11 augustus 2019
Negentiende zondag door het jaar – feest van de H. Clara

Lezingen: Wijsh. 18,6-9; Ps. 33; Heb. 11,1-2.9-(12)19; Luc. 12,32(35)-(40)48(C-jaar)

 

Inleiding

Geschriftenlezing: Wijsheid 18,5-13

            De Heer bracht uit Jakob een barmhartige man voort,
            die ieders genegenheid won,
            die geliefd was bij God en bij mensen:
            Mozes, wiens nagedachtenis gezegend is.
            Hij heeft hem in luister aan de engelen gelijk gemaakt
            en hem zoveel macht gegeven
            dat zijn vijanden voor hem beefden.
            Als Mozes het vroeg, gaf hij onmiddellijk een wonderteken,
            hij heeft hem tegenover koningen groot gemaakt.
            (Sirach 44,23–45,3)

Het boek Wijsheid wordt toegeschreven aan koning Salomo en heeft dus het gezag van deze wijze koning (1 Kon. 5,9-14).
            Het boek is echter ontstaan rond het begin van onze jaartelling in Alexandrië. De schrijver is een tijdgenoot van Philo en schrijft zijn werk in het Grieks. Binnen de Joodse gemeenschap in Alexandrië is ook de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel ontstaan, de Septuagint (lxx). Deze Joodse vertaling is bestemd voor de Grieks sprekende Joden en voor de niet-joden in de hellenistische cultuur. Deze vertaling vervult een belangrijke brugfunctie tussen Joden en heidenen. In De Oude Geschiedenis van de Joden, beschrijft Flavius Josephus dit boeiend vertaalproject (Boek xii, 11-118).

De onbekende Joodse auteur is goed thuis in de Joodse traditie, maakt veelvuldig gebruik van de Septuaginta en is voortdurend in gesprek met de Grieks-hellenistische filosofie (met name die van de Stoa). Hij herleest en vertaalt de boodschap van de Thora voor zijn Joodse tijdgenoten die leven in een hellenistisch milieu (Zo gaat Jezus Sirach ook te werk!).
            Met het gezag van koning Salomo nodigt hij zijn lezers uit om te leven naar de Thora en trouw te blijven aan de Joodse traditie (wijsheid, een kostbare schat), dus: de gerechtigheid lief te hebben (1,1). Voor hem komt de heilige geest waarmee de Heer het aardrijk vervult, aan het licht in de wijsheid (1,4-7). In de Wijsheid, de kunstenares van alles, is de geest met 21 (3 x 7) eigenschappen aanwezig (7,22v). De wijsheid is niet aangeboren, maar een gave van God (7,28) en een opgave. In 1,1–6,21 doet de schrijver een oproep om niet het denk- en leefpatroon van de god-lozen (dus: de hellenistische cultuur) over te nemen, maar de gerechtigheid lief te hebben en dus in God te geloven (1,1-2), want alleen zo kan de Wijsheid haar intrek nemen: zij is voor mensen een onuitputtelijke schat; wie haar verwerft raakt bevriend met God, die mild gestemd is door de gaven die de wijsheid meegeeft (7,14).
            In de eerste twee delen van Wijsheid (i: 1,1–6,21; ii: 6,22–10,21) draait alles om deze wijsheid. In het derde deel trekt de auteur vergelijkingen tussen de Israëlieten en de Egyptenaren (iii: 11,1–19,22).

De perikoop 18,5-13 is een onderdeel van de zesde van de zeven vergelijkingen. In 18,5-25 gaat het over de ondergang van de eerstgeborenen in Egypte en die van de Egyptenaren in de Schelfzee (Ex. 11,1–12,36; 14,27v). Het lijkt op de Pèsach-haggada (Ex. 12). Omdat de farao alle jongetjes van de Israëlieten wilde doden (Ex. 1), straft God de Eyptenaren door met de tiende slag al hun eerstgeborenen te doden en in de Schelfzee heel de strijdmacht van farao te laten omkomen (Ex. 12,29-33; 14,28). Dit alles kan geschieden doordat de vondeling Mozes gered was (Ex. 2,1-10) en zo door de Bevrijder geroepen kan worden om zijn volk uit het concentratiekamp Egypte weg te leiden naar het veelbelovende land (Ex. 3).
            In deze nacht is God trouw aan zijn beloften aan Abraham gedaan: bevrijding uit Egypte en de gave van het goede land (Gen. 15,13v; 13,15; 26,3-5). De vervulling van de beloften was en is voor Israël een bron van vreugde: redding voor de rechtvaardigen – degenen die zich door de wijsheid laten leiden door gerechtigheid lief te hebben en in God te geloven (1,1-7) – én de ondergang voor de vijanden – degenen die op het kwade belust zijn (1,4; 18,6v).
            Zo verleent God roem aan zijn geroepenen, die de (beloofde) bevrijding gevierd hebben in Egypte door al zingend Pèsach te vieren (Ex. 12,1-28.43-51; 18,8v).
            Met zijn navertelling van het Pèsach-verhaal doet de auteur een beroep op zijn tijdgenoten om trouw te blijven aan de weg van de Thora (vgl. Clara: Blijf bij je roeping!), die getuigt van Gods trouw aan zijn heiligen en geroepenen, en die een bron van vreugde is!

Evangelielezing: Lucas 12,32-48 of 12,35-40
Zoek liever zijn koninkrijk, en de andere dingen zullen je erbij gegeven worden (12,31). De verzen 32-34 besluiten de perikoop over het zorgeloos het koninkrijk van God zoeken (12,22-31). Aan degenen die met open handen het koninkrijk van God zoeken (vgl. het Magnificat van Maria, 1,46-55) zal God het koninkrijk schenken. Levend vanuit hun vertrouwen in God – de Gever van alle goeds (Lev. 25) – zullen zij leven volgens de maatstaven van het koninkrijk: hun bezit verkopen en gerechtigheid doen aan de verarmden (vgl. Hand. 2,41-47). Het hebben van bezit zal veranderen in delen van bezit, in investeren in de armen; (gedeeld) bezit zal mensen niet meer verdelen, maar samenbrengen. Op radicale wijze hebben Clara en haar medezusters dit gestalte gegeven:

            Arm de arme Christus volgen, volgens de weg van Franciscus.
            Onder de weldaden die wij van onze milde Gever, de Vader van alle barmhartigheid hebben ontvangen en waarvoor wij de luisterrijke Vader zelf bij uitstek veel dank verschuldigd zijn, is die van onze                            roeping.Naarmate deze volmaakter en grootser is, zijn wij Hem des te meer dank verschuldigd. Daarom zegt de apostel: Leer je roeping kennen. De Zoon van God is voor ons de weg geworden, die onze                allerzaligste vader Franciscus, zijn ware minnaar en navolger, ons door woord en voorbeeld heeft getoond en geleerd. Daarom moeten wij, geliefde zusters, de onmetelijke weldaden overwegen die God ons              geschonken heeft, maar vooral de weldaden die God door zijn geliefde dienaar, onze zalige vader Franciscus, in ons heeft willen bewerken.

            (Clara, Testament, 1,1-8a).

Met het oog op het koninkrijk roept Jezus zijn leerlingen op om waakzaam, alert, te zijn en wijst hij hen op hun verantwoordelijkheid (12,35-40.41-48). Om dit te onderstrepen vertelt Jezus tweemaal dezelfde gelijkenis.
            Een heer is afwezig wegens zijn bruiloft en vertrouwt zijn huishouding en zijn bedrijf toe aan zijn knechten/beheerder. Jezus prijst de knechten/beheerder gelukzalig (Ps. 1; Luc. 12,37.38.43) wanneer zij de hun toevertrouwde taak goed hebben vervuld: het huishouden en bedrijf goed runnen en wakker uitzien naar de thuiskomst van hun heer. Kortom, wanneer zij zo hun verantwoordelijkheid waarmaken, dat zij zich door de onverwachte thuiskomst van de bruidegom niet overvallen hoeven te voelen. Zij zijn er steeds klaar voor.
            Wanneer de heer zijn knechten bij thuiskomst zó aantreft, is hij zo dankbaar dat hij hen aan tafel gaat bedienen en hen over al zijn bezittingen zal aanstellen (12,37.44). Zij hebben zijn in hen gestelde vertrouwen niet beschaamd. Maar de knechten die niet naar de wil van hun heer hebben gehandeld (12,45vv), zullen streng gestraft worden; alleen de onwetende krijgt een lichtere straf (12,48).
            Petrus en de andere leerlingen worden door Jezus uitgenodigd om betrouwbare knechten te zijn, aan wie veel (verantwoordelijkheid) is toevertrouwd. Zij moeten waakzaam zijn en klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht (12,40). Hij zal je ter verantwoording roepen: Gelukzalig ben jij! of: Wee jij!

Waak over jullie leven. Laat jullie lampen niet uitdoven en maak de gordel om jullie lendenen niet los, maar wees gereed. Want jullie kennen het uur niet waarop onze Heer komt.
Kom vaak bij elkaar en zoek wat tot voordeel is voor jullie zelf. Immers al de tijd dat jullie zullen geloven biedt jullie geen enkel voordeel, als jullie niet op het laatste beslissende moment (kairos) gaaf/betrouwbaar zijn!
(Didachè xvi, 1-2).

            Clara en haar zusters
            Vrouwe Clara als duif verscholen
            in een flank van de Subasio;
            lichtend spoor was zij, onverholen,
            in haar klooster rond de patio.

            Wereldwijd gaat dit spoor nog verder
            als een snoer van stil gebed en trouw;
            vol eerbied voor Eén en ieder
            op de weg van deze fiere vrouw.

            Weg van eenvoud en diepe minne,
            de Geliefde dienend achterna.
            Krib en kruis in het hart van binnen
            en een weten: ik versta en ga!

            Hem beschouwen, beminnen, leven –
            in een hopen dat het hart niet zwicht;
            maar als Clara, geheel gegeven,
            als een duif opwieken naar het licht.
            (Esther Zonjee osc)

Literatuur
P. Beentjes, Wijsheid van Salomo, Boxtel 1987
J. Brühl/P. Vermaat (red.), Dichter bij Clara. Haar leven poëtisch verbeeld, Leeuwarden 2014, 119
G.P. Freeman, M. Bouritius, B. Corveleyn, A. Holleboom, E. van de Vrie (red.), Clara van Assisi. Geschriften en oudste bronnen, Nijmegen 2015
G.P. Freeman, Met snelle stap en lichte tred. Over het leiderschap van Clara van Assisi, Tilburg University 2018
H. Welzen, Belichting van het bijbelboek Lucas, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2011
H. Welzen, Tasten naar het geheim, Berne 2016

 

Preekvoorbeeld

De eerste zinnen van de eerste lezing van vandaag zeggen iets dat klopt met het verhaal van de Uittocht, zoals we dat in het boek Exodus lezen. Er staat dat aan het Joodse volk in Egypte van tevoren was aangekondigd dat er bevrijding zou komen, zodat ze vol vreugde de vervulling verwachtten van het beloofde. Ze hadden ook elkaar al iets beloofd: dat ze elkaar vast zouden houden en samen het goede zouden delen en de gevaren zouden trotseren. Dus daar werd ook al vol vreugde op gerekend. Waar die zinnen mij in elk geval weer bewust van maakten is: wat voor verschil het maakt, of je naar iets toe leeft dat beloofd is of dat je gewoon van het ene moment naar het andere leeft zonder verder uitzicht.

Je ziet het in het klein al, als aan kinderen met de verjaardag een cadeau beloofd is en ze de dagen aftellen: nog drie nachtjes slapen en dan komt de fiets of wat het dan ook is. Volwassen mensen doen eigenlijk nog steeds hetzelfde, als ze naar de vakantie toe leven: nog twee weken. Op een of andere manier wordt iets kostbaarder, wanneer je er naar toe leeft. Je maakt je ziel alvast klaar voor wat er gaat gebeuren. Een verrassing heeft ook wel iets leuks, maar het mist de kostbaarheid van het lang verwachte.

Als aan jou iets beloofd is en dat beloofde trekt je, dan krijgt je leven oriëntatie. Je gaat staan naar wat je beloofd is. En als het om dingen gaat die heel je persoon raken, gaat je leven ook staan naar degene die jou dat belooft. Als aan het Joodse volk, dat slaaf is in Egypte, de nacht van de Uittocht, de nacht van Pasen, beloofd is, gaat hun leven ernaar staan. Ze worden meer dan slaaf, ze worden mensen die over een tijd vrij zullen zijn. Waardige mensen, die rechtop en fier in het leven staan. Misschien moeten ze dat overdag nog een tijdje verbergen. En omdat ze die vrijheid hopen te krijgen van God, leven ze ook alvast naar God toe. In de beslissende nacht zijn ze niet de messen aan het slijpen, maar het Paaslam aan het eten. Het offermaal wordt gebruikt, het bloed aangestreken aan de voordeurpost, als een teken dat hier mensen wonen die op God vertrouwen en het daarom met elkaar wagen.

Als je wilt zeggen wat ons christelijke geloof is, hebben we de neiging om te beginnen met te vertellen wat we allemaal geloven. Zo beginnen onze catechismussen veelal met het Credo. Nou wil ik niets tegen het Credo zeggen, maar ik denk wel dat er een paar dingen aan het Credo voorafgaan. Bepalender voor ons geloof is het antwoord op een paar andere vragen: wie vertrouw je? waar hoop je op? hoe sta je dus in het leven? Wie op die vragen de christelijke antwoorden geeft, heeft eigenlijk meteen al gezegd, waar het Credo over gaat.

Wie vertrouw je? Het evangelie zegt: ‘Vrees niet, kleine kudde, het heeft uw Vader behaagd u het koninkrijk te schenken.’ En onze Heer belooft dat hij, als hij komt en ons wakend aantreft, zich dan zelf zal omgorden om ons aan tafel te bedienen. De hemelse Vader en de hemelse Zoon beloven ons een toekomst, en wel een toekomst waar zij zelf bij horen. Het is niet zoals bij zakelijke beloften: als jij me helpt bij deze klus, krijg je een reis naar de Caribische eilanden cadeau. Het is persoonlijker: dan gaan we samen naar de Caribische eilanden. Dan zul jij deel uitmaken van mijn koningschap: Ik zal me als koning om jouw welzijn bekommeren. Ik zal je als een dienaar van al het goede voorzien. Vrees dus niet, kleine kudde. Word niet bang, omdat je de kudde steeds kleiner ziet worden. Het cbs en het cpb zijn pessimistisch over de kerken. Maar dat hebben we vaker gehad, dat onze ondergang voorspeld was. Als de Vader het koninkrijk voor ons in petto heeft, kan niets ons kapot maken.

Waar hoop je op? Dat hebben we al aangeduid, toen we zeiden op wie we vertrouwen. Het gaat om een leven met God, met Vader en Zoon en Geest. En daar hopen we samen op voor ons, mensen, samen. Christelijke hoop is nooit alleen maar een hoop voor jezelf. Het is een hoop ook voor al die miljarden doden, voor al die armen van alle tijden, voor al die mensen die je bemind hebt en nog bemint en trouwens ook voor die mensen aan wie je een hekel hebt. We hopen op het eeuwig leven. Dat is natuurlijk het leven na de dood. Maar bepalender dan dat is dat het een leven met God is en dat het dus al tijdens dit leven kan beginnen. Daarom is ons wachten op de komst van de Heer, van Jezus, ook niet alleen een wachten op het einde der tijden, maar een wachten op hem ook in dit leven. Waar laat hij iets van zich merken? Waar roept hij me om in actie te komen? Waar roept hij me om even uit te rusten? En het koninkrijk dat de Vader ons toevertrouwt is niet alleen het hemelrijk in de glorie, maar breekt al even door, waar we iets van liefde mogen geven en ontvangen, waar er aan een vreemdeling recht wordt gedaan.

Hoe sta je dus in het leven? Het evangelie begint met een paar ‘economielessen voor het christenleven’: verkoop uw bezittingen en geef aalmoezen. Verschaf u beurzen die niet verslijten en verwerf u een schat in de hemel. Ons wordt gezegd, dat mensen met een christelijke verwachting royaal in het leven zullen staan, als hun rompstand is: de Vader heeft voor ons het koninkrijk in petto, de Messias staat klaar om ons te bedienen. Wat die schatten in de hemel betreft: ik herinner me nog een verhaal dat door Tolstoj verteld wordt. Het verhaal vertelt dat een rijke man bij zijn dood een enorm vermogen bij zich in de kist laat leggen. ‘Als ik dan in de hemel kom, heb ik in elk geval contanten bij me.’ Als hij in de hemel komt, ziet hij inderdaad prachtige tafels en buffetten en dranken enz. Als hij aanschuift en zijn zak geld vast klaarlegt, zegt een engel tegen hem: ‘Nee meneer, met dat geld kunt u hier niets uitrichten. Hier kunt u alleen betalen met het geld dat u beneden hebt weggegeven.’ Hoe staan we in dit leven? Hebben we een lopende rekening bij God geopend? Hoe staan we in dit leven? Speuren we naar tekens van de Heer: kom hier in actie? Rust hier even uit?

Als Petrus vraagt of dit vertrouwen, dit verwachten en deze levenshouding voor alle leerlingen gelden, of speciaal voor de apostelen, de bisschoppen, priesters en pastoraal werkenden, lijkt Jezus te zeggen: het geldt voor iedereen. Maar natuurlijk helemaal voor diegenen die dit aan de gemeenschap moeten voorhouden. Dus krijgen wij, als pastores, ook nog iets mee voor ons gewetensonderzoek.

 

inleiding Henk Janssen OFM
preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink

webdesign: Artis