2026-98- Aflevering 6

By 31 mei 2018 No Comments
Versie
Downloaden 8826
Bestandsgrootte 483.70 KB
Aantal bestanden 1
Datum plaatsing 31 mei 2018
Laatst geüpdatet 8 oktober 2026
Downloaden
or download free
[free_download_btn]

Beschrijving

Nummer 6– 98ste jaargang 2026 – november

TIJDSCHRIFT VOOR VERKONDIGING

UITGAVE VAN DE MINDERBROEDERS FRANCISCANEN IN DE LAGE LANDEN

 

Redactionale
Henk Janssen OFM

1 november 2026 Allerheiligen
Inleiding M.F. Vroege-Crijns BA;
Preekvoorbeeld drs. P. van Mansfeld

2 november 2026 Allerzielen (Eucharistieviering I)
Inleiding dr. P. Kevers;
Preekvoorbeeld prof. dr. J.B.M. Wissink

8 november 2026  32e door het jaar
Inleiding H. Janssen OFM;
Preekvoorbeeld drs. M.G.J. van der Post

15 november 2026 33e door het jaar
Inleiding dr. Y van den Akker-Savelsbergh;
Preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

22 november 2026 Christus Koning
Inleiding G. van Buul OFM;
Preekvoorbeeld prof. dr. E.P.N.M. Borgman

Homiletische hulplijnen 123  drs. K. Touwen

 

REDACTIONALE

Looft de Heer, want Hij is hoogverheven!
Geloofd zij de Heer, want Hij is hoogverheven,
in tijd en eeuwigheid.

Hoor, Israël.
De Eeuwige is onze God,
de Eeuwige is één

Gezegend zij de Naam van de heerlijkheid van zijn koninkrijk
in tijd en eeuwigheid.

Heb daarom de Barmhartige, uw God, lief
met geheel uw hart, met geheel uw ziel
en met geheel uw kracht,
en de naaste en de vreemdeling als u zelf.

De woorden die Ik u heden opdraag om te doen,
moeten in uw hart zijn;
prent ze uw kinderen in,
spreek er over wanneer u in uw huis zit
en wanneer u onderweg bent,
wanneer u gaat slapen en wanneer u opstaat.

Bind ze tot een teken op uw hand
en als een band tussen uw ogen;
schrijf ze op de deurposten van uw huis
en op uw poorten.

Gezegend zijt Gij, o Heer, die Israël verlost hebt.

[Sjema, gedeeltelijk; Deut. 6,4-9.11,13-21; Num. 15,37-41]

 

Geachte lezers en lezeressen van Tijdschrift voor Verkondiging – digitaal,

Hierbij ontvangt u het laatste nummer van de 98-ste jaargang.

Helaas hebben wij de honderdste jaargang niet gehaald, omdat er geen medebroeder meer beschikbaar is om het tijdschrift voor langere tijd onder zijn hoede te nemen.
Met gemengde gevoelens hebben wij dit laatste nummer gemaakt. Want Fleur Vroege-Crijns, Gerard van Buul ofm, Yvonne van den Akker-Savelsbergh, Klaas Touwen en ik nemen na dit nummer, na vele jaren, afscheid van elkaar als redactieleden. Dankzij de Minderbroeders Franciscanen in de Lage Landen heeft Tijdschrift voor Verkondiging 98 jaar kunnen bestaan.

Met de beslissing om het tijdschrift en de redactie op te heffen is Tijdschrift voor Verkondiging echter niet weg. Het digitaal archief blijft de komende tijd te raadplegen. Bovendien zal het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap de komende jaren het digitale archief ontsluiten, steeds aangepast aan het dan vigerende liturgisch jaar. Zie https://www.debijbel.nl/preekinspiratie (onder OL = Oecumenisch Leesrooster). De redactie is gelukkig met deze samenwerking, die het mogelijk maakt dat de exegetische inleidingen en preekvoorbeelden lang en in een breder verband kerk en oecumene kunnen dienen.

Vrede en alle goeds!

Henk Janssen OFM,
hoofdredacteur

Jonas, Arnhem,
14 september, feest van Kruisverheffing 2026

 

Literatuurtips
Amy-Jill Levine & Marc Zwi Brettler, Hebraische Bibel und Altes Testament, Stuttgart 2024.
idem, Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, Haarlem/Antwerpen 2024.
Andries Govaart, De weg die je goeddoet, Middelburg 2022.
Johan te Velde (red.), Wees gezegend, Baarn 1996.
Theo Salemink & Marcel Poorthuis, Een donkere spiegel, Valkhofpers 2006.

 

1 november 2026
Allerheiligen

Lezingen: Apok. 7,2-4.9-14; Ps. 24; 1 Joh. 3,1-3; Mat. 5,1-12a (A-jaar)

Inleiding

Wie mag de berg van de heer bestijgen,
wie mag staan op zijn heilige plaats?
Wie reine handen heeft en een zuiver hart,
zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert.
Psalm 24,3-4 (NBV21)

De drie lezingen gaan over het Rijk Gods en wie voor dat rijk zijn bestemd. Wie mogen zich gelukkig prijzen om dat rijk te kennen, om daar binnen te gaan? En wat betekent deze belofte voor het aardse leven in het hier en nu? De lezingen overspannen als het ware het gehele Nieuwe Testament: van het eerste boek, het Evangelie volgens Matteüs, tot het laatste boek, Apokalyps/Openbaring, dat tevens de Bijbel als geheel afsluit.

Apokalyps 7,2-4.9-14
Openbaring is een boek, waarin op verhulde wijze met behulp van mythische en kosmische beelden symbolen en een niet-lineaire verhaallijn de betekenis van Gods bevrijdend handelen in Christus wordt geopenbaard. Het is literatuur uit de tijd van geloofsvervolgingen: het verhaal is alleen te begrijpen voor insiders. Typerend voor Openbaring is het eschatologisch karakter: het gaat over de laatste dingen, de gebeurtenissen in de Eindtijd wanneer Christus terugkeert en over de voltooiing van de wereld: het aanbreken van het Rijk Gods. De aanloop daartoe wordt geschetst als eindstrijd tussen goed en kwaad.

In de visioenen die Johannes heeft, ziet hij alternerend wat zich in de hemelse sferen afspeelt en wat er op aarde gebeurt. De lezing van vandaag komt uit een reeks visioenen, waarin hij ziet hoe in de hemelse sfeer één voor één zeven zegels worden verbroken door het Lam Gods, met catastrofale gevolgen op aarde. Na het verbreken van het zesde boekrolzegel wordt dit proces onderbroken, zodat de onontkoombare loop van de geschiedenis als het ware tijdelijk wordt opgeschort.

Het visioen valt uiteen in twee delen die dezelfde gebeurtenis beschrijven vanuit verschillende perspectieven. Eerst ziet Johannes de gebeurtenissen op aarde (7,1-8) en krijgt hij inzicht in de reden van de onderbreking: er wordt tijd gewonnen om bij degenen die God dienen een zegel op het hoofd aan te brengen (7,4).
Vervolgens verplaatst Johannes’ blikveld zich naar de hemel (7,9-17): een indrukwekkend visioen van de hemelse troonzaal (vgl. vv. 4,2-11) waar God door alle hemelingen wordt geëerd, gedankt en geloofd in een eeuwigdurende hemelse liturgie. De palmtakken in de hand van de ontelbare menigte zijn in de Oudheid een symbool van overwinning; de witte gewaden duiden op reinheid, heiligheid en waardigheid (vv. 10-17); Het beeld drukt een enorme weidsheid uit en ademt een sfeer overwinning. Daar krijgt Johannes antwoord op de prangende vraag die klonk na het openbreken van het zesde zegel: ‘Wie blijven op de dag van Gods toorn staande?’ (6,17).

Johannes hoort hoeveel mensen getekend zullen worden door het zegel (sfrangida) van God: 144.000 uit alle stammen van Israël (vv. 2-4). Het genoemde exacte getal drukt niet zozeer een precies afgebakend aantal uit, het betreft veeleer een symboolgetal. Het getal ‘twaalf’ wordt in het Oude Testament gebruikt om compleetheid uit te drukken; het getal ‘duizend’ voor een onmetelijke hoeveelheid; duizend is een getal dat bij God hoort. De opsomming van de twaalf stammen van het volk Israël onderstreept dat het om het volk Gods in zijn geheel gaat: zowel de twee stammen uit het Zuidrijk die na de Babylonische ballingschap (586 vChr.) zijn teruggekeerd, als de tien stammen van het Noordrijk die nooit zijn teruggekeerd uit de Assyrische ballingschap (721 vChr.). Het beeld schetst de verwerkelijking van de langverwachte hereniging van het volk Israël, waarnaar al in de tijd van de profeten werd uitgezien als eindtijdelijk verlangen (Ezech. 37,15-28).

Door de complexe verhaalstructuur in Openbaring, moet de lezer terug- en vooruit lezen in de tekst om te begrijpen hoe de relatie tussen beide groepen mensen – de 144.000 op aarde en de ontelbare menigte in de hemel – zich tot elkaar verhouden. Een vergelijkbaar visioen van de hemelse troonzaal in hoofdstuk 5 leert dat de talrijke menigte in het wit bestaat uit mensen die zijn vrijgekocht met het bloed van het Lam (arnion, bokje; 5,9): het gaat om christenen uit alle volkeren, joden en heidenen. In hoofdstuk 6 wordt duidelijk dat het om mensen gaat die al zijn gestorven. Het zijn de gelovigen die zijn gedood omwille van hun getuigenis van Christus (6,10).

De 144.000 daarentegen worden juist door het zegel getekend om beschermd te zijn, zodat zij de grote verdrukking kunnen weerstaan. Zij zijn de groep mensen die als de grote eindstrijd op aarde zal plaatsvinden, het Lam volgen. Ook zij zijn uit de mensheid vrijgekocht (14, 3-5). Beide groepen leven op een ander moment in de tijd, maar zij vormen samen één groep: het zijn de mensen die met Christus verbonden zijn doorheen de heilsgeschiedenis tot aan de voltooiing toe.

Zo geeft dit hoofdstuk in Openbaring een doorkijkje naar de hemelse heerlijkheid. Een blik in de eeuwigheid, op diegenen die zich reeds in de hemel bij God bevinden. Staande voor de troon en voor het Lam (v. 9) kunnen zij nu dus God aanschouwen; over hen zegt Johannes (vv. 16-17): zij zullen niet meer hongeren en dorsten, geen last meer hebben van de zinderende hitte, het Lam zal hen leiden naar bronnen van levend water, en God zal iedere traan uit hun ogen wissen. Beelden die oudtestamentische heilsbeloften van Israël in herinnering roepen (Jes. 49,10 en 25,8); beelden die opnieuw weerklinken in de Zaligsprekingen van Matteüs (vgl. Mat. 5,1-12a).
Zo wordt aan de eerste lezers van Johannes, vervolgde christenen in de johanneïsche gemeenten – en in het verlengde daarvan aan de lezers van vandaag – getoond dat hun lijden niet voor niets is en dat tegen alle verwachtingen in de komst van het koninkrijk Gods reeds is aangebroken. Een bemoedigende boodschap!

1 Johannes 3,1-3
In 1 Johannes wordt een scherp dualistisch beeld geschetst, waarin God, licht, leven, liefhebben, gereinigd zijn van zonde en het onderhouden van geboden lijnrecht staan tegenover wereld, duisternis, dood, haten, onreinheid door zonden en gerichtheid op eigen verlangens. Je staat of aan de ene, of aan de andere kant. De auteur stelt de zijnen – hij spreekt in de wij-vorm – gerust: ze worden niet alleen kinderen van God genoemd, maar zijn dat ook (v. 1) met andere woorden ‘ze behoren tot God’ (4,4). Zijn zorg is dat ze ook ‘in Hem blijven’(2,24.27.28); dat ze ook in een wereld die God niet kent en in een tijd dat er in de eigen kringen figuren rondlopen die iets anders verkondigen – vasthouden aan hetgeen hen onderwezen is: Jezus Christus is de door God gezonden verlosser.

In de korte tekstlezing wordt het motief van Gods verlossende handelen onthult: Liefde! Gods onvoorstelbaar grote liefde reikt zover dat een ieder die kind van Hem is (vgl. 5,1) erop mag vertrouwen uiteindelijk aan Hem gelijk te zijn (v. 2). Wat dat precies betekent zal mettertijd, als Hij zich openbaart, pas echt duidelijk worden, maar dat het zo is, staat vast. Met deze verwachting voor ogen, klinkt de oproep om zich te reinigen, om net zo rein (hagnizoo/hagnos; mogelijk verwant aan hagios = heilig) te worden als Jezus, de Christus.

Matteüs 5,1-12a
De Zaligsprekingen van Matteüs vormen de opening van de Bergrede: alvorens Jezus begint te onderrichten wat de Tora concreet betekent voor het leven van alledag om trouw te blijven aan het Verbond met God, brengt hij hen de goede boodschap van Gods genade, het koninkrijk der hemelen. De zaligsprekingen kunnen opgevat worden als een speech act, een vorm van performatief spreken: door het uitspreken worden ze werkelijkheid. Het effect ervan is dat de toehoorders getroost en bemoedigd worden. Het uitspreken opent een nieuw perspectief.
Net als in het boek Openbaring, richt de boodschap in de Zaligsprekingen van Matteüs zich op toehoorders die het risico lopen op geloofsvervolging of daar al mee te maken hebben gehad: ‘Zalig zijn zij die vervolgd zijn omwille van gerechtigheid… (v. 8) en zalig zijn jullie wanneer ze jullie zullen uitschelden, vervolgen en kwaadspreken omwille van Mij (v. 9).

Bij Matteüs gaat het om acht zaligsprekingen met eenzelfde zinsopbouw die omlijst worden door het redengevend ‘want van hen is het koninkrijk der hemelen (vgl. Luc. 6,20-26). De tussenliggende redengevende bijzinnen geven kleur en betekenis aan wat dat betekent: getroost worden, de aarde beërven, gerechtigheid, barmhartigheid, God aanschouwen en Zijn kinderen genoemd worden. Na deze serie van acht parallellen volgt een negende zaligspreking die rechtstreeks gericht is op de toehoorders: ‘Zalig zijn jullie!’

Eerst worden de zaligsprekingen in het algemeen gezegd, en dan ineens tot de toehoorders zelf. Bij het spreken over iemand, krijgen de toehoorders een indruk wat het betekent om in de ogen van God ‘zalig’ te zijn. Zij kunnen zich als het ware spiegelen aan de verschillende doelgroepen. Zoals wij ons vandaag – op Allerheiligen – kunnen spiegelen aan de mensen van wie de Kerk door de eeuwen heen heeft onderkend, dat zij andere gelovigen tot voorbeeld kunnen zijn. Mensen op wier geloof en gelovig handelen wij ons kunnen richten als wij ons afvragen hoe we handen en voeten kunnen geven aan een leven in de voetsporen van Jezus.

Dat het ook de bedoeling is dat de toehoorders van Jezus zich spiegelen aan de zaligsprekingen blijkt uit die laatste, negende zaligspreking die daarop volgt, waarbij Jezus hen rechtstreeks aanspreekt: Zalig zijn jullie wanneer jullie.…gevolgd door een gebiedende wijs: ‘Verheugt je… Juicht!’ Jezus spreekt hen persoonlijk aan. Zo hebben de zaligsprekingen naast een bemoedigende ook een ethische dimensie: ze sporen aan tot de juiste instelling en het juiste handelen. In de daaropvolgende parabels over ‘het zout der aarde’ en ‘het licht der wereld’ werkt Jezus dit ethische appel verder uit.

Deze wisseling van de 3e persoon (zalig zijn zij) naar de 2e persoon (zalig zijn jullie) heeft als retorisch effect dat de betrokkenheid van de toehoorders – de leerlingen en de menigte die naar Jezus luisteren – wordt vergroot.
Wanneer wij ons als lezer met de toehoorders van Jezus identificeren, worden ook wij rechtstreeks aangesproken en ervaren wij dat Jezus’ appel ook heden ten dage nog van kracht is. Dat de opdracht ons te verheugen nog onverminderd geldt. De zaligsprekingen moeten immers verstaan worden tegen het licht van de eindtijd, het moment waarop Jezus zal terugkeren. Het koninkrijk Gods is met het leven, sterven en de verrijzenis van Jezus weliswaar aangebroken, maar de voltooiing staat nog uit en wij zijn daar – met en in de wereld – naar onderweg.

Literatuur
Aune, D. E. Revelation 1-5. WBC 52. Dallas: Word Incorporated, 1997.
Davis, W. D. en Dale, C.A. Jr. The Gospel according to Saint Matthew. Vol. I. IIC. Edinburgh: T&T Clark, 1988.
Gnilka, J. Das Matthäusevangelium 1. Teil. HThKNT. Freiburg: Herder, 1986.
Koester, C. R. Revelation: A New Translation with Introduction and Commentary. AB 38A. New Haven: Yale University Press, 2014.
Luz, U. Das Evangelium nach Matthäus 1. Teilband. EKK. Neukirchen: Benziger/Neukirchener Verlag, 20025.
Smid, R. “Duizenden en tienduizenden: ontelbaar veel.” [blog] NBG De Bijbel. Geraadpleegd 10 juni 2026.
Smid, R. “Twaalf: een compleet getal.” [blog] NBG De Bijbel. Geraadpleegd 10 juni 2026.

 

Preekvoorbeeld

Inleiding: Precies op zondag vieren we dit feest van Allerheiligen. Allerheiligen om degenen te gedenken vóór ons die heil brachten. Allermensen om te ontdekken wie zich zalig mogen prijzen.

Ga je op zaterdag wel eens de stad in, of vind je het dan te druk? Zoveel mensen winkel in winkel uit, belast en beladen. Je wijkt uit, je loopt mee. Een menigte van mensen. Niet te tellen, de meesten anoniem. Wat zie je? Zie je bekende gezichten, zoals de straatkrantverkoper? Hoeveel zouden het er zijn? Twaalfduizend? Geluk gaat naast verdriet, gezondheid botst tegen ziekte op. Een kind is zijn moeder kwijt. Twaalfduizend mensen met een eigen verhaal.

Je kun ook geraakt worden door afbeeldingen van mensen die zijn vastgelegd door oorlogsfotograven. Hun gelaat getekend door verdriet of geweld. Gezichten van mensen in oorlog, gezichten van kinderen die honger lijden, gezichten van asielzoekers, mensen die pas een gezicht krijgen als jij ze ziet en aankijkt.

Johannes ziet in zijn visioen twaalf maal twaalfduizend getekenden op onze áárde uit alle twaalf stammen van Israël. Ze krijgen allemaal een teken dat hen beschermt tegen de grote verdrukking. Johannes ziet dat alle joodse mensen, herenigd zijn rond het lam Christus, door Gods zegel beschermd en in vrede. Dat is een tegendraads visioen voor het huidige Israël.

Daarna ziet hij in de hémel een nog grotere menigte in witte gewaden. Wie zijn dat en waar komen ze vandaan? Dat zijn mensen uit alle volkeren, die al gestorven zijn omdat ze getuigden van hun geloof in Jezus. Beide groepen op aarde en in de hemel zijn verbonden door Christus, het lam Gods. Dit visioen was voor de christenen, die in die tijd vervolgd werden een grote bemoediging. In dit dubbele visioen verbindt Christus hemel en aarde. Het geeft ons, hier en nu, een blik op een toekomst van vrede én een blik op de eeuwigheid waar alle heiligen in witte gewaden in Gods Rijk vertoeven bij levend water, omdat ze tot hun dood trouw bleven aan Jezus’ weg.
Die trouw wordt beloond! We mogen dat geloven en we vinden dat bevestigd in de levens van mensen, die Christus trouw bleven tot in de dood. Martelaren zoals Dietrich Bonhoeffer, Martin Luther King en Aleksej Navalny.

De bemoedigende woorden van Jezus’ Bergrede sluiten hier bij aan. Ook Jezus zag een menigte mensen, hij werd geraakt door al die gezichten met hun lach of hun traan, hun last of lust. Bij het zien van al die mensen ging hij de berg op. Hij wees. Kijk, kijk dan toch! Al die mensen die zoeken en verlangen naar vrede. Hij ziet hun kracht en spreekt die aan. Natuurlijk ziet Jezus in die menigte ook de ontrouw en de haat, de angst voor terreur en oorlog. Maar Jezus kijkt door de ellende heen, hij doorbreekt de haat en angst door te zien wat deze mensen waard zijn, door hen te zien geeft hij Gods genade door!

Dat doet hij precies op maat, want hij ziet dat hun noden en verlangens verschillen, net als bij ons nu. Jezus onderscheidt acht groepen.

Gelukkig arme mensen, niet omdat ze arm zijn, armoede is vreselijk, maar omdat ze niet gevangen zijn in geld en vastgoed, daarom hebben ze ruimte om elkaar te helpen, zo brengen ze een beetje hemel op aarde.

Gelukkig zij die treuren, want alleen dan kun je getroost worden. Zij die weten dat pijn en verdriet bij het leven horen, juist zij kunnen ook weer lotgenoten troosten.

Gelukkig mensen met een zacht gemoed, die geloven dat de zachte krachten zullen winnen op het eind. Met hun innerlijke kracht zullen ze de kringloop van geweld en tegengeweld doorbreken.

Gelukkig zij, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, zij die weigeren te wennen aan onrecht. Je nek uitsteken is gevaarlijk, maar Christus’ voorbeeld geeft hen moed.

Gelukkig barmhartige mensen, want zij laten hun hart niet leiden door fanatiek nationalisme, ze laten zich raken door het lijden van anderen over grenzen heen, God zal zich over hen erbarmen.

Gelukkig zij die zuiver van hart zijn, zij zullen God zien. Ze zullen in het gelaat van hun medemens zijn gezicht herkennen.

Gelukkig de vredestichters, mensen die hun vijand naar zijn naam vragen en de hand reiken, ze zullen elkaar herkennen als kinderen van één God.

Gelukkig zijn zij die onrecht aanklagen en daarom gehaat worden, zij zullen veilig zijn bij God.

Wellicht herken jij jezelf in een van deze aangesproken groepen? Als dat niet zo is dan is de extra negende zaligspreking van Jezus wel persoonlijk voor jou! ‘Gelukkig ben jij als jij lijdt onder alle geweld en ellende die onze wereld teisteren en als jij ondanks dat toch mijn vrede verkondigt en daarom belasterd en vervolgd wordt.’ Jezus zegt tegen jou: ‘Hou vol op de weg naar mijn vrede, tegen de stroom van het geweld in, want Gods vrede is jouw rijke beloning.’

Is dat een loze gemakkelijke belofte? Nee, het is de kern van ons geloof, dat Jezus zich gaf tot op het kruis en daarom door God is verheven. De weg van jezelf geven en de liefde volhouden is de enige weg naar vrede. Dat blijkt ook als we kijken naar degenen voor ons die hebben volgehouden. Gewone en toch bijzondere mensen uit onze streek zoals Titus Brandsma, Peerke Donders, Lidwina van Schiedam. Hun moed en geestkracht werken door tot op vandaag, daarom zijn ze heilig verklaard! Wij mogen op hun schouders staan. Met hun moed en inspiratie ons inzetten voor de weg naar de vrede.

Als we goed kijken zijn er ook nu heiligen onder ons, mensen die hoop geven. Ik denk aan moeders die moeten rondkomen van een kleine uitkering, maar die liefde blijven geven aan hun kinderen en die samenkomen om hun geld en hun zorgen te delen. Ik denk aan de jongeren van een kerk die vrijwillig en geduldig gaan helpen in een verpleeghuis. Ik denk aan de mensen die volhouden om via Amnesty brieven te schrijven aan politieke gevangenen, die zijn vastgezet omdat ze opkwamen voor hun overtuiging. Dat zijn allemaal geen supermensen, maar ze geloven dat hun inzet niet tevergeefs is, dat ze mogen meedoen aan de opbouw van Gods Rijk van vrede. Kijk goed om je heen, naar die menigte mensen in jouw leven. Prijs gelukkig diegenen, die volhouden het goede te doen! Zij mogen er wezen!

Wij mogen vandaag vieren dat we deel zijn van een gemeenschap van heiligen en van mensen die nu volhouden en heilzaam zijn voor hun naasten. Samen horen we bij God thuis. Samen mogen we ons bemoedigd weten door de belofte van Jezus: ‘Wat een geluk wanneer je in Godsnaam lijdt om te bereiken dat alles terechtkomt, want dan hoor je bij God thuis.’

Inleiding M. Fleur Vroege-Crijns BA
Preekvoorbeeld Paulus van Mansfeld

 

2 november 2026
Allerzielen
(Eucharistieviering I)

Lezingen: Jes. 25,6a.7-9; Ps. 23; Apok. 21,1-5a.6b-7; Luc. 23,44-46.50.52-53; 24,1-6a
(Eucharistieviering II en III zijn verschenen in respectievelijk jaargang 2024 en 2025)

 

Inleiding

Eerste lezing: Jesaja 25,6a.7-9
De hoofdstukken 24–27 van Jesaja worden algemeen beschouwd als het jongste grotere geheel in dit bijbelboek, dat een lange ontstaansgeschiedenis heeft gekend. Ze worden vaak ‘de Apokalyps van Jesaja’ genoemd en ze schetsen een toekomst waarin Gods koningschap definitief wordt gevestigd, de machten van het kwaad worden overwonnen en alle volkeren worden verzameld in Jeruzalem.
Uit dit geheel is een korte perikoop gekozen als eerste lezing. De heer richt op zijn berg een overvloedig feestmaal aan voor alle volkeren. Een maaltijd sticht gemeenschap; een verbondssluiting ging vaak met een maaltijd gepaard (zie bijvoorbeeld Gen. 31,46-54: het verbond tussen Jakob en Laban wordt bezegeld met een maaltijd; en Ex. 24,9-11 over het Sinaiverbond: Mozes en de oudsten bestegen de berg, waar zij ‘aten en dronken’). We mogen dus verstaan dat God een verbond sluit met alle volken (v. 6). Dit betekent meteen het einde van alle droefheid, gesymboliseerd door het scheuren van het rouwkleed dat de wereld bedekt (v. 7). In het nieuwe rijk van God is geen plaats meer voor de dood: de Eeuwige vernietigt de dood voor altijd en veegt de tranen van alle gezichten (v. 8). Op deze beschrijving volgt een korte dankpsalm, waarin Gods reddende tussenkomst op zijn heilige berg op het einde der tijden bezongen wordt (v. 9).

Antwoordpsalm: Psalm 23
Psalm 23, ‘De Heer is mijn herder’, is misschien wel de bekendste en de meest geliefde uit heel het psalterium. Het lied is doordrongen van het serene Godsvertrouwen van de psalmist, dat hij uitdrukt in een variatie van beelden. In de eerste verzen is God de herder die zijn kudde in de steppe weidt, in vers 4 leidt Hij een reiziger door een gevaarlijk dal, en in vers 5 is Hij de gastheer die een maaltijd bereidt en het hoofd van zijn gast met olie zalft. Ten slotte blijkt uit het laatste vers waar de psalmist zich bevindt: ‘Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.’

Tweede lezing: Apokalyps 21,1-5a.6b-7
De tweede lezing is het begin van het grote overwinningsvisioen op het einde van het allerlaatste Bijbelboek, de Apokalyps of Openbaring van Johannes. De ziener aanschouwt ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’, dat wil zeggen een nieuwe schepping en een vernieuwde mensheid. Hij ziet ‘de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, van God uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich voor haar man heeft getooid’. Voor dit visioen vond de auteur inspiratie bij de profeten, vooral in Jesaja 65,17-25.

Het visioen drukt uit, dat God ondanks alles trouw blijft aan zijn schepping (vv. 1-2) en aan zijn verbond (vv. 3 en volgende). God blijft zijn tent opslaan te midden van de mensen. Hij zal hun God zijn en zij zijn volk: dat is de traditionele verbondsformule (zie Ex. 6,7; Lev. 26,12; Jer. 24,7; 31,33; 32,38; Ezech. 11,20; 36,28; 37,23.27). In vers 4 herkennen we beelden uit de eerste lezing: ‘Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn’ (vgl. Jes. 25,7-8). In vers 7 wordt de verbondsformule hernomen, maar nu over een verbond met ieder mens afzonderlijk: ‘Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon’ (vgl. in 2 Sam. 7,14 een soortgelijke formulering voor het verbond van God met David). Wie dorst heeft, mag drinken uit de bron van het water des levens.

Evangelielezing: Lucas 23,44-46.50.52-53; 24,1-6a
De evangelielezing bevat enkele uittreksels uit de laatste twee hoofdstukken van het Lucasevangelie: het verhaal van Jezus’ dood en graflegging, en het verhaal over de vrouwen die op paasmorgen naar het graf gaan en daar de boodschap van de verrijzenis vernemen.

In de versie van Lucas sterft Jezus sereen, met een vertrouwvol gebed op de lippen: ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest’ (23,46). Jozef uit Arimatea, lid van de joodse Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man die ‘leefde in de verwachting van het Rijk Gods’ (vers 51, niet opgenomen in de lezing), zorgt ervoor dat Jezus een waardige begrafenis krijgt.

De apostelen hebben Jezus bij zijn arrestatie in de steek gelaten (hoewel Lucas dit niet expliciet vermeldt; zie echter Mar. 14,50 en Mat. 26,56), maar de vrouwen die hem van in Galilea gevolgd waren, zijn er wel. Volgens Lucsa kijken ‘allen’ – de vrouwen en de apostelen – van op een afstand toe hoe Jezus sterft en begraven wordt (vv. 49 en 55-56, niet opgenomen in de lezing). Na de sabbat gaan zij op weg naar het graf, om het lichaam van Jezus te balsemen. Dat is alles wat zij voor hun dode meester nog kunnen en moeten doen, lijken afleggen was een vrouwentaak.
Toch zijn er tekenen van nieuw leven: de eerste dag, de vroege morgen, de weggerolde steen (zie 24,1-2). Maar de vrouwen begrijpen die tekenen nog niet. Jezus is dood en begraven, en zij gaan binnen in het graf, een plek waar de dood regeert. In plaats van het lichaam van Jezus treffen zij er twee mannen in een stralend wit kleed aan, boodschappers van God, die hun de verrijzenis aankondigen: ‘Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is niet hier, hij is verrezen’ (v. 6a). De vrouwen keren van het graf terug en brengen het goede nieuws aan de elf apostelen en aan al de anderen (vers 9, niet opgenomen in de lezing).

Leven en dood
De Schriftlezingen voor Allerzielen brengen een tweevoudige boodschap. Enerzijds: de dood wordt ernstig genomen. Jezus heeft het lijden en de dood in al hun bitterheid ervaren en doorstaan. Anderzijds: de dood heeft niet het laatste woord. In het graf, de plek van de dood, krijgen de vrouwen een boodschap van leven. Over dat leven dat de dood overwint spreekt de Schrift in beelden: een feestmaal op Gods heilige berg (eerste lezing); verblijven in het huis van de Heer tot in lengte van dagen (antwoordpsalm); een nieuw, hemels Jeruzalem (tweede lezing). Beelden zijn betrekkelijk, maar de hoop, dat de God van het leven ons in het uur van onze dood getrouw zal zijn, is sterker dan elk beeld.

 

Preekvoorbeeld

Onze God is een God van gemeenschap, die ons tot gemeenschap roept. Hij is Liefde: Vader, Zoon en Geest. En Hij roept tot liefde: van ons naar Hem en van ons naar elkaar toe. Dat kleurt ook de gelovige omgang met de dood, zowel die van anderen als die van jezelf.

In het ‘heidendom’ van onze dagen is de dood de absolute catastrofe, het eind van alles. Het leven is om te genieten en dat doe je het beste samen, maar de dood is isolement. Alles breekt af. Een mens sluit zijn mond en reageert niet meer. Voortaan is alle communicatie onmogelijk. De dood is stom in de dubbele betekenis van het woord: zonder woorden en dom. Nu zeg ik wel dat het moderne ‘heidendom’ zo tegen de dood aankijkt en dan lijkt het net, alsof dat alleen voorkomt bij heel erge mensen in onze maatschappij. Maar dat is niet zo, dat ‘heidendom’ zit dichterbij. Het steekt af en toe ook de kop op in onszelf. En zoals elke dwaling bevat ook deze dwaling nog wat waarheid ook. Ik bedoel: de dood heeft iets van stomheid over zich, iets dat ons negatief slaat, iets van dat het allemaal zo niet hoort.

Ik zei dat het moderne ‘heidendom’ echt leven definieert als: leven met kwaliteit, leven waarin genoten wordt. Voor dat genieten heb je anderen nodig. Tegelijk verkeert het zo genietende leven zelf al in isolement, wanneer de ander er alleen maar in voor komt als middel voor mijn genoegen, als iemand waar ik niet buiten kan. Het isolement wordt het eerst gevoeld door degene, die niet meer functioneel is voor het genieten van anderen. Die kan vertrekken. Dat is een ramp voor degene die wordt weggegooid als afval. Maar is degene die zo een ander weggooit niet ook al dood? Ik moet even denken aan de begrafenis van een drugs-gebruikende zwervervrouw – ik ben haar naam vergeten –, die in Amsterdam doodgeschopt was, nadat ze ervan verdacht was in de supermarkt een blikje bier gestolen te hebben. Haar ouders waren er niet voor overgekomen. Bij mij maakte dat alles nog eens extra schrijnend! Ik kan geen moreel oordeel uitspreken over die ouders. Ik weet niet, hoe lang en hoe zeer ze met hun dochter getobd hebben. Ik weet niet, of ze na lange tijd niet meer durfden hopen, omdat hopen zo’n pijn doet, als dingen telkens weer opnieuw mislukken. Ik bedoel: er kunnen echt begrijpelijke excuses zijn, maar het resultaat is in elk geval schrijnend: doe haar maar weg. Wat U ook doet, doe het zonder ons. Leven en dood lijken daar op elkaar: stom isolement.

Hoewel de dood ons echt scheidt van elkaar en de normale manier van met elkaar omgaan ruw onderbroken wordt, kan dat niet het laatste woord zijn, als het waar is dat onze God gemeenschap is en tot gemeenschap roept. En die gemeenschap is niet de schijngemeenschap van een Ik dat anderen tot middel maakt van het eigen streven naar geluk. De gemeenschap die God is en waartoe Hij ons roept, is de gemeenschap van liefde. In die gemeenschap wordt juist dat geluk gevonden, waarvan ter wille van de ander afstand is gedaan. Die achtergrond werkt door in de hele verbeelding rondom de dood.

Bij de profeet Jesaja valt allereerst op dat de toekomst geschilderd wordt als een feest, als een banket. Een feest is juist een feest, omdat mensen er iets komen vieren. Op een bruiloft komen mensen samen, omdat ze het bruidspaar geluk gunnen. Bij een jubileum of een afscheid van iemand die grote verdienste heeft zie je mensen soms verbaasd zijn dat al die anderen ook gekomen zijn en dan spontaan zeggen: wat leuk voor hem/haar. En dan is er die stemming die het samen-zijn tot een feest maakt. Mensen die naar een feest gaan, moeten zich als het ware disponibel houden voor de vreugde, ertoe bereid zijn. Dat is heel iets anders dan: ik ga me eens gratis vullen op kosten van een ander. Dat laatste wordt nooit een feest. Jesaja ziet een feest. Hij ziet er ook verschillende partijen: het volk en de volkeren. De volkeren hebben Israël bespot: jullie altijd met die verhalen over recht en vrede, laten we genieten, dood is dood, je leeft maar één keer. Dat was het verhaal van de volkeren: daarom staat er over hen dat ze door een grauwsluier bedekt waren. In het visioen van Jesaja wordt die sluier van de volkeren afgetrokken en zullen ze Israël gaan eren. ‘Jullie hebben het goed gezien. Jullie God is inderdaad een Redder. Hij heeft jullie gered en nu ook ons.’ Waar volkeren elkaar zo vinden, daar is er echte vrede, daar kan het vredesbanket aangesproken worden. En als Israël dit visioen zelf vergeet, moeten we het hen als volkeren voorhouden: kom mee feesten en bombardeer niet langer.

Ook in de lezing uit de Apokalyps wordt ons het eeuwige en definitieve leven weer als een leven in gemeenschap getoond. In de nieuwe hemel en de nieuwe aarde – dat is: deze aarde en hemel van tegenwoordig als het ware door het niets heen gehaald en dan helemaal vernieuwd, verheerlijkt – daalt het nieuwe Jeruzalem uit de hemel op de aarde neer en staat dan als een bruid tegenover haar Bruidegom, haar Heer. Ons definitieve leven is een stadsleven: leven van een gemeenschap. Die stad heet: Gods woning onder de mensen. Hoort U weer dat meervoud: Gods woning onder de mensen. Waar God onder de mensen woont, worden die mensen een gemeenschap. En omgekeerd, waar mensen een gemeenschap zijn, kan God onder hen wonen.

In het evangelie komen we de spanning tussen isolement en gemeenschap op zijn scherpst tegen. Jezus hangt aan het kruis, verlaten, de mensen die Hem kenden worden op afstand gehouden.
Deze dood is echte duisternis, hier heeft de zonde zijn klauwen uitgestrekt naar de Liefde. De zon geeft geen licht meer, ze kan het niet langer aanzien. En in de tempel, de plek waar God bij de mensen woont en de mensen bij God, scheurt het voorhangsel middendoor. Gaat God zich definitief terugtrekken van deze aarde? Wordt het Verbond van God en de mensen doorgeknipt, afgesneden? In dat duister horen we Jezus roepen: ‘Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.’ Daar wordt in een laatste roep gemeenschap gesticht, gemeenschap onderhouden.
Daarna horen we, hoe God Hem niet in de dood heeft gelaten, maar heeft doen verrijzen. Sindsdien is voor gelovigen overlijden: met Christus sterven, bij Hem horen. De hemel dat is: waar Christus is. En dus is naar de hemel gaan: met Christus zijn. Daarom is dood-zijn niet meer: isolement. Het is: in gemeenschap zijn met de Levende. En omdat deze Levende contact met ons onderhoudt, daarom zijn ook onze doden niet definitief weg. Als de Heer in de Eucharistie met ons verkeert, komt Hij nooit alleen. Hij is er met al die miljoenen, die bij Hem geborgen zijn. In die zin mag elke zondag, elke dag iets van Allerheiligen en Allerzielen hebben. Maar af en toe moet je daar apart bij stilstaan.

 

Inleiding dr. Paul Kevers
Preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink

 

 

8 november 2026
Tweeëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: Wijsh. 6,12-16; Ps. 63; 1 Tess. 4,13-(14)18; Mat. 25,1-13 (A-jaar)

 

Inleiding

Na David kwam zijn wijze zoon,
die dankzij hem ongestoord kon wonen.
Salomo was koning in een tijd van vrede,
God gaf hem aan alle kanten rust
om een huis te bouwen voor Gods Naam.
Hoe wijs was u in uw jeugd,
Uw geest bevloeide de aarde
en u vulde haar met spreuken en raadsels.
Tot aan verre eilanden reikte uw naam
en u was geliefd omdat u vrede bracht.
(Sirach. 47,12-16)

Geschriften-lezing: Wijsheid 6,12-16
De eerste schriftlezing is uit het boek Wijsheid van Salomo. Het is een van de jongste boeken uit de Septuagint en wordt – met het ideaalbeeld van de wijze koning – toegeschreven aan koning Salomo. Het boek Wijsheid staat in de traditie van de wijsheidsliteratuur uit de wereld van het oude Nabije Oosten.

In het boek Wijsheid speelt gerechtigheid een grote rol: ‘Heb de gerechtigheid lief, heersers van de wereld, zoek Hem met een eerlijk geweten’ (1,1v). Vrouwe Wijsheid roept op om de weg van inzicht te betreden (vgl. Spr. 9,1-6). Bij wijsheid gaat het om ervaringswijsheid en (aan)geleerde wijsheid; zij is ook niet ver te zoeken: ‘Wie voor zonsopgang opstaat om haar te zoeken wordt niet moe; hij vindt haar pal voor zijn deur (neus)’.

In onze perikoop (6,12-16) wordt de Wijsheid bezongen: ‘schitterend en onvergankelijk is zij’ (v. 12). Wie haar liefhebben, haar zoeken en naar haar verlangen leert haar dadelijk kennen (vv. 12-13). De wijsheid is op zoek naar mensen die haar waard zijn. Wijsheid begint met oprecht verlangen naar onderricht (17). óp naar het leerhuis!

1 Tessalonicenzen 4,13-(14)18
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27

Evangelie-lezing: Matteüs 25,1-13
Tegen de achtergrond van Wijsheid horen wij het verhaal van tien meisjes die naar de bruiloft gaan; zij hebben hun olielampen bij zich en gaan de bruidegom tegemoet. Helaas laat de bruidegom op zich wachten. De tien meisjes worden slaperig en dommelen in. Midden in de nacht schrikken de meisjes wakker van een luid geroep: ‘daar is de bruidegom, ga hem tegemoet!’ (‘De mensen die zich hebben voorbereid op het feestmaal van de koning zullen de geneugten ervan genieten, wie niet is voorbereid zal lijden,’ b.Sjabb.153a).

Ze brengen hun olielampen in orde en dan blijkt dat de helft van de meisjes te weinig olie heeft meegenomen. Zij vragen aan de andere meisjes om olie maar deze weigeren (Ga zelf maar olie kopen!). De bruidegom arriveert en zij die klaarstaan, gaan met de bruidegom naar binnen voor het bruiloftsfeest en de deur wordt gesloten. De andere meisjes komen voor een gesloten deur en roepen: ‘Heer, Heer, doe open voor ons!’ Maar de deur blijft gesloten, want hij ‘kent’ hen niet: ik heb met jullie niets te maken. Afsluitend zegt Jezus: ‘Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip Hij komt (Mat. 24,42).

Lampen gecombineerd met olie dient vaak als metafoor voor gerechtigheid en goede werken: ‘uw woord is een lamp voor mijn voet een licht op mijn pad’ (Ps. 119,105).

Aan de deur van ’s harten woning
klopt des hemels Bruidegom:
op, ontwaakt, de nacht is om.
Buiten wacht uw Heer en Koning:
kom mijn bruid, die ik bemin,
doe open. Laat mij in!
E. Smelik LvK 295:1

Literatuur
A.J. Levine / M.Z. Brettler, Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen, Haarlem 2024.
idem, Hebräische Bibel und Altes Testament, Stuttgart 2024.

 

Preekvoorbeeld

Het verhaal van de vijf verstandige en de vijf domme meisjes heb ik nooit erg sympathiek gevonden. Die vijf verstandige zijn nuffig en de bruidegom is een potentaat die eerst eindeloos op zich laat wachten en vervolgens keihard afstraft. De vijf domme meisjes zijn een stel sloddervossen voor wie je ook niet veel sympathie kunt voelen. Al met al is het maar een stroef verhaal. Maar we moeten het ermee doen, een ander hebben we vandaag niet.

Een van de interessante dingen van de Bijbel is dat lang niet alles wat erin staat gemakkelijk verteerbaar is en precies op onze maat gesneden. Ook niet alles is sympathiek. Het is daarbij belangrijk te bedenken dat de verhalen ons verteld worden door mensen die lang geleden leefden en bovendien onder heel andere omstandigheden dan de onze. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat ze regelmatig beelden kiezen en een toon aanslaan die niet direct aansluiten op onze belevingswereld. Toch lezen we hun verhalen en kan het gebeuren dat we erdoor geraakt worden, ondanks hun vreemdheid. Waar zou dat door komen? Dat is, denk ik, omdat de schrijvers iets willen delen met de wereld, en dus ook met ons, dat hen zeer ter harte gaat: hun ervaring met God, met God die ruimte wil scheppen, hen op een nieuw spoor wil zetten, hen wil bevrijden van angst en besluiteloosheid. En dat is inspirerend.

Laten we nog eens kijken naar de lampen die de meisjes bij zich hebben en waarvoor olie nodig is om ze te laten branden. In een tijd waarin straatlantaarns niet bestonden, hing, als je 's avonds in het donker op pad moest, alles af van je eigen lamp. Ook in je eigen huis kon je niet rekenen op de openbare nutsvoorzieningen en moest je zelf zorgen voor verlichting. Een lamp was niet alleen een volstrekt noodzakelijk gebruiksvoorwerp, het was als vanzelf ook een beeld, een symbool dat stond voor inzicht, verstandigheid en verantwoordelijkheid. Van de tien meisjes zijn er vijf die wel verstandig en verantwoordelijk zijn en vijf die tekortschieten.

Er zijn in het leven verantwoordelijkheden die we niet aan anderen kunnen overlaten. Als je er over nadenkt, zijn dat er best veel. En eigenlijk is dat maar goed ook, want wat blijft er over van je leven als je nergens verantwoordelijk voor bent? Als er niemand is aan wie je antwoord moet geven? Verantwoordelijk zijn wil zeggen: een antwoord verschuldigd zijn aan iemand die je nodig heeft. Wij mensen leven samen met anderen en die hebben ons nodig, zo goed als wij hen nodig hebben.

We zijn voor elkaar verantwoordelijk. Je zou leven kunnen omschrijven als een weg waarop we ons steeds verder bekwamen in dat over en weer antwoorden en verantwoordelijk zijn. Als we in bepaalde situatie beseffen: dit is mijn pakkie-an, dit moet ik opknappen, en we doen het ook, dan zetten we weer een stap verder op onze levensweg, dan zijn we weer iets wijzer geworden, ook als er iets niet helemaal goed gaat of zelfs mislukt. Ook van mislukkingen kunnen we leren. We kunnen ervan leren, als we er de verantwoordelijkheid voor nemen.

Het verhaal van het evangelie van vandaag vertelt over een aanstaande bruiloft waarop de meisjes zich voorbereiden. Ze wachten op de komst van de bruidegom. Die bruiloft en de bruidegom, dat zijn overduidelijk beelden die staan voor iets groots en iets belangrijks. De mensen die dit verhaal uit de mond van Matteüs hoorden dachten daarbij misschien aan de wederkomst van de verrezen Christus of aan het Koninkrijk der hemelen, waar Jezus zo vaak over gesproken had. Ze hadden van Hem geleerd dat de wereld zoals die toen was en eigenlijk nog steeds is, met z’n vele onoplosbare problemen, geweld en onrecht, werkelijk kan veranderen. Voor God is niets onmogelijk.

Bij die wereld die kan veranderen, hebben wij een rol te spelen, en die heeft te maken met die olie voor de lampen. Daar moeten wij zelf voor zorgen.

De eerste lezing van vandaag zegt daar ook iets over en is eigenlijk een verrassende aanvulling op het evangelie, waar het erop lijkt dat de meisjes flink op pad moeten om olie voor hun lampen te kopen. De eerste lezing zegt: de wijsheid, of de verstandigheid en verantwoordelijkheid, die hoeven we niet ver weg te zoeken. We vinden die voor onze deur. Ze laat zich gemakkelijk vinden voor wie ervoor openstaat.

We hoeven dus geen ingewikkelde dingen te doen om te ontdekken waarvoor we verantwoordelijk zijn en waarvan we wijzere, verstandiger mensen kunnen worden. Het ligt voor onze deur, dat flesje olie voor onze lampen ligt voor onze deur. We hoeven het maar te zien en op te rapen.

Inleiding Henk Janssen OFM,
Preekvoorbeeld drs. Marc G.J. van der Post

 

15 november 2026
Drieëndertigste zondag door het jaar

Lezingen: Spr. 31,10-13.19-20; Ps. 128; 1 Tess. 5,1-6; Mat. 25,14-(15.19-20)30 (A-jaar)

 

Inleiding

Spreuken 31,10-31
Met het zogeheten loflied op de sterke vrouw, de eerste lezing van vandaag, eindigt het boek Spreuken. Dit laatste hoofdstuk begint met de woorden van Lemuël, de koning van Massa, die zijn moeder hem leerde (31,1-9). Maar liefst tweeëntwintig verzen – evenveel als het Hebreeuwse alfabet letters telt, wijdt de dichter vervolgens aan de sterke vrouw. De beginletters van deze verzen vormen in alfabetische volgorde een zogeheten acrostichon of lettervers. Aan zo’n acrostichon kon je niet alleen een geoefende schrijver herkennen, maar het diende waarschijnlijk ook als een praktisch geheugensteuntje.

De zoektocht naar de sterke vrouw wordt verwoord in de vorm van een retorische vraag: ‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?’ (31,10). Haar wijsheid en daadkracht worden geroemd. De zorg voor haar man, voor haar gezin, voor de armen en noodlijdenden tekent haar ten voeten uit.

Vijfmaal komt het woord ‘werken’ in deze perikoop voor (31,13.22.24.29 en 31) met als climax vers 31, waarin haar eigen werken, dat wil zeggen, haar daden, haar prijzen. De basis voor al die daden en kwaliteiten is echter haar ontzag voor de Heer, haar eerbiedige relatie met Hem. De pointe van dit lied is niet dat de sterke vrouw onvindbaar is – ook Ruth wordt een sterke vrouw genoemd (Ruth 3,11; Spr. 8,35; 18,22) – maar dat ze zo zeldzaam is en van onschatbare waarde, net als vrouwe Wijsheid zelf. Ze is zonder meer het navolgen waard.

1 Tessalonicenzen 5,1-6
Zie: Theo A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27

Matteüs 25, 14-30
Op de laatste twee zondagen van het kerkelijk jaar is het evangelie uit de eschatologische rede van Matteüs genomen (24,4b-25,46). Deze wordt in 24,3 ingeleid met de vraag van de leerlingen aan Jezus: ‘Zeg ons wanneer dat [de verwoesting van de tempel] zal gebeuren en wat het teken is van uw komst en van de voleinding van de wereld?’ De komst van messias Jezus aan het einde van de wereld staat centraal in deze rede, een komst die gepaard gaat met de nodige natuurverschijnselen en grote verschrikkingen. De (toehoorders en) lezers worden dringend opgeroepen om alert en waakzaam te zijn, want alleen de Vader weet wanneer dit alles zal gebeuren (24,36).

In de parabel die aan onze lezing voorafgaat – in totaal bevat deze rede vier parabels - wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken met vijf wijze en vijf dwaze meisjes (25,1-13) die de bruidegom tegemoet gaan. Die parabel eindigt met de woorden: ‘Wees dus waakzaam, want je kent dag noch uur’ (vgl. 24,42).

Onze evangelielezing sluit daar direct op aan met de woorden: ‘Want het is als (hoosper gar) met iemand die naar het buitenland ging…’ De meeste vertalingen (tot de weinige uitzonderingen behoort de Naardense Bijbel) laten dit ‘want’ achterwege, terwijl het juist wijst op het interne verband tussen deze twee perikopen. Daarom is ook in onze parabel waakzaamheid van levensbelang.

Tegelijkertijd vormt de terugkomst van de man, later ‘heer’(!) genoemd en de afrekening met de slaven de schakel met de aansluitende passage, waarin de komst van de mensenzoon wordt beschreven en de wijze waarop het oordeel over alle volkeren zal plaatsvinden (25,31-46): waakzaamheid dient in daden te worden omgezet; de onverwachte komst van de mensenzoon noopt tot een actieve houding.

De parabel van de talenten zoals hij meestal wordt genoemd, heeft een eenvoudige structuur:

  • Het vertrek van een man die voor onbepaalde tijd op reis gaat. Hij vertrouwt zijn bezit toe aan drie slaven (vv. 14-15).
  • Tijdens zijn afwezigheid gaan de slaven ieder op eigen wijze om met het aan hen toevertrouwde bezit (vv. 16-18).
  • De terugkomst van de heer en de afrekening met de drie slaven (vv. 19-30).

Een man gaat op reis. De reden en de duur van zijn afwezigheid worden niet nader toegelicht. De man riep zijn slaven – zij zijn dus (net als wij) geroepenen – en hij deelt zijn bezit aan hen uit. Niet ieder evenveel, maar ieder naar zijn vermogen. Dit laatste is belangrijk (en geruststellend), want daaruit blijkt dat de man zijn slaven kent. Hij overvraagt hen niet, dat zou alleen maar in zijn eigen nadeel uitvallen. Hij moet ervan op aan kunnen dat zijn enorme bezit in goede handen is. Want een talent is evenveel waard als ongeveer 41 kilo zilver – een dagloner werkte daar 15 tot 20 jaar voor – en vertegenwoordigt daarmee een enorme som geld zodat ook de slaaf met het ene talent er allerminst bekaaid vanaf is gekomen.

Het is onzeker wanneer de heer terugkomt. Desondanks begint de eerste slaaf onmiddellijk te werken met het kapitaal en dat legt hem geen windeieren. Overigens is het niet duidelijk of het woordje onmiddellijk (eutheos) hoort bij de voortvarende en waakzame slaaf of bij de man die onmiddellijk op reis ging.

Ook de tweede slaaf is waakzaam en gaat met succes aan de slag. Wat de beide slaven precies doen met de talenten en met welke handel ze deze weten te verdubbelen, is een (veelzeggende) open plek in de parabel. Alleen als de derde slaaf aan het woord komt, horen we hoe hij te werk is gegaan (25,24v). Hij heeft een gat in de grond gegraven en het talent van zijn heer – zo wordt ‘een man’ vanaf nu genoemd (25,18) – erin gestopt. Ook al is zijn handelwijze juridisch gezien in orde, hij maakt in elk geval geen winst. De vraag is waarom de slaaf zo handelt en hoe de heer dat zal waarderen.

De heer komt pas na lange tijd weer terug, een subtiele aanduiding van een probleem in de gemeente van Matteüs. Vergeefs wordt immers gewacht op de lang verwachte parousia van de Heer.

Nu volgt de afrekening (vgl. 18,21). De eerste twee slaven hebben het in hen gestelde vertrouwen niet beschaamd. De heer prijst hen beiden uitbundig en in letterlijk dezelfde bewoordingen voor hun bewezen trouw. Hoewel zij ieder een verschillend aantal talenten kregen en erbij verdienden, is hun beloning identiek (vgl. 20,1-16): ‘Kom binnen in de vreugde van je heer.’ Die beloning is voor de lezer een aanwijzing dat het hier niet om een gewoon iemand gaat, hier moet Jezus zijn bedoeld. De verbinding met God/Jezus brengt vreugde.

Maar hoe vergaat het de derde slaaf die in de tekst verreweg de meeste aandacht krijgt? Ongevraagd geeft deze als verklaring voor zijn handelwijze een weinig flatterend beeld van het karakter van zijn heer. Uit angst voor diens strengheid – hij oogst waar hij niet gezaaid heeft en haalt binnen waar hij niet uitgestrooid heeft – heeft hij het talent in de grond gestopt. De lezer komt hier voor een dilemma te staan. Deze slaaf geeft een volstrekt ander beeld van de heer dan tot nu toe geschetst werd. Hoezo angst, terwijl de heer vreugde is?

De reactie van de heer liegt er niet om, hij herhaalt de woorden van deze slaaf. Hij voegt toe dat als dat allemaal al waar zou zijn, dan had hij er toch minstens voor kunnen zorgen dat het geld rente had opgebracht. Hij ontmaskert de slaaf als ‘slecht en lui’; hij heeft het talent in de grond gestopt zodat hij rustig kan slapen en geen risico hoeft te nemen.
Zijn talent gaat naar de slaaf met de tien talenten, want wie niets (geen opbrengst) heeft, hem zal wat hij heeft (het talent) worden afgenomen. Voor de niet daadkrachtige slaaf kent de heer geen erbarmen. Duidelijk is dat de heer opbrengst wil zien.

Rest de vraag wat dan wel met het talent bedoeld is? Gaat het om onze natuurlijke talenten? Om het woord van God? Of zou, wanneer we bedenken dat de parabel iets van het koninkrijk, iets van God, van Jezus, in beeld wil brengen, met talent het vermogen tot liefhebben, onze liefde, bedoeld zijn? De afwezigheid van de man is dan te vergelijken met de afwezigheid van Jezus die alleen in talenten, in onze liefde, in de wereld aanwezig is. Omgerekend van talenten naar liefde betekent de laatste duiding dat de één misschien wat meer liefdestalenten heeft gekregen dan de ander, maar dat ieder mens, daar mag hij op vertrouwen, een immens vermogen tot liefhebben bezit dat groeit naarmate hij meer liefheeft. Wie zijn talent in de grond stopt, verklaart de liefde dood.

Literatuur
Dries van den Akker, Als er zoveel ellende is…, Amsterdam 1980, 85-89

 

Preekvoorbeeld

Op het eerste gezicht gaat er dreiging vanuit. Deze gelijkenis stelt je leven en de hele wereldgeschiedenis onder het voorteken van een uiteindelijke afrekening, bijltjesdag. De één na de ander moet zich verantwoorden. Er is sprake van verschúldigde talenten die je moet opbrengen.
Daarmee kán de gelijkenis een heel eigen weg met je gaan. Of beter gezegd: zou jíj zomaar een heel eigen weg met deze gelijkenis kunnen gaan en overvallen worden door een gevoel van machteloosheid, tekortschieten en schuld.

Wat heb je met je leven gedaan? vraagt de Heer. Daar sta je met de mond vol tanden: reparaties verricht, lieve Heer, hebbedingetjes aan de man gebracht of aan de vrouw.
Soms kun je zoiets aanwijsbaars niet eens zeggen. Je hebt geen concreet product in handen. Je hebt niet iets gemáákt, maar je hebt een administratie gevoerd, een ondersteunende dienst verleend, je was slechts een schakel in een onderdeel van een fragment. Of je arbeid is discutabel, omdat je je afvraagt of wat je doet wel bijdraagt aan een betere wereld.
De Heer, die zijn talenten terugvraagt, wat krijgt hij te horen? Hoe onbeduidend en aanvechtbaar mensen hun leven ervaren.
Die dienaars staan daar in de rij. De een is trots op wat hij met zijn talenten heeft kunnen verrichten. De ander voelt zich schuldig en in gebreke gebleven. Een derde weet niet zo zeker of wat hij aandraagt wel voldoet.
De inzet van het evangelie is dat mensen getalenteerde mensen zijn. Je kunt ze iets toevertrouwen. De Heer kan gerust een stapje terug doen. Hij weet de aarde in goede handen.

Nu zou dit een heel voorspelbaar en vervelend verhaaltje worden als het door zou gaan met hoe in de volksmond over talenten gesproken wordt: als je natuurlijke begaafdheden.
Dan zouden we vanmorgen blijven steken in: goed je best doen, kind, woekeren met je talenten!
Maar daar hebben we het dus niet over. Het gaat in deze gelijkenis niet om je aangeboren mogelijkheden of om wonderkinderen – en dat het wel eens een generatie overslaat (dat zeggen de opa’s en oma’s…).
Dat zijn de spreekwoordelijke talenten van Van Dale: ‘de natuurlijke begaafdheid, bekwaamheid en kundigheid,’ dat je goed kunt tekenen of zingen, dat je een talenknobbel hebt of een atletisch figuur.

Maar in de Schrift gaat het daar nóóit over. Niet over je natuurlijke aanleg – aan het begin van je leven jou ingegoten, niet over wat je van huis uit wel in je vingers hebt. Maar het gaat om dat wat God jou – midden in het leven – heeft toevertrouwd. Dat talent hier in de gelijkenis is niet je natuurlijke gave, maar een goddelijke opgave.

Hij heeft zijn Woord aan ons gegeven, verhalen aan je toevertrouwd, je bekend gemaakt met de religieuze dimensies van de taal. De sacramenten zijn aan jou bediend, zodat je ook lijfelijk het geloof hebt opgedaan en gevoelig werd voor symboliek en ritualiteit. Zo begint het, de eerste talenten waarmee jij voort kunt, zingend, biddend, naar binnen toe. Hij heeft je vergeven, heeft nieuwe mogelijkheden in je vrij geroepen, stelt je verantwoordelijk voor wat jouw hand is in het levensgeluk van anderen. Zijn Geest wekt inzicht in wat de samenleving nodig heeft aan betrouwbare relaties en rechtvaardige verhoudingen. Hij heeft zijn naam op ons gelegd. Hij heeft ons deelgenoot gemaakt van een concrete leefgemeenschap, dit dorp, en een geloofsgemeenschap, deze parochie. Dát zijn de talenten aan de mensen gegeven.
Of in wat minder kerkelijke taal: Hij brengt mensen op je pad en vraagt of je je over hen wilt ontfermen. Het talent dat jou in handen is gegeven, dat vreemde talent, niet lichaamseigen, niet aangeboren, is het talent van de humaniteit. Humaniteit komt nooit uit jezelf voort, je wordt ermee geconfronteerd.

Laten we het verhaal nog eens nagaan. Er is sprake van een heer, die het beheer van zijn hele vermogen bij zijn dienaars in handen heeft gelegd. Niet iedere gedienstige ontvangt een gelijk deel. Ieder krijgt naar wat hij of zij aankan, dat het geen last zou zijn, maar een vreugde.

Daar is er een met vijf talenten. Met blijdschap neemt hij ze in ontvangst, maar ook denkt hij bij zichzelf: Waarom ontvang ik er vijf? Mij is zoveel gegeven, wat een bevoorrecht mens ben ik!
Maar, al wat mij zomaar in de schoot geworpen wordt, de verantwoordelijkheden mij toegekend, komt dat niet straks tussen ons in te staan, tussen mij en degenen voor wie dit alles niet mogelijk is?
Die met de vijf talenten voelt de ongelijkheid van de situatie pijnlijk aan, maar hij gaat op weg en wint er nog eens vijf bij.

Dan is er de dienaar met de twee talenten, hij neemt ze met vreugde aan, maar ook hij realiseert zich het verschil. Die ander heeft er vijf. En het is heus niet uit afgunst, maar waarom heeft hij er nu maar twee? Het hadden er toch minstens drie kunnen wezen, of vindt de Heer dat hij dat niet waar kan maken?
Altijd op de tweede rang, je steeds bewust in een of ander opzicht achter te blijven. Er zijn mij beperkingen opgelegd. Maar ook hij gaat op weg en ook hij weet dat wat hem gegeven is te vermenigvuldigen.
Beide dienaars zijn hun talenten dubbel en dwars waard.

Nu is er ook nog een derde dienaar. Van hem wordt gezegd dat hij lui was, maar dat vraag ik me af. Misschien was hij wel bij voorbaat boos of ontmoedigd omdat het zo weinig is: maar één talent.
Ik denk dat hij bang was, bang om dat wat hem toch nog in handen gegeven was, te verliezen, te verspelen, te verprutsen. Was het luiheid, of was het omdat hij geen risico’s durfde nemen?
Het kan zijn dat jij geneigd bent zo te leven, een beetje angstig en achterdochtig. Je speelt graag op safe, anders doe je niet mee.
Maar nogmaals, het gaat in deze gelijkenis niet om waar wij van nature toe geneigd zijn, wat min of meer karakterologisch gegeven is, maar om jouw keuzes midden in het leven.

Na lange tijd komt de heer van deze dienaars en houdt afrekening met hen. Die eerste, die altijd het spits moet afbijten, treedt naar voren en zegt: ‘Vijf talenten, heer, had ge mij toevertrouwd, hier, ik heb er nog vijf bijverdiend.’ En zijn heer antwoordt hem: ‘Voortreffelijk, je bent een goede en trouwe dienaar. In het kleine ben je betrouwbaar geweest, over nog veel meer zal ik je aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.’

Dan komt ook de tweede naar voren en tot zijn grote vreugde bemerkt hij dat de heer geen onderscheid maakt. Hij krijgt exact dezelfde loftuitingen, woord voor woord: ‘Voortreffelijk, je bent een goede en trouwe dienaar. In het kleine ben je betrouwbaar geweest, over nog veel meer zal ik aanstellen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.’

Die derde, met dat ene talent, komt nu naar voren met een heel ander verhaal. Dat hij bang was en waarom: ‘Heer, ik heb u leren kennen als een streng man, ik was bevreesd en heb het talent veilig weggeborgen.’ Hij poetst zijn talent nog eens op en zegt: ‘Hier hebt u het ongerept en onbeschadigd terug.’

Maar de heer neemt daar geen genoegen mee. Die vreesachtigheid, dat doodvoorzichtig geen vuile handen durven maken. Die houding van de dingen nemen en conserveren zoals ze zijn, zonder durf, zonder visie. Behoudzucht zonder om zich heen te kijken.
Dat wordt aangemerkt als luiheid. Bang zijn en niet durven? Dan heb je het jezelf toch te gemakkelijk gemaakt.

Nu vraag ik me af. Hoe zou de Heer toch tegen de kerken aankijken? Want is dát niet juist wat je als gelovige in eerste instantie geneigd bent te doen: bewaren, conserveren, vasthouden, de risico’s uit de weg gaan, dat wat ons is toevertrouwd niet uit handen geven, de gok niet durven wagen.
Die onnutte dienaar, die door de heer wordt buiten geworpen, wordt hier met graagte weer binnengehaald en wij maken hem meteen kerkbestuurder, bisschoppelijk gedelegeerde, econoom. Er is ons zoveel toevertrouwd en wij durven zo weinig te riskeren.

Weet u, het staat niet in de Schrift, maar er was nog een vierde dienaar. Toen die andere drie geweest waren, trad hij binnen. De spanning steeg. De mensen mompelden en fluisterden: ‘Daar heb je hem. De heer heeft hem veel in handen gegeven. Niet een of twee of vijf, maar meer nog, veel meer. En alles is hij kwijtgeraakt! Als nu die bange en luie al… hoe zal hij wel niet…?
De vierde dienaar kwam naar voren, boog het hoofd en zei: ‘Heer, ge hebt mij veel toevertrouwd, maar er is niets mee van over. Ik heb zoveel geprobeerd, gedaan wat ik moest doen, maar het leidde tot niets. Soms dacht ik, nu zal het lukken, maar dan toch brak het me weer bij de vingers af. Het spijt me, heer, ik heb alles verspeeld.’
Toen werd het heel stil in het huis van de heer, tot de heer sprak: ‘Voortreffelijk, jij goede en trouwe dienaar! Veel heb je verprutst, over nog meer zal ik je aanstellen, want je hebt gewaagd en geleden. Jij kent de kou van de nacht en de hitte van de dag. Jij kent de frustratie en het visioen. Wees welkom bij het feestmaal van je heer.’

Maar wie van deze vier het geheim van de talenten het best begrepen heeft? Ik denk dat dat toch de derde was, angstig en lui, want hij spreekt over zaaien en maaien en oogsten: ‘Heer, ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant.’
Die beeldspraak van maaien en oogsten, daar kan het niet zonder. Want die vierde dienaar heb ik er maar bij verzonnen, maar als je te lang bij hem stil blijft staan, komt er iets uit in de trant van dat Onze Lieve Heer toch wel billijk is en begrip heeft voor ons feilen en falen. Ik weet niet of dat nu wel de strekking van deze gelijkenis is. Begrip tonen voor de tekortschietingen van onze medemens, dat kunnen we ook zelf wel bedenken.

De uitkomst van de gelijkenis is deze: dat onze Heer maait waar hij niet gezaaid heeft. Hij oogst dáár waarvan je denkt: Ja, maar die akker staat leeg, ligt braak, is al lang afgevreten door het ongedierte, de spreeuwen en de muizen, daar wil niets groeien. Dáár weet hij te oogsten.
Hij delft een schat op, dáár, waarvan je zeker weet: maar daar ligt helemaal niets. Je hebt er altijd overheen gekeken, maar híj weet die te vinden en brengt die aan het licht. Zie hem eens maaien, daar waar hij niet gezaaid heeft, de soevereine Heer.
Zie hem scheppen uit het niets. In een leeg graf, word je gewaar dat Hij leeft. In dagen van gemis zul je Hem ontmoeten en in je gebrek zul je vinden: de troost van het geloof.

Juist daar waar je vindt dat je tekortschiet, heeft Hij talenten gezien, die je van jezelf niet kent. Jíj komt met lege handen, Híj ziet er wat in!
Zelfs waar hij niet gezaaid heeft, zal hij oogsten. Hij neemt de oogst, de opbrengst in bezit, de vruchten waarvan jij niet weet, neemt hij in ontvangst. Dat is zijn mogendheid en zijn bewind. Daarom, als je in zijn dienst staat, past het je niet bang te zijn en zeker niet lui of ontmoedigd of wat daarop lijkt: angstvallig, benepen, wrokkig, zuinig of lamgeslagen, cynisch geworden door alles wat er van je wordt verwacht.

Ook in de dienst van de Heer geldt: wie niet waagt, die niet wint. Je moest die talenten maar weer opgraven – omwille van Hem aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.

 

Inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
Preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

 

22 november 2026
Christus Koning

Lezingen: Ezech. 34,11-12.15-17; Ps. 23; 1 Kor. 15,20-26.28; Mat. 25,31-46 (A-jaar)

 

Inleiding

De titel ‘Christus Koning’ kan een zekere verwarring wekken, want waar denk je aan als iemand koning genoemd wordt? In verscheidene landen heeft de koning geen enkele of nog maar een heel beperkte politieke macht, terwijl elders de vorst nog altijd de politieke koers bepaalt. Als we Jezus vergelijken met hedendaagse koningen rijst direct de vraag, welk soort koningschap schrijven we toe aan Hem. En het feit dat in de officiële titel van het feest van vandaag Jezus ‘koning van het heelal’ genoemd wordt, maakt het er niet eenvoudiger op. Want hoe stel je je dat voor, iemand die koning is over heel onze kosmos?

Eerste lezing: Ezechiël 34,11-12.15-17
De profeet Ezechiël, lid van een Israëlitische priesterfamilie, werd op het eind van de zesde eeuw voor de gewone jaartelling, samen met anderen uit de leidende klasse van Jeruzalem in ballingschap naar Babylonië gevoerd. Met zijn deportatie kwam er een totale omkeer in zijn ideeën met betrekking tot God. De lezing voor vandaag maakt deel uit van de beschrijvingen in de hoofdstukken 33–39 uit het profetenboek, hoe de toekomst van Israël eruit zal gaan zien.
Evenals de mensenzoon en rechterkoning in het evangelie van deze feestdag wordt God vergeleken met een herder. Toch is die herder volgens Ezechiël wel anders dan de hem bekende herders die met hun kudde door de woestijn trokken op zoek naar weidegrond en een primitief leven leidden.
De perikoop van vandaag begint, in zekere zin, tamelijk plechtig: ‘Zo spreekt Adonai JHWH’. Het gaat hier niet eenvoudigweg om een beleefde of respectvolle manier van spreken over God, maar om het gevolg van een soort mystieke ervaring van Gods majesteit, of zoals de profeet het zelf noemt ‘de hand van JHWH die op hem kwam (1,3). Gods herderschap wordt beschreven met dezelfde karakteristieken als de herder in Psalm 23, de antwoordpsalm op dit feest. En evenals de rechterkoning uit het evangelie toont hij zijn bezorgdheid voor de gerechtigheid onder zijn kudde: ‘Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen rammen en bokken’ (v.17).

Psalm 23
Het thema van God als herder komt hier op poëtisch-ontroerende wijze naar voren. Dat het niet gaat om een triviale wijze van spreken wordt al direct duidelijk bij het eerste woord: JHWH, de onuitsprekelijke godsnaam. En niet alleen die godsnaam is onuitsprekelijk, ook wat Hij doet is niet of nauwelijks uit te drukken.
In de verzen 1-3 tekent de psalmist hoe God de herder zijn kudde op het goede spoor leidt en zorgt dat ze eten en drinken krijgen.
In vers 4, dat niet in de antwoordpsalm van dit feest is opgenomen, zien we een ander beeld van God. Tot zelfs in levensgevaar kan de psalmist op God vertrouwen. De relatie met God is tot een ware interpersoonlijke band geworden: “Jij bent bij mij. Jouw staf en jouw steun staan mij bij”.
In de volgende verzen wordt die idee van interpersoonlijke relatie doorgezet en versterkt: ‘Jij nodigt mij aan jouw tafel; Jij zalft met olie mijn hoofd’. Deze relatie is zelfs zo sterk dat de psalmist geen gast meer is van de herder, van JHWH, maar zijn huisgenoot: “Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.

Tweede lezing: 1 Korintiërs 15,20-26.28
Paulus maakt hier een vergelijking tussen Christus en Adam, tussen leven en dood. Door Adam wordt de dood een realiteit in het mensenbestaan; door Christus die verrezen is krijgt men deel aan het leven. De apostel ziet de overwinning op de dood als teken van het koningschap van Christus. Dat koningschap is echter geen absolute macht, maar moet door Christus aan God de Vader, de enige koning, overgeleverd worden. Paulus gebruikt hier hetzelfde werkwoord (paradidomai) dat gebezigd werd in het passieverhaal waar verteld wordt dat Jezus ‘overgeleverd’ werd om gekruisigd te worden. Deze overgave van de koningsmacht aan de Vader is de voorwaarde dat God alles in allen zal zijn.

Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Evangelie: Matteüs 25,31-46
De evangelieperikoop van dit feest is gekozen om de gelovigen een beeld geven van Jezus als koning. Eenvoudig is dat niet, aangezien er ook nog sprake is van de ‘mensenzoon’, de mysterieuze figuur, bekend uit het Eerste Testament. Op deze wijze wordt niet direct duidelijk hoe we dat koningschap van Jezus moeten verstaan.

De enige, en misschien de enig juiste manier, om helderheid te krijgen over het koningschap van Jezus, is te rade te gaan bij de Joodse Bijbel. Daar hebben koningen geen enkele wetgevende macht. Alleen God is wetgever. Wetten door aardse koningen uitgevaardigd concurreren met Gods soevereiniteit. De taak van de koningen was ervoor te zorgen dat Gods wetten in praktijk gebracht werden en om de onderdanen te oordelen, of te veroordelen, naar gelang hun al of niet leven volgens Gods wetten.

Onze perikoop is een parabel met een happy end dat uitgedrukt wordt door de uitnodiging van de rechter-koning tot de rechtvaardigen: ‘Komt gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging der wereld’. De parabel eindigt in dezelfde trant als enkele van de voorgaande parabels waar sprake is van veroordeling tot een situatie waar gejammer is en tandengeknars (vgl. 24,51; 25,30). Het einde van deze rede van Jezus (26,1) wordt vermeld op dezelfde manier als waarop de andere redevoeringen in het Matteüsevangelie eindigen: ‘Toen Jezus al deze woorden geëindigd had…’ (vgl. 7,28; 11,1; 13,53; 19,1).

In de parabel van deze dag stelt Jezus een koning voor met de kenmerken van een Israëlitische koning. Hij neemt dan ook plaats op de koninklijke rechterstoel. Moeten we hier al direct denken aan Jezus zelf als die rechter-koning? De idee achter de keuze van deze perikoop voor het feest van vandaag stuurt ons wel in die richting. De opmerking in vers 34 zou daarvoor als argument kunnen dienen: ‘jullie zijn gezegend door mijn Vader…’ Vers 41 versterkt, volgens enkele manuscripten, dat bewijs nog eens: ‘Verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat mijn Vader gereed gemaakt heeft voor de duivel en zijn engelen’. We zouden hier zodoende een parabel hebben waar, uitzonderlijk, de ‘verteller Jezus’ in alle duidelijkheid over zichzelf spreekt.

Als een ervaren rechter laat de rechter-koning allereerst alle volken voor zich bijeenbrengen in het gerechtshof. Vervolgens splitst Hij ze in twee groepen, goeden en slechten, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. Het evangelieverhaal kan ons in de verleiding brengen om de schapen als de goeden en de bokken als de slechten te zien. Voor de herder was het scheiden van schapen en bokken een praktische kwestie. De schapen met hun dikke vacht waren beter tegen kou bestand dan de bokken. Schapen konden eventueel de nacht in de open lucht doorbrengen, terwijl voor de bokken in de koude winternacht een overdekte of afgesloten ruimte het beste was. Na die vermelding van schapen en bokken in het begin komen ze niet meer voor in het verhaal. Als de bokken zouden staan voor de slechten, is het bovendien niet te begrijpen waarom het geoorloofd was, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht, om bokken aan God te offeren in de tempel. Voor de sedermaaltijd op het Pesachfeest konden de families kiezen tussen een schaapslam of een bokje (vgl. Ex. 12,3).

De evangelist gaat nu verder naar zijn relaas over het gerecht. De gedagvaarden worden niet ondervraagd over hun geloof of godsdienstige praktijken maar over hun al of niet sociale gedrag en solidariteit met mensen aan de zelfkant van de maatschappij: slachtoffers van honger en dorst, vreemdelingen, naakten, zieken en gevangenen. Op basis van dat gedrag worden zij, de volken, geoordeeld en zonodig veroordeeld. De koninklijke rechter hanteert voor zijn oordeel hetzelfde criterium als in het verleden de profeten deden (vgl. Hos. 6,6).

De sleutelopmerkingen in deze parabel zijn dan ook: ‘Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’ (v. 40), en ‘Alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijksten niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan’, waarmee de rechter-koning zich identificeert met de onaanzienlijksten in de maatschappij. Op deze wijze wordt de lezer hier een heel nieuw beeld van het koningschap aangeboden.

 

Preekvoorbeeld

1.
Wie heeft er nu nog een herder nodig? Een koning, ja, dat is een mooi symbool voor ons als volk. Maar die moet dan geen herder willen zijn. Leuk dat hij ‘Van Oranje’ heet. Allemaal Oranje, allemaal gezamenlijk een beetje koning, allemaal op onze eigen manier. Geen herder die recht spreekt tussen de schapen, zoals de profeet Ezechiël het zegt (34,17). Dat is te lastig en te dwingend. Het is voldoende als wij naar ‘welige weiden’ worden geleid, zoals God via de profeet belooft in een vers dat onze eerste lezing van vandaag nu net overslaat (v. 14). De rest zoeken wij zelf wel uit.

Was dit niet lang de hoofdtoon van onze cultuur? Maar nu lijken de kinderen en kleinkinderen van de generaties – bewust herderloze schapen – te zeggen: ‘Wij zijn in de steek gelaten. Niemand die onze herder wilde zijn en nu lopen wij verloren. Oneindige mogelijkheden, maar wat moeten we kiezen? En hoe? Word wie je zijn wil, werd ons gezegd, maar wat als dat mislukt? Of lukt, maar enorm tegenvalt?’ Zij vinden hun herders op internet, in zogenoemde influencers die niet bang zijn om te zeggen hoe je goed leeft. Sommigen komen naar de kerk. Daar wordt immers vanouds geherderd en gezongen van een God die als een herder is. Zoals wij vandaag in de psalm doen.

2.
En de kerk verwijst door, naar Jezus. In de parabel die wij Jezus in het evangelie horen vertellen, verwijst Hij door naar God, zijn Vader. Naar de herder die koning is over alles. De koning over alles, die als een herder is.

Als je wilt weten hoe je moet leven, kijk dan eens terug, zegt deze herder-koning. Wat heb je met je leven gedaan? Ben je voor iemand van bijzondere betekenis geweest? Voor mensen die honger hebben, bijvoorbeeld, door ze eten te geven? Of door wie dorst hebben te laten drinken? Heb je kleren gegeven aan wie ze niet hadden, een rust- en schuilplaats geboden aan wie die ontberen? Ben je op bezoek gegaan bij wie zelf nergens heen konden, omdat ze ziek zijn of gevangen zitten? Op die plaatsen werd het leven goed. Zo zou je moeten leven. Niet omdat ik het zeg, maar omdat het van betekenis is.

Want de herder-koning kondigt in deze parabel niet een wet af om vervolgens te zorgen dat de wet ook gehoorzaamd wordt. Integendeel. Degenen die hij wegstuurt, weten niet dat zij zijn wet hebben overtreden. Degenen die hij uitkiest om het koninkrijk in bezit te nemen dat vanaf het begin van de schepping voor ze klaar ligt (Mat. 25,34), weten evenmin dat zij zijn wet hebben gehoorzaamd. Zij hebben zijn wet spontaan belichaamd en worden daarom bevorderd tot mede-koningen en mede-herders.

3.
Zij hebben zich gedragen als schepselen die elkaar hoeden en bewaren, als herders hun schapen. Al doende verkondigden zij de wet dat alles en iedereen van waarde is. Wie waarde en betekenis ziet waar ze vaak worden genegeerd of ontkend – bij mijn minste zusters en broeders, zegt de herder-koning (vv. 40 en 45) – en daarnaar handelt, toont zichzelf een zoon of dochter van de herder-koning die in de parabel centraal staat als beeld van hoe God is. Daarmee zijn zij erfgenaam, zal de apostel Paulus zeggen (Rom. 8,17). Zij zijn erfgenamen van Gods koninkrijk dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt om door te breken en dat in hen daadwerkelijk doorbreekt.

Het koninkrijk breekt door in het geven van een snee brood, een beker water, een jas of een broek. In het bieden van een slaapplaats, in het brengen van een bezoek aan wie beschadigd is en uitgesloten. Het kleine is onmetelijk groot. De herder-koning spreekt tegen wat wij vaak denken en jonge mensen van alle kanten wordt aangepraat. Van beslissende betekenis zijn niet wie wereldberoemd zijn. Van betekenis zijn niet allereerst diegenen die bekend staan als wereldveranderaars. Van betekenis zijn allereerst diegenen die doen wat gedaan moet worden, daar en op het moment waar het als vraag aan hen verschijnt als nodig. Daar flitst het koninkrijk op dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt voor wie het met hart en ziel en woord en daad verlangen.

4.
Met de parabel van vandaag over de herder-koning eindigt in het Matteüsevangelie Jezus’ verkondiging. Hierna volgt het verhaal van Jezus’ lijden, dood en verrijzenis. De parabel verwijst terug naar het begin van Jezus’ verkondiging, de Bergrede. In de parabel staat het belang centraal van de kleine, concrete goedheid en in de Bergrede benadrukt Jezus het belang van het verborgene. Daar, in het verborgene, is de God die Jezus op de berg nadrukkelijk ‘jullie Vader’ noemt (Mat. 6,6.18).

Daar, in het verborgene, ontkiemt het langzaam en flitst het bij tijd en wijle plotseling op, dat koninkrijk dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt. In het verborgene leven wij mensen het grootste deel van ons leven en krijgt het leven zijn waarde. Of niet. Niet allereerst in de schijnwerpers in elk geval. ‘En je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen’, verzekert Jezus in de Bergrede (Mat. 6,4.6.18). Zouden we dat onze jonge mensen weer geloofwaardig kunnen voorhouden, en zo ook onszelf? Als we vertrouwen dat daar, in het verborgene, openbaar is geworden wie al wat bestaat draagt en richting geeft, suggereert de apostel Paulus in de lezing die wij hoorden. Als ons leven ervan getuigt dat Jezus de Gezalfde van God is en de koning van het heelal, zegt de titel van het feest van vandaag.

5.
Jezus heeft de parabel van de herder-koning ten volle geleefd en belichaamt. Hij deelde wat Hij had en wat Hij was met wie dat nodig hadden. Hij doet dat nog altijd, wat Hij was leeft nog altijd en daarom kunnen wij daarin zijn handen en voeten zijn, zijn ogen, zijn oren en zijn mond. Hij heeft in zijn leven het koninkrijk blootgelegd dat vanaf het begin van de schepping klaar ligt voor al diegenen die ervanuit leven. Die hun vertrouwen stellen op de God die alles heeft gemaakt opdat het ‘zeer goed’ zou zijn en die niet terugschrikken van de weerstand die dat oproept.

Zo wil Jezus koning zijn, zegt Hij in het Johannesevangelie (18,37): door te getuigen van de waarheid. De waarheid dat het uiteindelijk Gods herderlijke goedheid is die het heelal regeert en niet de meedogenloze machten. Hoe breed die zich ook maken, hoe dodelijk die ook zijn. Dat wij daarom in Jezus’ spoor geroepen zijn voor elkaar een herder te zijn en zo te regeren als koningen met de koning.

Inleiding Gerard van Buul OFM
Preekvoorbeeld prof. dr. Erik P.N.M. Borgman

 

Homiletische hulplijnen 123
Onvolkomen

In deze laatste aflevering van de laatste jaargang van Tijdschrift voor Verkondiging sta ik stil bij de onvolkomenheid van ons werk, 98 jaargangen lang. De heilige Paulus schreef: ‘Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt’ (1 Kor. 13,8v). Hij stelt daarmee onze onvolkomenheid in een eschatologisch perspectief: ‘Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen’ (v. 10). Onder deze belofte kan de redactie haar werk met een gerust hart neerleggen.

Het gaat mij om vers 12a: ‘Nu zien we nog maar een afspiegeling, een raadselachtig beeld, maar straks staan we oog in oog’, aldus de huidige NBV21. De editie van 2004 had: ‘Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog.’

Deze passage laat zich verstaan tegen de achtergrond van Numeri 12:

1 Mirjam en Aäron maakten aanmerkingen op Mozes vanwege zijn huwelijk met een Nubische vrouw: ‘Hij is met een Nubische getrouwd!’ 2 Ook zeiden ze: ‘Heeft de heer soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?’ De heer hoorde dit. 3 Nu was Mozes een zeer bescheiden man – niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij. 4 Onmiddellijk gebood de heer Mozes, Aäron en Mirjam: ‘Ga alle drie naar de ontmoetingstent.’ Dat deden ze. 5 Toen daalde de heer af in de wolkkolom, ging bij de ingang van de tent staan en riep Aäron en Mirjam. Nadat zij beiden naar voren waren gekomen, 6 zei Hij: ‘Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de heer is, maak Ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek Ik met hem in dromen. 7 Maar met mijn dienaar Mozes, op wie Ik volledig kan vertrouwen, ga Ik anders om: 8 met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte. Hoe durven jullie dan aanmerkingen op mijn dienaar Mozes te maken?’ 9 De heer ontstak in woede tegen hen en ging weg. 10 Nauwelijks had de wolk de tent verlaten of Mirjam zat onder de uitslag, haar huid was wit als sneeuw. Toen Aäron zich naar Mirjam omdraaide en haar zo zag, 11 zei hij tegen Mozes: ‘Ach mijn heer, reken ons de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben niet aan. 12 Laat Mirjam niet als een doodgeboren kind blijven, waarvan het lichaam al half vergaan is als het uit de moederschoot komt!’ 13 Toen riep Mozes luid de heer aan: ‘Ik smeek U, God, genees haar!’ 14 De heer antwoordde Mozes: ‘Als haar vader haar openlijk in haar gezicht had gespuugd, had ze die schande zeven dagen moeten dragen. Daarom moet ze zeven dagen buiten het kamp gehouden worden, daarna mag ze terugkomen.’ 15 Zo werd Mirjam zeven dagen buiten het kamp gehouden, en het volk brak niet op zolang zij niet was teruggekeerd. 16 Na haar terugkeer trokken ze weg uit Chaserot en sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Paran.

Aanleiding is kennelijk een discriminatoir incident. Mirjam en Aäron – let op de volgorde – uiten hun onvrede over het feit dat Mozes een zwarte vrouw heeft getrouwd. Vervolgens staan Aäron en Mirjam weer in de gebruikelijke volgorde, maar de lezer is alert: dit is een Mirjam-perikoop, het gaat erom dat hun beider racisme Mirjam strenger wordt aangerekend dan Aäron.

Yoko Ono wist: Woman is the nigger of the world, een quote uit een interview van 12 december 1968, gepubliceerd in Nova 1969. De gelijknamige song brachten John Lennon en Yoko Ono uit – als Plastic Ono Band – op het album Some Time in New York City (1972):

Woman is the nigger of the world
Yes she is, think about it
Woman is the nigger of the world
Think about it, do something about it

Numeri 12 verwijt Mirjam niet alleen rassenwaan, maar ook dat zij de zusterschap doorbrak.

Woman is the slave to the slaves
Yes she is, if you believe me, you better scream about it

Mirjam heeft het niet opgenomen voor haar zwarte schoonzuster. Het verhaal rekent haar dat ernstig aan. Te zwart? Mirjam verkeert in het tegendeel: ‘Onder de uitslag, haar huid was wit als sneeuw’ (v. 10).

Met dat hij een zwarte vrouw huwde, heeft Mozes kennelijk aan gezag ingeboet. Deze aanleiding brengt echter een dieperliggende kwestie aan het licht. Hoe verhoudt Mozes’ gezag zich tot dat van anderen? Tot dat van Mirjam en Aäron – zij claimen hun eigen inbreng: ‘Heeft de heer soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?’ (v. 2).
En in het vorige hoofdstuk: ‘Toen daalde de heer af, in de wolk. Hij sprak tot Mozes en droeg een deel van de geest die op hem rustte, op de zeventig oudsten over. Zodra de geest op hen rustte begonnen ze te profeteren’ (11,25). Het lijkt erop dat het gezag van Mozes zich hier zeventigvoudig vermenigvuldigt. Is dat toe te juichen of is er dan geen maatstaf meer, geen controle, geen wet- en regelgeving op de wet- en regelgeving. Het hek is van de dam!

Er zijn twee interpretaties, beide bewaard in de tekst zelf. Mozes zelf geeft stem aan de maximalistische duiding: ‘Legde de heer zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!’ (v. 29).
Maar de tekst geeft ook blijk van een minimalistische tendens en legt het ongelimiteerde profeteren van vers 25 meteen een beperking op: ‘Dat is daarna niet opnieuw gebeurd’.
Jozua toont zich in de wiek geschoten: ‘Een jongeman rende naar Mozes toe en zei: “Eldad en Medad zijn in het kamp aan het profeteren!” “Zeg dat ze daarmee ophouden, heer!” zei Jozua, de zoon van Nun, die van jongs af aan Mozes’ rechterhand was geweest’ (vv. 27-28). Met zijn ‘van jongs af’ meende hij de oudste rechten te hebben, als Mozes’ rechterhand zag hij in de mozaïsche successie zichzelf als primus inter pares.
Kortom: is Mozes’ gezag uniek, vaststaand, boven alle twijfel verheven? Of staat zijn gezag ter discussie? Valt hij samen met de singulariteit van de openbaring of maakt hij deel uit van de plurale werkelijkheid van een voortgaande traditie?

Het kernvers van hoofdstuk 12 maakt dit onderscheid: ‘Als er bij jullie een profeet van de heer is, maak Ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek Ik met hem in dromen. Maar met mijn dienaar Mozes, op wie Ik volledig kan vertrouwen, ga Ik anders om: met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte’ (vv. 6-8).
Van mijn ouders – vrede zij met hen – kreeg ik voor mijn twintigste verjaardag de vijfdelige Nederlandsche vertaling van den Pentateuch benevens eene Nederlandsche verklarende vertaling van Rashie’s Pentateuch-commentaar door A.S. Onderwijzer, Amsterdam Van Creveld & Co. 5660-1899 (een facsimile uit 1975, tweede druk 1977, uitgegeven door het Nederlands-Israëlitische Kerkgenootschap).
Daar lees ik van een profeet die niet meer te zien krijgt dan visioenen en dromen, die kortom met raadsels moet volstaan: ‘Dan openbaart zich de Majesteit van Mijn naam aan hem niet in den »lichtenden spiegel«’, dat is ‘de hoogste profetische aanschouwing van het goddelijk Wezen’, die dus kennelijk enkel aan Mozes is voorbehouden.
Let wel, de tekst spreekt van ‘rechtstreeks’ en ‘hij aanschouwt mijn gestalte’, maar Rasji weet van Exodus 33, waar die mogelijkheid met zoveel woorden wordt ontkend: ‘Mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven’ (v. 20). Het mystieke zien is omzichtiger: ‘Als Ik mijn hand weghaal, zul je Mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien’ (v. 23). Vandaar dat Rasji hier Mozes – rechtstreeks en toch omzichtig – in die lichtende spiegel laat zien (aspaklaria, Aramees en rabbijns Hebreeuws, een Latijns leenwoord: speculum, spiegel).

Ik citeer Leviticus Rabbah 1:14

Rabbi Juda zegt: de profeten zagen door negen aspaklariot, zoals geschreven staat: ‘Het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik eerder had gezien’ (Ezech. 43,3), terwijl Mozes slechts door één aspaklaria zag, zoals geschreven staat: ‘duidelijk en niet in raadsels’ (Num. 12,8).

Waarom spreekt Rabbi Juda ben Ilai (tweede eeuw) van negen aspaklariot? Zijn ‘bewijstekst’ Ezechiël 43,3 heeft negenmaal de woordstam r-a-h. Ik citeer de Statenvertaling en de Naardense Bijbel die het vers – elk acht van de negen keer – bijna voorbeeldig ideolect weergeven:

Ende alsoo was de gedaente van ’t gesichte dat ick sach, gelijck ’t gesichte dat ick gesien hadde, doe ick quam om de stadt te verderven; ende ’t waren gesichten, als ’t gesichte dat ick gesien hadde aende riviere Chebar: ende ick viel op mijn aengesichte. (1637)

Het aanzien van het gezicht dat ik zag was als het gezicht dat ik zag toen hij kwam om de stad te verderven, - gezichten als het gezicht dat ik zag bij de rivier de Kevar, - en ik viel neer op mijn aanschijn.

Leviticus Rabbah 1:14 vervolgt:

Onze rabbijnen leren: alle andere profeten zagen door een vuile aspaklaria, zoals geschreven staat: ‘Ik sprak tot de profeten, gaf hun vele visioenen en vertelde via hen gelijkenissen’ (Hos. 9,10). Mozes zag door een gepolijste aspaklaria, en dit is zoals geschreven staat: ‘… hij ziet de gedaante van de Heer’ (Num. 12,8)

Bedenk bij die vuile en gepolijste aspaklaria dat spiegels in de oudheid nog niet van glas waren maar van gepolijst zilver, dat dof wordt door oxidatie of sulfidering (Sir. 12,11).

Hier vinden we dus de beeldtaal waarvan de heilige apostel Paulus zich bedient. Met de spiegel die hij in zijn hand houdt, poogt hij niet zichzelf te zien (zoals in Jak. 1,23). Hij houdt de spiegel schuin omhoog zodat ‘het eeuwige licht’ erin valt, hij richt de spiegel op ‘Gods werkzaamheid’ om ‘het beeld van Zijn goedheid’ te vangen (Wijsh. 7,26).
Als ieder ander mens is Paulus aangewezen op de indirectheid van een hulpmiddel, een medium. Nu nog zien wij di esoptrou en ainigmati, ‘door een spiegel in raadselen’. Wat Numeri 12,6.8 voorbehoudt aan profeten, heeft zich bij Paulus verbreed tot la condition humaine. Het geldt ons allen, ‘want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt’ (v. 9). Wij moeten ons voorlopig redden met enigmavariaties: visioenen, dromen en raadsels. Maar het staat alles onder eschatologische spanning. De mystieke blik van Mozes is Paulus niet vergund, nog niet. ‘Straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben’ (v. 12). Het voorbehoud van Exodus 30,20 is dan volledig opgeheven.

‘Oog in oog’ en ‘kennen’ (y-d-‘) duiden op gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid, intimiteit. De eeuwen door stonden wij slechts oog in oog met geliefden en bekenden, misschien met uitzondering van de herberg en in oorlogshandelingen. Dat veranderde drastisch in 1825 met de Stockton and Darlington Railway, op het Europese continent gevolgd door het traject Brussel-Mechelen (1830) en Amsterdam-Haarlem (1839). Opeens kwamen wij in een coupé en plein public tegenover wildvreemden te zitten die ons ongegeneerd aanstaarden en wij hen. Carl Theodor Dreyer heeft deze overrompelende ervaring verkend met extreme close-ups in de nadagen van de stomme film (La Passion de Jeanne d'Arc, 1928).

Van Mozes – de singulariteit van de openbaring – zegt de heer: ‘Met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte’ (Num. 12,8).
De 98 jaargangen van Tijdschrift voor Verkondiging hebben een daaruit ontsproten eerbiedwaardige traditie willen dienen en troosten zich ermee ‘stukwerk’ te zijn geweest, enigmatisch, provisorisch.
De van zijn taak ontheven redactie weet zichzelf, samen met onze auteurs en welwillende lezers, aangewezen op wat blijft: geloof, hoop en liefde.

Klaas Touwen

Categorieën & Tags

Similar Downloads

beheer