, en vervolgens keren we met een dankbaar hart ’s zondags hier weer terug. Zo is onze zondagsviering inderdaad bron en hoogtepunt van heel ons christelijk leven! Zo krijgt God de plek die Hem toekomt en laten wij zien wie we zijn en wie God voor ons is!
Vijftien jaar geleden nam deze of gene het me kwalijk dat ik de vreemdeling als voorbeeld stelde. Thans zien we juist langs de weg van de vreemdelingen een (kleine) opleving in de kerk. Tenminste, bij ons is de voertaal bij de koffie na de Mis inmiddels Engels. Misschien zijn ze zoals die meid aan Naämans hof, die ondertussen krachtig van haar geloof getuigt en ons zegt wie we zijn en waar we staan. Met de verhalen van deze zondag in ons hart mogen ook wij met heel ons leven tot dankbaar geloof komen.
inleiding dr. Ine Van Den Eynde
preekvoorbeeld drs. Ed Smeets
19 oktober 2025
Negenentwintigste zondag door het jaar
Lezingen: Ex. 17,8-13; Ps. 121; 2 Tim. 3,14–4,2; Luc. 18,1-8 (C-jaar)
Inleiding
Lucas 18,1-8
‘Hij vertelde tot hen een gelijkenis met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet in boosheid verzanden’ (Luc. 18,1). Deze gelijkenis sluit aan, zoals wel vaker bij Lucas, bij een lange rede van Jezus, ditmaal over de doorbraak van het koninkrijk en de komst van de Mensenzoon (17,20-37; fragmenten uit deze rede corresponderen met Mat. 24). Het gaat dus om het koninkrijk en het gewicht van het gebed bij het komen daarvan.
De gelijkenis vertelt van een rechter in een zekere stad en om een weduwe die recht komt halen. De rechter zou waarheid en recht moeten belichamen, maar heeft (naar het overgeleverde hebraïsme) geen ‘vrees’ voor God en geeft niet om mensen: hij vormt dus het tegendeel van ware godsdienst als mensendienst (v. 2; zie Schuman, 143), als een type rechter dat Israëls profeten al onder kritiek stelden (Jes. 1,23, Am. 5,7 e.a.). De weduwe is dikwijls een representant van de verdrukten en vreemdelingen, aan wie recht gedaan moet worden (Ps. 146,9), maar kan soms tegelijk wel zelfstandig opkomen voor haar recht, zoals ze hier ook doet: ‘verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij’ (v. 3). Ze is daarin zo vasthoudend, dat ze de rechter tenslotte dwingt tot een innerlijk beraad (zoals Lucas dat ook vermeldt bij de rijke dwaas, 12,17vv, of de verloren zoon, 15,17vv). Hij wil af van die vrouw die hem alleen maar last bezorgt en hij wil een mep (boks-term) in zijn gezicht voorkomen (vv. 4-5). Voor de weduwe bewerkt dat een zekere overwinning, ook al heeft ze de gezindheid van de rechter niet kunnen bijstellen. Ik herinner me dat deze tekst op het leesrooster stond op een van de zondagen van de Wende in het najaar van 1989 in de DDR en aansloot bij het in die dagen overheersende gevoel van vreugde: de instanties die de gemeente zoveel jaren hadden genegeerd waren er niet sympathieker op geworden, maar het jarenlange, en tenslotte alom toenemende protest tegen hen had toch geholpen.
Als gelijkenis nu doet de vertelling de ‘rechter van het onrecht’ (nog een hebraïsme) via een kal wachomer-argument (redenering van het kleinere naar het grotere) denken aan een God, die zich lijkt voor te doen als onvermurwbare afwijzende instantie bij het aanhoudende pleidooi van de gemeente, welke, als de weduwe representant van ontrechten, tegen het aanhoudende onrecht opkomt. Het is bijna als in Het Slot van Kafka (Ter Schegget): de wets-handhavende macht is altijd aanwezig, maar laat tegelijk alsmaar na om werkelijk recht te doen. Naar de ervaring van de gemeente kan het er vaak zo uitzien. Toch wordt hier dit angstbeeld van God van binnenuit doorbroken. Want, vraagt Jezus (hier veelzeggend ‘de heer’ genoemd): ‘zal God dan niet recht doen aan zijn verkorenen, die dag en nacht’ – cultisch in het morgen- en het avondgebed, existentieel in alle nood – ‘hun schreeuw naar Hem doen opstijgen?’ (vv. 6-7). Hij, deze God, is immers ‘lankmoedig’ (Statenvertaling), en dus zal Hij hen met spoed recht doen (vv. 7b en 8a). Deze laatste bepalingen bereiden de hoorder van de gelijkenis een verrassing. Tot hiertoe leek het erop, dat de goddelijke rechter het geduld van zijn gemeente behoorlijk op de proef stelde. Maar nu blijkt het omgekeerde minstens zozeer waar: Hij heeft juist geduld geoefend met háár. Want hoe kan het Rijk Gods doorbreken op aarde, wanneer het niet intens verwacht wordt, wanneer er niet hardnekkig om gebeden wordt? Daar heeft Hij naar uitgezien! En hieruit volgt dan ook de vraag die het slotvers stelt: ‘Als de Mensenzoon komt, zal Hij geloof (fiducie) vinden op de aarde?’ (v. 8). De komst van het koninkrijk van God is niet alleen een daad van boven, een gave vanuit de hemel, ze gebeurt minstens zozeer in het aanhoudende verwachten, het kloppen op de hemelpoort, het ononderbroken gebed van wie haar verhopen! Het bidden van de gemeente is dan: Hem in Christus aanspreken, dat is Hem zien als de God die zich als God aan de mens stoort en zich als mens om God bekommert (Ter Schegget, 59).
Voor de verkondiging heeft dit meerdere implicaties, waarvoor ik drie onderscheiden getuigen aan zal voeren:
[a] Ons ongeduld met God laat zich niet losmaken van Gods geduld met ons. Het doorbreken van het Godsrijk is nauw verbonden aan de menselijke verwachting van dat rijk door de ‘verkorenen’, dus door een gemeente die de weduwen en wezen op deze aarde voor Hem vertegenwoordigt. Hoe kan de Mensenzoon komen zonder bereidheid en beschikbaarheid te vinden, zonder geloof aan te treffen onder ons? (Miskotte, 383). [b] Beslissend is, hoe wij ons de God van het evangelie voorstellen. De God van de gelijkenis, die geen kafkaëske gestalte blijkt te zijn, wil niet ‘in afgetrokken oppermacht alléén regeren, maar alleen mét de mensen met wie Hij het erop waagde als wezens die zijn beeld dragen.’ ‘De meest ontvankelijken onder die mensen zijn zij, die voorbidden. God regeert de wereld door de gebeden van zijn kinderen. Gebedsverhoring is geen inbreuk op Gods wereldregering [zoals de 19e-eeuwse monisten leerden], maar integendeel de kroon daarvan’ (Gunning, 31). [c] De mens aan wie de mogelijkheid tot gebed is geschonken verkeert dus in een grote mate van vrijheid. Het komt er dan wel op aan, dat hij die vrijheid niet inzet voor een tiranniek afdwingen van het hemelrijk. Hij kan wel iets naar voren trekken, iets pogen te verhaasten of te vertragen, maar hij kan daarmee niet als hemelbestormer de goddelijke kortmoedigheid of juist lankmoedigheid forceren. Niettemin: verhaasting van de komst van het Rijk is vereist. Als wij niet bidden om het Rijk in eeuwigheid, komt het in eeuwigheid niet. Maar dan moet het wel een bede zijn, die God niet in verzoeking brengt, maar iets vraagt waarop de goden stom moeten blijven, deze God echter antwoord zal geven (Rosenzweig, 321).2 Timoteüs 3,14–4,2
Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.
Exodus 17,8-13
Hoe valt de evangelielezing nu te verbinden met de eerste lezing uit de boeken van Mozes? Uit Exodus 17 biedt de Ordo lectionum alleen de verzen 8-13 ter lezing aan. Nu duidt het beeld van Mozes die zijn hand heft (v. 11), óók wel op een handeling als die van een biddende mens (Ps. 28,2). Maar de toepassing van Cowper, die het beeld van vers 11 (wanneer Mozes zijn handen kan spreiden heeft Israël het overwicht, maar wanneer hij verslapt heeft Amalek dat) op de kracht van het gebed betrekt, is toch eerder stichtelijk troostend dan exegetisch verantwoord (Deurloo, 14). Deze toepassing miskent namelijk dat Mozes de staf Gods in zijn hand houdt (v. 9) en daarmee niet de macht van zijn eigen gebed, maar de macht van de Ene zelf, die leven schept, in het gebeuren hooghoudt (Deurloo, 16) – en om dit te onderstrepen worden zijn handen zwaar en heeft hij ondersteuning nodig –, terwijl Jozua beneden op het veld als menselijke hulpfiguur optreedt.
Verder valt op dat de conclusie uit het verhaal in de aangegeven lezing is weggelaten, terwijl die in Exodus juist wezenlijk is: het gedenken aan Amalek moet worden uitgewist van onder de hemel, en juist daarop moet Mozes, paradoxaal genoeg, de overwinning op Amalek ter gedachtenis (!) in het boek schrijven (v. 14). Vervolgens moet Mozes een altaar bouwen en daarbij het eedgenootschap met de Ene bekrachtigen met de uitspraak: ‘Ja, de hand aan jhwh’s troon!’ (v. 16). Deze geboden en beschreven tweevoudige rite laat zich bezwaarlijk losmaken van de verhaalde mythe.
Dat neemt niet weg dat ook een ingekorte lezing zich wel degelijk met de gelijkenis uit het evangelie laat verbinden. Amalek en de onrechtvaardige rechter laten zich lezen als twee uitingsvormen van vijandschap tegen het Koningschap van God en zijn Rijk. Amalek is een laffe vijand omdat hij de achterhoede van de verzwakten, die moe en uitgeput waren, aanvalt (Deut. 25,18; zie Rooze). En de rechter negeert de Koning en zijn rijk door een volstrekt gebrek aan aandacht, professionaliteit en eerbied voor God en mens. Het zijn verschillende gestalten, maar hun cynisme en hun praktische ongeloof hebben ze gemeen.
Literatuur
William Cowper, ‘Exhortation to Prayer’ Olney Hymns. London: W. Oliver, 1779, Book 2, number 60, stanza 5.
K.A. Deurloo, Schrijf dit ter gedachtenis in het boek, rede op 3 november 1975, Universiteit van Amsterdam.
Egbert Rooze, Amalek geweldig verslagen – een bijbels-theologisch onderzoek naar de vijandschap Israël-Amalek, Gorinchem: Narratio, 1995.
J.H. Gunning Jr., ‘Voorbede’ (1875), in: Goed van God denken. Teksten uit het Jaarboekje Magdalena, ingeleid en verzorgd door Leo Mietus, Zoetermeer: Boekencentrum, 2010, 27-33.
Franz Rosenzweig, Dritter Teil. Einleitung: Über die Möglichkeit, das Reich zu erbeten, 4. Auflage, Haag: Martinus Nijhoff, 1976, 295-330.
K.H. Miskotte, meditatie ‘Te hopen is een gebod’ (1964), in: Verzameld Werk deel 14, Mystiek en bevinding, Kampen: Kok, 2015, 380-383.
N.A. Schuman, Een reisverhaal. Leesoefeningen in Lucas, ’s Gravenhage: Boekencentrum, 1981, 142-144.
G.H. ter Schegget, ‘Standvastigheid’, in: Het moreel van de gemeente, Baarn: ten Have, 1985, 56-60.
Preekvoorbeeld
Thema: Bidden met open ogen
Het is een spannende vraag, die het evangelie vandaag aan ons voorlegt: ‘Als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’
Nogal wat mensen kunnen bij die vraag een ongemakkelijk gevoel krijgen. Want natuurlijk zit het iedereen, die betrokken is bij de kerk wel eens dwars, de afnemende betrokkenheid van mensen bij de kerk en bij het geloof. Elke tien jaar wordt dat in Nederland onderzocht en –eerlijk is eerlijk – dat zijn cijfers waar we niet vrolijk van worden.
Hoewel, een ander onderzoek dit jaar aangaf, dat er juist onder jonge mensen meer belangstelling voor Bijbel en geloof gekomen is.
Heel begrijpelijk dat je aan die dingen denkt bij het horen van die zorg van Jezus. Toch gaat die vraag aan zijn leerlingen daar niet over.
Nee, de vraag ‘als de Zoon des mensen komt, het geloof zal vinden op aarde’ – die vraag gaat niet over aantallen; gaat niet over percentages; gaat niet over hoeveel mensen in Nederland zondags naar de kerk gaan. Gedachten daarover kunnen ons soms wel eens dwars zitten, maar de vraag van Jezus is nog spannender. Zijn vraag gaat de diepte in. Het gaat niet over de anderen in het algemeen, maar het gaat over ons, over ons geloven. En dan ook nog niet eens over wat we nu wel of niet geloven, maar over hóe we geloven. Hoe we vanuit geloofsvertrouwen in deze wereld staan. Daar gaat de zorg van Jezus over.
We lazen dat Hij er bij zijn leerlingen – en wat zijn wij anders dan dat? – op aandringt te blijven bídden.
Bidden? Ja, bidden!
Wat is dat anders dan dat we als geloofsgemeenschap ons afstemmen op de Eeuwige, op zijn Koninkrijk, op wat Hij op het oog heeft: zorg voor de mensen, voor de schepping. Bidden doen we niet alleen met onze ogen dicht. Integendeel. We moeten ze ook open hebben. In ons gebed nemen we mee wat we zien om ons heen aan ziekte en ongeluk, aan onrecht en onbarmhartigheid, aan onmacht en onverschilligheid. We leggen het voor aan God en gaan als leerlingen aan zijn kant staan. Wat vraagt u van ons als we dit zien en aan u voorleggen? Hoe hándelen we in uw Geest als we bidden voor de mensen, voor de wereld, de aarde? Hoe houden we vast aan uw Koninkrijk … Daarover gaat het hier.
Jezus vertelt een gelijkenis.
Die gelijkenis gaat over de vraag hoe het Koninkrijk van God – waar je echt naar kunt uitkijken – hoe dat doorbreekt in onze wereld. Als je let op alle spanningen, het dreigen, het onrecht; als je ziet hoe mensen vermorst en vertrapt worden, letterlijk/ figuurlijk … Wat is er veel reden voor wanhoop, voor ongeloof. Je kunt je die vraag van Gerard van het Reve, die hij ooit heel oprecht in een gedicht verwoordde ‘Dat Koninkrijk van U, wordt dat nog wat?’ – je kunt je die vraag zo goed voorstellen. Als een klacht, als een bezwerende vraag aan God. God, zie je dan niet?
Maar ook daarop richt de evangelielezing zich vanmorgen niet. Het is eerder andersom. Het is de heer die aan ons vraagt, jullie laten het er toch niet bij zitten? Jullie volharden toch wel in geloofsvertrouwen, ook of juist in de druk van de tijd?
In de gelijkenis gaat een weduwe naar de rechter. Zij zoekt recht. In de samenleving van toen – u kent dat uit de Bijbel – staan wees en weduwe voor de zwakken, de mensen aan de rand, de mensen zonder stem. In de Bijbel vaak in één adem genoemd met verdrukten, armen en vreemdelingen, die onder ons zijn. Hoe kunnen zij hun stem verheffen om recht te krijgen?
Wij kennen dat ook. Nog altijd. Er moeten anderen opstaan en hun stem verheffen. Denk alleen al aan de mensen, die slachtoffer werden van wat we de toeslagenaffaire zijn gaan noemen of denk aan de gewortelde vluchtelingenkinderen, die uit ons land weggestuurd dreigen te worden, hoewel Nederland het ‘Internationaal Verdrag over de Rechten van het Kind’ erkende en ondertekende. Hoe krijg je je recht?
Ook in ons land kan dat een grote en zware opgave zijn.
De weduwe in de gelijkenis houdt vol. De rechter tot wie zij zich wendt, ziet haar nauwelijks staan. Ze laat hem onverschillig. Maar ze blijft hem lastigvallen. Ja, lastigvallen … zo ervaart die rechter dat. En dat, terwijl zij alleen maar om recht vraagt.
Uiteindelijk gaat die rechter om. Aan God of gebod laat hij zich niets gelegen liggen, maar die weduwe kan hem te schande maken. Zo’n zwakke partij die jou je plaats wijst. Dat zit hem dwars, want dan ga je af. Dan word je op je nummer gezet… Over recht en onrecht gesproken. De gelijkenis heeft er wel weet van, wat mensen kan worden aangedaan aan onrecht en onverschilligheid.
Hoe volharden wij? Hoe blijven we bidden, in geloofsvertrouwen ons richten op het Koninkrijk van God, dat Jezus ons voorhield? Hoe blijven we in zijn lijn staan voor gerechtigheid en barmhartigheid, ook tegen onwil en onverschilligheid in? Die vragen zitten achter deze gelijkenis. Zal de ‘Zoon des mensen’ volhardend geloof vinden?
Dit jaar vierden wij 80 jaar vrijheid. Bij de herdenkingen hoorden we dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Tegen machten en krachten in is er niet alleen gestreden, maar ook diep en diep geleden. Lang niet iedereen heeft de vrijheid geproefd. Volharden betekent nog niet, dat je het ook allemaal zult beleven en meemaken.
Bij de voorbereiding van de preek kwamen als vanzelf woorden bij me op van Dietrich Bonhoeffer. Misschien hebt u wel eens van hem gehoord. Hij was een Duits theoloog. Een jonge man, die met anderen in verzet kwam tegen het Naziregime. Hij kwam daardoor in Berlijn in de gevangenis. En kort voor het einde van de oorlog werd hij nog gedood. Na de oorlog is hij heel bekend geworden door brieven die hij vanuit de gevangenis geschreven heeft aan zijn vriend. Vooral één lied, dat hij in de gevangenis schreef voor zijn familie, is in de Nederlandse kerken heel bekend geworden: ‘Door goede machten trouw en stil omgeven’. Misschien kent u het. Bonhoeffer is voor veel mensen een geloofsgetuige geworden.
In mei 1944 schreef hij in een heel bekend geworden brief een belangrijke zin: Ons christen-zijn zal in deze tijd nog maar uit twee dingen bestaan: bidden en onder de mensen het goede doen/dat wat recht is, wat juist is om te doen. Het is die zin die bij me naar boven kwam bij de lezing uit het evangelie.
Alle franje en bijkomstigheden van kerk en geloof zijn in de gevangenis verdwenen. Wat doet er echt toe? Deze twee dingen. Wat Bonhoeffer zo schrijft vanuit de hardheid van het dagelijkse leven in de gevangenis, ligt heel dicht aan tegen wat Jezus ons met deze gelijkenis wil vertellen.
Zijn wij alleen consumenten van het geloof of zijn wij daarin nog partners van God. Daar zit de zorg van Jezus. Zijn zorg is niet of God ons zal horen, want natuurlijk laat God zijn kinderen niet vallen. Zijn vraag is of wij, zijn leerlingen, wij als geloofsgemeenschap ons nog wel richten tot Hem, bidden om zijn Koninkrijk en dan ook ons doen en laten daarop afstemmen.
Gewoon om ons heen kijken en vanuit het evangelie bidden vóór en dan ook doen wát er als
geloofsgemeenschap op ons pad komt. Alleen door zo te blijven bij de kern van onze roeping, blijven we als geloofsgemeenschap van betekenis voor God en voor de mensen.
Bidden, zei Dietrich Bonhoeffer, en onder de mensen het goede doen.
Verantwoording bij een paar punten uit de preek:
• Het thema van de preek is ontleend aan het boek: W.R. van der Zee, Gebed met open ogen: woorden en gebeden rond het Onze Vader, Boekencentrum ’s Gravenhage 1982 e.v. drukken.
• De zin van Dietrich Bonhoeffer is de vinden in de brief van mei 1944 (brief bij ‘de doopdag van D.W.R.’) opgenomen in: Dietrich Bonhoeffer, Verzet & Overgave. Brieven en gedachten uit de gevangenis, Verzameld en gerangschikt door Eberhard Bethge, uitg. W. ten Have N.V. Amstrerdam. Er zijn veel drukken en verschillende edities.
• Zie voor meer informatie over in Nederland ‘gewortelde kinderen’ www.kerkasielkampen.nl
inleiding prof. dr. Rinse Reeling Brouwer
preekvoorbeeld prof. dr. Jaap de Lange
26 oktober 2024
Dertigste zondag door het jaar
Lezingen: Sir. 35,12-14.16-18; Ps. 34; 2 Tim. 4,6-8.16-18; Luc. 18,9-14 (C-jaar)
Inleiding
Alhoewel de tweede lezing in de tijd door het jaar een semi-continue lezing van meestal een van de brieven van Paulus vormt, niet expliciet afgestemd op de andere lezingen, hebben de Schriftlezingen van de dertigste zondag door het jaar C toch alle drie de thematiek van rechtvaardiging gemeenschappelijk. Ik wil eerst uitvoerig stilstaan bij de evangelielezing en zal daarna nog korte opmerkingen maken bij de andere twee Schriftlezingen.
Lucas 18,9-14
Een parabel of gelijkenis is een verhaaltje met een dubbele bodem. Een parabel is gevaarlijk, wegens die dubbele bodem. De parabel in de verzen 9-14 in het achttiende hoofdstuk van het Lucasevangelie lijkt kraakhelder door de zwart-wit-tekening van de twee hoofdrolspelers: de Farizeeër en de tollenaar. De sympathie gaat als het ware vanzelf uit naar de tollenaar. Die is immers de gerechtvaardigde, en het andere personage deugt niet. Die sympathie voor de tollenaar uit de parabel zou zó groot kunnen zijn, dat de lezer denkt: ‘goed dat ik die Farizeeër niet ben’ – of misschien zelfs: ‘goed dat ik als die tollenaar ben’. Maar als dat gebeurt, dan is de gelijkenis van vandaag een schot in de roos. Want als de lezer dat denkt, is hij wél als de Farizeeër uit de parabel. En dat is precies wat Jezus vandaag op weg naar Jeruzalem, naar de tempel, met behulp van de parabel wil onderwijzen.
Wat doet de Farizeeër uit de parabel eigenlijk fout? Het etiket ‘schijnheilige’ op de Farizeeër plakken, is veel te gemakkelijk. Schijnheilig is de man immers beslist niet. Uit zijn directe rede wordt duidelijk dat hij zich geweldig inspant om veilig voor Gods aangezicht te kunnen verschijnen. Hij vast tweemaal per week. Dat is meer dan de religieuze plicht in Israël voorschrijft. Vasten doet men niet elke week, laat staan tweemaal per week. Eigenlijk is er maar één volle vastendag in het jodendom: Jom Kipoer, Grote Verzoendag, de dag waarop aan God verzoening over de zonden gevraagd wordt. Maar enthousiaste religieuze bewegingen in Jezus’ tijd legden zichzelf wél één of meerdere vastendagen per week op. De groep rond Johannes de Doper deed dat en de Farizeeën doen dat ook. De groep rond Jezus overigens niet.
Verder betaalt de Farizeeër uit de parabel tienden. Volgens de voorschriften uit de Tora, de Wet van God, behoeft men alleen tienden te betalen over olie, koren en wijn. De Farizeeën hadden dit echter uitgebreid naar alle keukenkruiden. In Lucas 11,42 worden die kruiden opgesomd, zoals munt en wijnruit. En om er helemaal zeker van te zijn, dat de tienden betaald worden zoals voorgeschreven, betaalden de Farizeeën van alles wat ze op de markt kochten, ook nog eens tienden. Mocht een handelaar, per ongeluk of expres, vergeten hebben zelf de tienden te betalen, dan hieven de Farizeeën deze omissie op. Want beter twee keer de tienden betalen, dan geen keer.
De Farizeeër is dus heel trouw aan de religieuze voorschriften van God. Hij doet zelfs meer dan strikt nodig is. Jezus maakt er echt geen probleem van als iemand iets extra wil doen. Het probleem bij de Farizeeër zit hem dan ook niet in het feit dát hij iets extra doet en evenmin in wát hij extra doet, maar vanuit welke motivátie hij dat doet.
De Farizeeër spant zich in om voor God als rechtvaardige te gelden, om bij God in een goed blaadje terecht te komen. De drijfveer van de Farizeeër is een religieuze geldingsdrang. Hij beschouwt zichzelf dan ook als niet gelijkwaardig aan rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, maar juist als meer. Op grond van zijn verdiensten meent hij recht te hebben op een betere behandeling door God. Op grond van zijn werken kan hij, als hij bidt, met opgeheven hoofd bidden.
Jezus denkt daar heel anders over. In de conclusie die Jezus aan zijn parabel verbindt, stelt hij dat de Farizeeër niet gerechtvaardigd naar huis ging, maar juist de tollenaar wél. Iemand wordt niet gerechtvaardigd door wat hij doet (overigens evenmin door wat iemand verzuimt te doen). Gerechtvaardigd worden gaat op een andere manier.
De parabel van vandaag is de enige keer dat Lucas in zijn evangelie spreekt over ‘rechtvaardiging’. Paulus schrijft er in zijn brieven geregeld over. Bij Paulus en bij Lukas, gaat het bij ‘rechtvaardiging’ niet gewoonweg om het vergeven van zonden. Het gaat om de zondige aanleg van de mens, om het menselijke zondig-zijn als zodánig, waaruit steeds weer concrete zonden voortkomen. Dit zondig-zijn van de mens is iets dat ook ná de zondevergeving blijft. Ook als de zonden vergeven zijn, kan de mens weer opnieuw de fout ingaan, en vaak zelfs weer dezelfde fout. Bovendien kan de mens zijn zondige daden niet meer terugdraaien, soms zelfs de gevolgen ervan niet eens meer rechtzetten.
Maar, zo ontdekt Paulus, en zo vertelt de parabel in het Lucasevangelie, wat wel kan veranderen is de relatie tot God, ook als deze relatie door de zonden aangetast dreigt te worden. Door de zonden wordt de relatie tot God beschadigd: hoe kan de mens nog voor Gods aangezicht verschijnen? Op deze vraag zou Paulus antwoorden: wie zijn zondig-zijn tegenover God erkent, die wordt, ín zijn zondigheid, door God aanvaard. Het gaat er niet om, welke werken je verricht –hoezeer die ook verricht moeten worden–, maar of de mens zijn eigen zondigheid voor God durft te erkennen, hij zich kwetsbaar durft op te stellen tegenover God.
De Farizeeër uit de parabel vergeet door zijn fixatie op zijn goede werken totaal zijn eigen zondig-zijn en kan daarom niet als gerechtvaardigd naar huis gaan. De tollenaar, hoezeer ook zondaar, erkent juist zijn zondig-zijn. ‘God, doe over mij, zondaar, verzoening,’ bidt hij. Hij bidt met woorden uit de Psalmen die spreken over de verzoening van de zonden (vergelijk Psalm 51), en deze woorden past hij op zichzelf toe: hijzelf is de zonde waarover verzoening van Godswege afgesmeekt moet worden. Hij presenteert zich voor God met zijn zondig-zijn en daarom wordt hij door God aanvaard. Hij gaat als gerechtvaardigde naar huis. Zijn gebed om verzoening dringt door de wolken heen (eerste lezing).
Sirach 35, 72-14. 76-78
Het deuterocanonieke boek Sirach behoort tot de wijsheidsliteratuur. In de perikoop waaruit de eerste lezing genomen is, staat de goddelijke rechtvaardigheid centraal. Twee aspecten van God krijgen de aandacht. Allereerst dat God geen aanzien des persoons kent. Niet de (religieuze) status van een mens bepaalt of God de persoon in kwestie wil verhoren. Steekpenningen zijn hem vreemd. Vervolgens, dat God zich juist engageert met slachtoffers. Wezen en weduwen zijn de klassieke Bijbelse uitdrukking om deze groep te beschrijven.
Deze rechtvaardigheidskenmerken van God hebben ook consequenties voor het gebed van de mens. Juist zij die slachtoffer zijn, en zij die voor hen opkomen, mogen erop rekenen gehoord te worden.
2 Timoteüs 4, 6-8. 16-18
De passage uit 2 Timoteüs wordt beschouwd als Paulus’ afscheidsrede. De brief zelf is een pseudepigraaf die na Paulus’ dood geschreven is. De auteur laat daarmee zien dat hij niet alleen weet van Paulus’ marteldood, maar dat hij deze interpreteert als een bekroning van Paulus’ leven voor het aanschijn van de rechtvaardige Rechter.
Daarbij maakt de auteur het tevens duidelijk dat het hier niet om een privé-privilege voor Paulus gaat, maar om een toekomst die weggelegd is voor iedereen die uitziet naar de komst van de Messias in heerlijkheid.
Zie A.B. Merz, ‘De tweede brief van Timoteüs. Een testament op naam van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 84-91.
Preekvoorbeeld
Er zijn in Italië, in Umbrië, veel plaatsen bekend en nog te bezoeken, waar Franciscus van Assisi gebeden heeft. Hij was een man van actie en contemplatie, van doen en zijn. Hij trok zich naast zijn bekommernis om armen en zieken geregeld terug in de stilte om te bidden. Vaak liggen zijn gebedsplaatsen verscholen, ver van de bewoonde wereld: een grot, een rots. Daar worstelde hij met zichzelf en met God. Daar kwam hij tot God en tot zichzelf.
Als deze bijzondere man op sterven ligt, zegt hij: ‘Laten we opnieuw beginnen. Want tot nu toe is het nog niets geweest.’ Wat een vreemde uitspraak, zou je zeggen, van een man die zoveel mensen in beweging heeft gekregen, voor zoveel mensen een nieuwe weg naar God heeft geopend. Hoe komt hij ertoe?
Wat we gehoord hebben bij Jezus Sirach, is voor Franciscus de leidraad in zijn leven: ‘Geef aan de Allerhoogste naar hetgeen Hij u geschonken heeft, geef met een blij gelaat en naar uw vermogen’ (Sir. 35,12). Franciscus beschouwt alles in zijn leven, wat het ook is, als een gave van God: zijn medebroeders, zijn dagelijks eten, de aarde, de dieren, zijn talenten, mooi of lelijk weer, goede of slechte levensomstandigheden. Alles. En hij leeft ervoor om dat alles met blijdschap aan God terug te geven. Hij gaat ervan uit, dat alles evenveel van iedereen is. Het is immers in de grond van de zaak van niemand anders dan van God. Daarom hecht hij niet aan bezit. En slaat zich niet op de borst. Ook op het einde van zijn leven weet hij zich nog een beginner. Zo blijkt uit de woorden bij zijn sterven. Aan God komt alle eer.
Cortona is een stad met oude Middeleeuwse gebouwen, dikke muren en stokoude straatjes. Franciscus had op 3,5 km van die stad een verblijfplaats gekregen van een inwoner. Je moet je er niet veel bij voorstellen: een grot bij een beek. Daar bad en sliep hij. Zijn broeders hebben er een klein kapelletje bij uitgehakt en gebouwd, zodat ze er samen konden bidden. Het is ongelooflijk sober, maar ook indrukwekkend in zijn eenvoud. De levenshouding van Franciscus spreekt er uit de stilte, de stenen, de omgeving. Op die plek werd Franciscus gebracht aan het einde van zijn leven. Hij was in Siena geweest. Zijn ogen deden ongelooflijk pijn en hij kon het zonlicht niet verdragen. De dokters daar hadden hem niet kunnen helpen. Zijn broeders wilden hem naar Assisi terugbrengen. Ze hielden enkele dagen rust in de sobere behuizing in Cortona. In Assisi werd hij in een hutje neergelegd, dat eenvoudig was opgetrokken van stromatten. Hij had er last van muizen. Zo geplaagd, lag Franciscus te piekeren en zocht hij naar troost en bemoediging voor zichzelf. Toen kwamen er bij Franciscus regels op, gedachten voor een lied, een troostlied voor hemzelf , bemoediging voor anderen en danklied tot eer van God.
Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe,
en geen mens is waardig uw naam te noemen.
Wees geprezen, mijn Heer, door al uw schepselen,
vooral door mijnheer broeder zon
die de dag is en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en straalt in grote pracht;
Van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.
Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.
Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde
door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.
Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water
die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.
Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur
door wie Gij voor ons de nacht verlicht;
en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.
Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster moeder aarde,
die ons voedt en leidt,
en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten.
Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefde
vergiffenis schenken, en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig wie dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.
Wees geprezen, mijn Heer,
door onze zuster de lichamelijke dood,
die geen levend mens kan ontvluchten.
Wee hen die in doodzonde sterven;
gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt,
want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.
Prijs en zegen mijn Heer,
en dank en dien Hem in grote nederigheid.
Hoe kun je zo’n mooi, indrukwekkend lied maken, wanneer je zo ziek bent? Franciscus zegt er zelf over tegen zijn broeders: ‘We maken elke dag gebruik van Gods schepselen om te kunnen leven. Hij heeft ons zoveel voortreffelijks gegeven. We danken Hem daar nooit genoeg voor.’ Zo vindt hij in zijn eigen grondhouding, dat alles een gave is, een weg. Hij komt tot teruggave van zichzelf aan God, tot overgave.
Als we nu luisteren naar het gebed van een Farizeeër en een tollenaar, zal ons van alles opvallen. Op zich lijkt er niets mis met het gebed van de Farizeeër: hij vast en betaalt tienden, méér dan volgens de voorschriften van de Tora nodig is - hij doet meer dan menigeen van ons! Toch voelen we, het klopt niet. Het probleem bij de Farizeeër zit hem dan ook niet in het feit dát hij iets extra doet en evenmin in wát hij extra doet, maar vanuit welke motivátie hij dat doet. Wat er niet klopt, is: niet God krijgt de eer, maar hijzelf. De Farizeeër spant zich vooral in om voor God als rechtvaardige te gelden. Zijn drijfveer is religieuze geldingsdrang. Hij beschouwt zichzelf als niet gelijkwaardig aan rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, hij is beter. Daarom meent hij recht te hebben op een betere behandeling door God. In feite spreekt deze Farizeeër niet echt met God, maar staat hij tegen zichzelf te praten en zichzelf te overtuigen van zijn goedheid en rechtvaardigheid. De regels van Jezus Sirach, dat God alles geeft en dat je ervoor kunt leven het Hem terug te geven, léven niet voor hem.
De tollenaar spreekt echt tegen God. De relatie met God is open bij hem. Hij weet zich van God afhankelijk. Hij stelt zich kwetsbaar op, ziet en erkent zijn tekorten tegenover God. Bij de Farizeeër zal er van binnen niets veranderen, maar bij de tollenaar wel, omdat hij God werkelijk betrekt in zijn reflectie op zichzelf. Er zit beweging in en daardoor kan God tot hem komen.
Bidden zou je kunnen omschrijven als: een gesprek met God en met jezelf. Een driegesprek. Open je je naar God, dan schep je een ruimte, waarin je God een werkelijke kans geeft om van zijn kant een onverwacht gebaar te maken. Dan komt er lucht en licht in de relatie. Open je je voor jezelf in het bijzijn van God, dan kijk je in de spiegel. Je leert jezelf voor Gods aangezicht kennen en aanvaarden. En dat geeft rust, of troost of bemoediging of vergeving.
inleiding prof. dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld Marian Wisse
Homiletische hulplijnen 116
Hoop
In het kielzog van Nirwana (2023), de laatste grote roman van Tommy Wieringa, verschenen twee kleinere werken: Konvooi. Reizen naar een land in oorlog (2024) en het essay Optimisme zonder hoop in opdracht van Stichting Maand van de filosofie (2025).
Konvooi en Nirwana hebben een gemeenschappelijk verleden. Ze grijpen met verbijstering terug op ondermeer De SS’ers van Armando en Hans Sleutelaar (1967). Optimisme zonder hoop en Nirwana hebben een gemeenschappelijke toekomst, die er niet is! ‘De angst die me met stomheid slaat is die over de toekomst waarin mijn dochters het grootste deel van hun leven zullen moeten doorbrengen, als ik allang dood en begraven ben. Het onbewoonbare land dat wij voor ze achterlaten’ (13).
Wieringa droeg Optimisme zonder hoop op aan zijn dochters, onderstreept met een motto ontleend aan de dichter Leonard Nolens: ‘Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen’. Wieringa’s dochters figureren ook in Nirwana: ‘twee blonde meisjes met linten in het haar’ (156). En ergens in het tweede deel laat Wieringa een zin te water als flessenpost op volle zee, in de hoop dat Hazel en Zoë hem eens zullen lezen en weten dat hij op hen doelde: ‘Dochters zijn een geschenk uit de hemel’ (269). Maar wat als het geen lezers zijn? Of snel afgeleid en ze komen niet zover? Zal die zin hen ooit bereiken?
Wieringa heeft in Optimisme zonder hoop de hoop afgeschreven. Zijn belangrijkste motief: ‘Wie de hoop opgeeft, geeft ook de hopeloosheid op.’ ‘Waar de hoop in het licht van de crisis van milieu en klimaat verzuimde een duurzaam activerend principe te zijn, is het optimisme zonder hoop een blijvende stuwende kracht die je in staat stelt de goede dingen te blijven doen zonder dat er een onmiddellijke beloning op volgt’ (84).
Hij gaat in op de hoop die Václav Havel door zijn gevangenschappen sleepte, maar laat die varen. ‘Hoop bewijst zijn waarde in het voorbijgaande, in levenssituaties met een mogelijk eindige duur, zoals een gevangenschap, een oorlog of een ziekte – maar waar niet langer een positieve verwachting bestaat en de toekomst zelf een ongeneeslijke zieke is, schrompelt hij tot iets onbruikbaars ineen’ (79).
Het verschil met Havel is, dat die nog toekomst voorhanden ziet. Onderzoeksbureau Ipsos registreert echter een steeds groter verlies van toekomst, 75 procent van de respondenten ziet er door de klimaatcatastrofe geen been meer in. Het verschil is: we hebben altijd crises gehad die het zicht op de toekomst wegnamen: oorlogen, pandemieën, financiële crises, maar een toekomst die zelf de crisis is, dat is nieuw.
Wieringa wendt zich dus tot het optimisme dat hij bij Voltaire vond: Candide, ou l’optimisme (1759). Niet het wijsgerige optimisme dat de wereld beschouwt als het beste van alle mogelijke werelden (Leibniz), ‘maar een optimisme van het temperament, dat zich ziende blind houdt en me in staat stelt te handelen zonder de verwachting dat het beter wordt. Of slechter. Of welke verwachting dan ook. Het is heel krachtig omdat het onafhankelijk is van het verlangen; het beeldt zich geen toekomst en geen betere wereld in, het is alleen maar een tevreden knecht van het onmiddellijke heden’ (83).
Wieringa is zich ervan bewust dat hij met zijn definities de hoop tekort doet. De hoop is niet alleen passief, maar zet ook tot handelen aan. Hij citeert Bloch: ‘Het werk van deze emotie vereist mensen die zich actief storten op wat aan het worden is, waartoe ze zelf behoren’, maar even later valt Wieringa weer terug in zijn eigen systematisering. ‘Schematisch gesproken vormt hoop de verwachting en optimisme de handeling – maar wordt deze Siamese tweeling van elkaar gescheiden, dan heeft de handeling een grotere levenskans dan de verwachting’ (83).
‘Wat kan ik mijn dochters zeggen. Misschien dit. Wat te hopen vervangen door wat te doen. We moeten onze tuin onderhouden, zegt Candide monter aan het eind van zijn ongelukkige avonturen. “Plant een boom, dat is voldoende,” schreef ik lang geleden aan een kleuter op een basisschool wiens ballonkaart ik in een weiland gevonden had, “hang daarin al je goede herinneringen voor wanneer je bang bent in het donker.” Een kwarteeuw later is dat het meest fundamentele wat ik kan verzinnen om een snipper toekomst te verdedigen: bomen planten. Voor mijn dochters en al het nog ongeborene dat popelt om deze aarde te bevolken’ (85).
(De brief aan de kleuter met het advies om een boom te planten en nog een hele bladzijde aanwijzingen en raadgevingen meer, is te vinden in het verhaal ‘Ballon’ in: Ga niet naar zee (2010), blz. 34v).
Ook van Luther wordt verteld dat hij gezegd zou hebben: ‘Als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, dan zou ik vandaag een appelboompje planten…’ Het is echter een citaat dat nergens in Luthers omvangrijke oeuvre voorkomt. De oudste vermelding dateert van 5 oktober 1944: in een brief van Karl Lotz, predikant van de Bekennende Kirche, die zijn collega’s een hart onder de riem steekt in hun verzet tegen het nationaalsocialisme.
Wat Wieringa afschrijft is de verwachting van een Deus ex machina, een passieve hoop die zich geruststelt omdat de prognoses meevallen of de verwachtingen gunstig zijn. Hij heeft een ander woord nodig om tot handelen te komen: optimisme. Dat woord was echter ook besmet, maar Voltaire heeft het op Leibniz teruggevorderd.
In plaats van het optimisme te omarmen, met de klank van een zonnige natuur, keer ik liever terug naar de actieve hoop als een kracht die een heel volk in beweging kan zetten en blijf Václav Havel citeren: ‘Hoop is een kwaliteit van de ziel en hangt niet af van wat er in de wereld gebeurt. Hoop is niet voorspellen of vooruitzien. Het is een gerichtheid van de geest, een gerichtheid van het hart, verankerd voorbij de horizon. Hoop in deze diepe en krachtige betekenis is niet hetzelfde als vreugde omdat alles goed gaat, of bereidheid je in te zetten voor wat succes heeft. Hoop is ergens voor werken omdat het goed is, niet omdat het kans van slagen heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme; evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen. Het is de zekerheid dat iets zinvol is onafhankelijk van de afloop, onafhankelijk van het resultaat.’
drs. Klaas Touwen