18 augustus 2019
Twintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jer. 38,4-6 + 8-10; Ps. 40; Heb. 12,1-4; Luc. 12,49-53(C-jaar)

 

Inleiding

De schriftuitleg staat op deze zondag voor een haast onmogelijke opgave. Hoe loopt de weg van het woord uit het boek Jeremia, via de woorden van Jezus in het evangelie van Lucas naar die magistrale woorden in de Hebreeënbrief ‘dat wij de blik alleen gericht moeten houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof.’ Hoe kan ik de woorden van Jezus: ‘Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen?’, rijmen met de engelenzang in het kerstverhaal, laat staan met de oproep de blik te richten op hem, die zich niet liet afschrikken door de schande van het kruis… Na dat lange hoofdstuk over de geloofsgetuigen en martelaren, helpt de schrijver van Hebreeën, een soort theologie van het Nieuwe Testament, ons ten slotte de blik weer te richten op Jezus.
            Hij doet dat door aan het slot van het epistel te zeggen: U hebt in uw strijd tegen de zonde uw leven nog niet op het spel gezet. Jullie zijn nog geen getuige of martelaar geweest zoals hij en heel die wolk van getuigen, die jullie zijn voorgegaan. Wie durft zijn leven als getuige van het evangelie bewust op het spel te zetten?
            Deze teksten samen in elkaars verlengde lezen en/of uitleggen zou niet direct mijn keuze zijn geweest. Ze staan zo samen voorgeschreven op het leesrooster. De kerk wil bewust iets zeggen met de combinatie van deze teksten, ze heeft ze in elkaars verlengde geplaatst en gehoord. Laat je dus uitdagen door ze in hun bijzondere samenhang te beluisteren.

Jeremia 38,4-6.8-10
Waarom het verhaal over Jeremia zo gefragmenteerd wordt gelezen, ontgaat me. Beter zou het zijn heel het hoofdstuk te lezen en in ieder geval het begin ervan, de verzen 1-13. In ieder geval mag het cruciale vers 7 over de herkomst van Ebed-Melech niet verdonkeremaand worden.
            Jeremia’s leven wordt bedreigd in een ten dode opgeschreven stad Jeruzalem. Hij predikt overgave van de bedreigde stad om het vege lijf te redden. Het lot van Jeruzalem staat vast, de stad valt in handen van de Babyloniërs. Die boodschap maakt hem in de ogen van een deel van de autoriteiten een landverrader. Hij ondermijnt het moreel van de troepen en vooral ook Gods volk op de Sion, hun heilige stad! Gooi hem in de vergeetput van de gevangenis, adviseren de ministers de koning Sedekia, die wel beseft dat dit een misdaad tegen de menselijkheid is. Hij durft zich echter niet tegen hun woorden te verzetten tot er iemand opstaat, nota bene een vreemdeling, een Afrikaan, een Nubische hoveling, Ebed-Melech, die hem op zijn verantwoordelijkheid wijst en die hem tot bezinning brengt. Dit strijdt niet alleen tegen de Thora, maar ook tegen de universele rechten van de mens, waar ook ter wereld. Als de koning zich niet wil laten leiden door de wet en profeten, dan is er ook nog zoiets als een internationale rechtsorde! Dat moet men zelfs in Israël weten en van een Afrikaanse hoveling durven aannemen!

Lucas 12,49-53
De lezing uit Lucas maakt deel uit van het reisverhaal in dit evangelie, de weg naar Jeruzalem, die nog bezaaid ligt met vragen, maar waarop de autoriteiten ook op de loer liggen om dit andere Joodse geluid tot zwijgen te brengen. Ook de wereld rondom Jezus zit vol haken en ogen van religieuze vragen in een arglistige poging om hem te betrappen op een ongeoorloofde uitspraak (11,43).
            Jezus maakt het zijn hoorders en leerlingen niet gemakkelijk. Het duizelt Petrus en hij vraagt: zegt u dit nu speciaal tegen ons of is het voor iedereen? Het is duidelijk dat Jezus niet van een dubbele moraal wil weten voor geestelijken en leken. We worden allemaal met dezelfde vragen, uitdagingen en verleidingen geconfronteerd. De zogenaamde duidelijkheid van Wakker Nederland, de koeienletters van de Telegraaf, de zogenaamde evangelicale vroomheid van Nederland zingt, het knusse wereldbeeld van heel Holland bakt. De hoop dat we eigenlijk al onze conflicten kunnen oplossen met de rijdende rechter. Ook Jezus wordt aangesproken als zo’n soort rijdende rechter: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt…’ Mensen die zich totaal afhankelijk maken van andere wetgeleerden, terwijl ze toch verstand genoeg hebben gekregen om te beoordelen hoe de vlag erbij hangt, die denken beter dan de weerman of weervrouw het weer te kunnen voorspellen als ze naar de wolken kijken…
            We hoeven ons dus niet zo verbaasd af te vragen, waarom Jezus in deze omgeving van wetgeleerden en andere betweters zegt: ‘Vuur ben ik komen werpen op aarde en wat zou ik graag willen dat het al brandde.’ We worden meestal ongemakkelijk van dit soort weerbarstige uitspraken van de Heer. We beseffen zelden dat ook de Messias soms het water tot de lippen staat, dat Jezus eigenlijk zelf de wanhoop nabij is en zich door zoveel weerstand beklemd voelt en vooral door de weg die hij nog moet gaan: ‘Ik moet een doop ondergaan en ik word hevig gekweld zolang die niet is volbracht.’ Voor het eerst horen we hier in Lucas van de weg van Jezus, die onherroepelijk leidt naar de vuurdoop, het bloedige martelaarschap van de Messias op Golgota. Niet volgens de stappen van een vooropgesteld goddelijk masterplan maar met bittere noodzaak van de weerstand en het zinloos geweld dat wordt opgeroepen door de liefde, die zichzelf niet zoekt, de manier waarop God zich als de Barmhartige vertoont in de gestalte en het optreden van Jezus Messias, onnavolgbaar en toch te volgen omdat hij de grondlegger en voltooier van ons geloof is.

Hebreeën 12,1-4
Zo komen we met deze angstige vooruitblik in Lucas aan bij het einde van de geschiedenis der getuigen – vandaag vertegenwoordigd door Jeremia de profeet –, bij het mysterie van Gods menswording in Jezus, grondlegger en voltooier van het geloof. De schrijver vertelt, ja zingt het ons voor op verhoogde toon, want het onzegbare kan alleen maar gezongen, op muziek gezet worden. Het is altijd verstandig om de taal van het verhaal over de mens Jezus en de taal van het lied over Christus, de grondlegger en voltooier uit elkaar te houden, maar ze zijn op elkaar betrokken als buiten- en binnenkant van de werkelijkheid, de zichtbare en onzichtbare dingen. Er is in het evangelie, in het verhaal van Jezus altijd een buitenkant en een binnenkant. Het evangelie laat ons doorgaans de buitenkant zien, de lijdende rechtvaardige, die te midden van het macabere spel der politieke en religieuze machten zijn leven aan het kruis eindigt. De onzichtbare binnenkant van dit verhaal, dit evangelie, is dat God het er niet bij laat zitten. Dat in deze Jezus de Christus der Schriften voorbij komt, dat het om de woorden van Paulus te gebruiken ‘de ganse volheid’ heeft behaagd in deze man woning te maken: Jezus de grondlegger en voltooier van ons geloof.

 

Preekvoorbeeld

In de eerste lezing wordt het wedervaren van de profeet Jeremia verhaald. De gebeurtenissen spelen zich af in de benauwende dagen voor de val van Jeruzalem, dat reeds maandenlang belegerd was. De profeet bepleit overgave aan de vijand, vanuit het geloof dat het uiteindelijke herstel toch komt. Hij doet dit ook vanuit de overweging dat verzet tegen de overmacht van Babel op nodeloos bloedvergieten uitloopt. De notabelen beschuldigen hem van defaitisme en collaboratie met de vijand. De koning zwicht voor hun aandringen om Jeremia te doen verdwijnen. Hij wordt neergelaten in een put vol modder. Voor één keer loopt het goed af. Hij wordt uiteindelijk door een vreemdeling gered. Maar het is slechts een voorlopige oplossing, want zijn profetenrol, die hij vaak tegen zijn zin uitvoert, zal hem permanent in tragische situaties brengen. Zijn waarschuwen en dreigen was vruchteloos. Koning noch volk luisteren naar hem.
            Ieder mens die openlijk op maatschappelijk of op religieus vlak – door woord of daad – stelling neemt, loopt het risico op weerstand en op afwijzing te stoten. Dat gold in hoge mate voor Jezus. Wie zoals hij sprak kon niet anders dan – zoals de profeten – met tegenspraak en tegenstand rekenen. Daarom kon hij ook zeggen dat hij niet gekomen was om vrede te brengen maar het zwaard. En wanneer hij zegt dat hij ‘gekomen’ is, dan betekent dat geen banale mededeling (in de zin van ‘Jan of Piet is gekomen’). ‘Gekomen’ is een geladen woord en verwijst naar zending van Jezus door God. God heeft hem gezonden en zijn zending zal zijn ‘tot val en opstanding van velen’ tot ‘een teken dat weersproken wordt’, zoals wij elders lezen in het Lucasevangelie.
            Zo voert Jezus de mens in een beslissingssituatie: voor of tegen hem. Wie Jezus wil navolgen – en dit wordt van iedere christen verwacht – zal zijn leven niet meer om het even hoe kunnen inrichten. Wie het waardenpatroon dat Jezus ons heeft voorgehouden (denk maar aan de Bergrede) als normerend voor zijn eigen bestaan heeft aanvaard, zal op weerstand en tegenstand stoten. Hij zal een teken van tegenspraak zijn en onvermijdelijk tweedracht brengen. Daarbij wordt niet uitgesloten dat deze weerstand komt van hen waarmee wij op de meest intieme wijze verbonden zijn.
            In de geschiedenis zijn talloze voorbeelden aanwezig van mensen die omwille van hun radicaal aux serieux nemen van het Evangelie, in conflict kwamen met hun dierbaren. Franciscus van Assisi bijvoorbeeld koos (op grond van het ernstig nemen van het Evangelie) voor de armoede. Dat leidde tot een conflict met zijn familie. In aanwezigheid van de bisschop van Assisi geeft hij aan zijn vader het laatste kledingstuk terug en in zijn naaktheid kondigt hij aan: ‘Nu heb ik geen vader meer op aarde, nu kan ik waarlijk zeggen: onze Vader die in de hemel zijt.’
            Allen die tot navolging bereid zijn, zullen vroeg of laat op weerstand stoten. Immers, een optie voor bepaalde evangelische eisen komt onvermijdelijk in botsing met bepaalde maatschappelijke vanzelfsprekendheden. Wie de oeverloze barmhartigheid van God wil navolgen, zoals ze ons in Jezus is verschenen, wordt voor gek versleten. Wie geweldloos weerstand biedt aan onrechtvaardigheid lokt agressie uit. Wie soberheid en onthechting in zijn leven wil inbouwen, maakt zichzelf marginaal in deze op roofbouw en verkwisting gebaseerde samenleving. Wie opteert voor gebed en bezinning verschijnt in een wereld die gericht is op productiviteit en efficiëntie als nutteloos. Het zal ons waarschijnlijk niet zo dramatisch vergaan als sommige voorbeelden uit de geschiedenis, maar tegenspraak en tegenkanting zal een consequent levende christen niet kunnen ontlopen. Ook hier geldt dat de leerling niet beter is dan de meester.

           

inleiding dr. Meindert Dijkstra
preekvoorbeeld prof. dr. Ernest Henau

webdesign: Artis