15 augustus 2019
Maria Tenhemelopneming

Lezingen: Apok. 11,19a; Ps. 12,1-6a.10ab; 1 Kor. 15,20-26; Luc. 1,39-56 (C-jaar)

 

Inleiding

Vandaag vieren wij het hoogfeest van de Tenhemelopneming van Maria. De rol van Maria als moeder van Jezus in de heilsgeschiedenis is van oudsher onderwerp van reflectie geweest. De parallel tussen de eerste Adam en Jezus als de tweede Adam werd al in de apocriefe literatuur doorgetrokken naar Eva, de moeder van al wat leeft (Gen. 3,20), en naar Maria als de nieuwe Eva.
            Maria wordt vereerd als Theotokos, draagster van God, moeder Gods en gezien als het oerbeeld van de kerk, als moeder van alle gelovigen.
            Het gelovig aanvoelen dat Maria, vrij van de erfzonde, na haar dood met lichaam en ziel in de hemelse heerlijkheid net als Jezus is opgenomen, berust op de unieke relatie tot haar zoon. Die band is zo hecht, dat zij niet door de dood kan worden verbroken. In de oosterse kerk viert men dit feest al sinds de vijfde en in de Romeinse kerk sinds de zevende eeuw. In 1950 werd de tenhemelopneming van Maria door paus Pius xii tot dogma verheven.

De Schriftlezingen van vandaag worden gelezen tegen de achtergrond van de bijzondere rol van Maria. Dat komt vooral tot uitdrukking in het evangelie, in de woorden die Elisabet tot haar richt en in de jubelzang van Maria zelf, het zogeheten Magnificat, genoemd naar het eerste woord waarmee de Latijnse vertaling van deze hymne begint (Magnificat anima mea Dominum: Mijn ziel verheft de Heer). Maria’s lied is geïnspireerd op het danklied van Hanna, de vrouw van Elkana, die tot haar groot verdriet kinderloos was. Uiteindelijk werd zij verhoord door de Eeuwige, kreeg een zoon die zij Samuel noemde en weer aan de Eeuwige afstond volgens haar gelofte in de tempel (1 Sam. 2,1-10).
            De eerste lezing uit het boek Openbaring spreekt over een vrouw en haar kind. Met dat kind is Messias Jezus bedoeld, en dan is de conclusie snel getrokken dat de vrouw Maria moet zijn. Maar wie verder leest, zal merken dat de vrouw hier niet Maria is, maar het volk Israël waaruit de Messias is geboren respectievelijk de jonge kerk. Vandaag wordt echter vanwege het feest van Maria Tenhemelopneming een nieuwe invulling aan de tekst gegeven door deze op Maria toe te passen en in het bijzonder op Maria als ‘moeder van de kerk’.

1 Korintiërs 15,20-26
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Apokalyps 11,19a; 12,1-6a.10ab
Het tweede deel (12-20) van het boek Apokalyps beschrijft de strijd tussen de draak en zijn handlangers en de engel Michaël en zijn engelen waarbij later Jezus zelf de heerscharen zal aanvoeren. In dit tweede deel staat tegenover de weerloze vrouw en moeder de hoer op het beest, het symbool van Babylon. Tegenover het goddeloze Babylon staat de geliefde bruid Jeruzalem.
            In nauwelijks verhulde termen en beelden wordt hier de (historische) strijd gestreden tussen de Romeinse keizercultus en het christelijke geloof. Het is de strijd tussen goed en kwaad. De uitkomst van die strijd staat vanaf het begin vast: het kwaad zal definitief te gronde gaan, de overwinning is aan God en de zijnen.
            Het betreft een theofanie, een Godsverschijning. We mogen via de ziener Johannes een kijkje nemen in het hart van het allerheiligste waarbij het gedonder en gebliksem niet van de lucht is (11,19). Twee tekenen verschijnen er aan de hemel: een groot teken – een stralende vrouw in barensnood – en een ander teken – een grote vuurrode draak. Hoewel het in dit boek wemelt van tekenen, is er ditmaal sprake van een groot teken. Er is blijkbaar iets bijzonders aan de hand met deze vrouw en het ophanden zijnde kind.
            Zowel de draak als de vrouw wachten, maar hun beider wachten is totaal verschillend. Het wachten van de draak heeft een gewelddadig karakter. De draak belaagt de vrouw en is erop uit om haar kind onmiddellijk te verslinden zodra het geboren is. Het wachten van de vrouw in barensnood is wachten op nieuw leven, op nieuwe toekomst die op het punt staat om definitief door te breken.
            Over het kind, een zoon (vgl. Jes. 7,14: Daarom geeft de Heer zelf u een teken: Zie, de jonge vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en gij zult hem de naam Immanuel geven), wordt vermeld, dat het alle volkeren met een ijzeren staf zal hoeden (vergelijk Ps. 2,9). Hier raken we dan ook precies aan de reden voor de vijandschap van de draak: hij zelf maakt aanspraak op de heerschappij over de wereld. De draak slaagt niet in zijn opzet. Nauwelijks is het kind geboren of het wordt ijlings weggevoerd naar God en zijn troon (de passieve vorm duidt hier op het ingrijpen door God zelf). Met het kind moet wel de Messias, Jezus, bedoeld zijn, een nieuw tijdperk is ingeluid. Zijn geboorte en zijn opstanding worden hier in uiterst kort bestek verhaald.

De vrouw, omkleed met de zon, de maan onder haar voeten en met de kroon van twaalf (!) sterren op het hoofd – vooral in de Middeleeuwen een geliefde afbeelding van Maria – is het symbool van Israël. De twaalf sterren zijn symbool van de twaalf stammen. De vrouw is het beeld van het volk dat veertig jaar door God door de woestijn werd geleid. Daarop duidt ook de vlucht van de vrouw naar de woestijn (12,6). Tegelijkertijd is de vrouw het beeld van de jonge kerk die na de dood van Jezus als het ware verweesd achterbleef. In de woestijn heeft God een plaats voor haar bereid en hij zal haar gedurende 1260 dagen voeden. Getallen spelen een belangrijke rol in het boek Openbaring: 1260 dagen zijn 42 maanden of ook 3½ jaar. Het gaat hier niet om een tot op de dag af nauwkeurige tijdsaanduiding, maar om de symbolische betekenis van een lange duur, hier van de duur dat God zal zorgen. De jonge kerk gaat moeilijke tijden tegemoet maar God blijft over haar waken: ‘1260 dagen’ is een symbool van bemoediging en oproep tot volharding.
            In het niet gelezen gedeelte speelt zich vervolgens aan de hemel de strijd af tussen aan de ene kant Michaël en zijn goede engelen en aan de andere kant, de draak en zijn slechte engelen. Hoewel de slechte engelen het onderspit delven, komen zij tezamen met de draak op de aarde terecht, waar zij hun verderfelijk werk voortzetten. De draak staat hier voor de oude slang, die ook duivel en satan heet en de hele wereld misleidt (12,9; vergelijk Gen. 3,15).
            De lezing eindigt triomfantelijk met de woorden: Nu zijn de redding en de macht en het koningschap van onze God gekomen en de heerschappij van zijn Messias, want de aanklager van onze broeders is neergeworpen…

Lucas 1,39-56
Lucas 1,39-56 vormt een afgerond geheel: in het begin van het evangelie van vandaag vertrekt Maria naar een stad in Juda, waar haar nicht Elisabet woont. Aan het slot van deze lezing gaat Maria weer terug naar haar huis, na ongeveer drie maanden bij Elisabet te zijn gebleven.

Lucas 1,39-56 maakt op zijn beurt deel uit van een groter geheel, te weten Lucas 1,5–2,21. Dit gedeelte is als volgt in te delen:
            In 1,5-25 kondigt de engel Gabriël de priester Zacharias aan dat zijn vrouw Elisabet zwanger zal worden van een zoon die hij de naam Johannes moet geven. Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer … Hij zal vervuld worden van de heilige Geest terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is. Zacharias kan het niet geloven en zal daarom niet meer kunnen spreken totdat de woorden van de engel in vervulling zijn gegaan. Elisabet wordt, hoewel onvruchtbaar en oud, zwanger.
            In 1,26-38 kondigt de engel Gabriël Maria aan dat zij een zoon zal baren die zij de naam Jezus moet geven. Hij zal Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven … aan zijn koningschap zal geen einde komen. Haar reactie: na de vraag hoe dat dan moet gebeuren, antwoordt zij: ‘Mij geschiede naar uw woord’. Zij sluit zich aan bij de wil van God. Op die manier maakt Lucas vanaf het begin van zijn evangelie duidelijk dat Maria actief meegewerkt heeft aan de uitvoering van Gods heilsplan.
            In 1,57-80 wordt de parallelliteit tussen Johannes en Jezus voortgezet met de geboorte, besnijdenis en naamgeving van Johannes en in 2,1-21 met de geboorte, besnijdenis en naamgeving van Jezus. Ondanks de parallelliteit gaat de meeste eer naar Jezus, Johannes zal de rol van voorloper van Jezus toebedeeld krijgen.

De tussenliggende verzen 39-56 vormen de kern van Lucas 1,5–2,21.
            Enkele dagen voordat Maria op weg naar haar nicht Elisabet gaat, had de engel Gabriël haar aangekondigd dat ze zwanger zou worden en een zoon zou baren die zij de naam Jezus moest geven. Verder zei de engel dat ook haar nicht Elisabet op haar oude dag zwanger was van een zoon en al in haar zesde maand. Kennelijk was Maria daarvan niet op de hoogte, want Elisabet had zich vijf maanden lang verborgen gehouden (1,24).
            Die ontmoeting met de engel brengt Maria in beweging. Zij reist in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda. Die haast zal te maken hebben met haar toestand. Het is een lange tocht van circa 120 kilometer en uit de tekst valt niet op te maken dat zij met iemand samen reist. Dat zij zo’n reis alleen aandurft, suggereert iets over het karakter van Maria zoals ook eerder al haar antwoord aan de engel dat doet.
            Maria gaat het huis van Zacharias binnen en begroet Elisabet. Hier komen Elisabet en Maria samen. Maria werd al vanaf de aankondiging van de engel overschaduwd door heilige Geest. De reactie van Johannes in de schoot van zijn moeder op de begroeting door Maria, geeft nu Elisabet woorden van heilige Geest in. Dat haar bezoek onverwacht is, blijkt uit het antwoord van Elisabet: ‘Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij komt (1,43)?’ Met ‘Heer’ bedoelt Elisabet Jezus. Verder noemt zij Maria gezegend onder de vrouwen en over haar kind zegt zij: gezegend is de vrucht van uw schoot. En ook: Zalig [de vrouw] die gelooft dat in vervulling zal gaan wat haar namens de Heer is gezegd. Dat zou een toespeling kunnen zijn op het lot van Zacharias die van de engel te horen kreeg dat hij niet meer zou kunnen spreken tot de dag waarop zijn kind zou worden geboren, ‘omdat u mijn woorden niet hebt geloofd; maar die zullen op hun tijd in vervulling gaan’ (1,20).
            Op deze woorden van Elisabet barst Maria uit in een grote lofzang. Maria prijst God omdat hij zich heeft verwaardigd naar haar om te zien: ‘Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig, want grote dingen heeft de Machtige aan mij gedaan, heilig is zijn naam’ (1,48v). Maria zingt het uit omdat uitgerekend zij mag meewerken door/aan de verwerkelijking van Gods plan. Wat God aan haar heeft gedaan, die ervaring, breidt zij vervolgens uit tot Israël: ‘Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert.’

Maarten Luther schrijft aan het begin van zijn uitleg van het Magnificat dat we voor een goed begrip ervan moeten bedenken dat ‘Maria uit eigen ervaring spreekt en dat ze daarin door de heilige Geest is verlicht en onderwezen ... Zo heeft de heilige maagd zelf ondervonden dat God grote werken aan haar deed, hoewel ze gering, onaanzienlijk, arm en veracht was. En de heilige Geest leert haar daarin dit kostbare en wijze inzicht dat God de Heer op geen andere wijze werkt dan aldus: Hij verheft wat gering is en vernedert wat verwaand is, hij breekt stuk wat opgebouwd is en bouwt op wat gebroken is’ (blz. 41).
            Bij God geldt het omgekeerde van wat in de wereld gebruikelijk is. Machtigen vallen van hun voetstuk, terwijl het kleine, het kwetsbare juist zeer kostbaar is in zijn ogen. Bij God hebben macht en geweld niet het laatste woord. Juist het ‘mij geschiede naar uw woord’ is tekenend voor de grootheid van Maria. Daarom ook is zij oerbeeld van de kerk en staat zij model voor de gelovigen.

Literatuur
Maarten Luther, Het Magnificat (1521), IJsselstein/Antwerpen 1983
Herman J. Selkderhuis (red.), Luther Verzameld II, Utrecht  2016, 812-868

 

Preekvoorbeeld

Ten hemel opgenomen – namens ons
Maria spreekt en handelt namens ons. Zij is, zoals haar nicht Elisabet zegt, ‘gezegende onder de vrouwen’, maar ze is niet gezegend ten koste van ons, de andere vrouwen en alle mannen. Zij is gezegend namens ons, met het oog op ons. Dat is bijbelse logica: in haar zijn wij allemaal gezegenden. Daarom nodigt het kerkelijk getijdengebed iedereen elke dag uit tijdens de vespers haar loflied te zingen, het Magnificat. In haar zijn wij allemaal op een hoge plaats gezet voor zover wij vernederd waren en overladen met het beste voor zover wij hongerden (Luc. 1,52v). Wat haar gegeven wordt, wordt ons gegeven.
            Dat laatste is het wat Elisabet beseft als zij Maria vraagt: ‘Waar heb ik het aan te danken dat de moeder van mijn Heer bij mij komt?’ (1,43). Nergens aan, natuurlijk, zoals ook Maria het nergens aan te danken heeft dat de engel naar haar is toe gekomen. Zij heeft genade gevonden bij God (1,30 en God heeft naar haar omgezien, dat is het. God heeft op deze manier zijn nieuwe leven onder ons in haar gewekt; de engel Gabriël maakt Maria zwanger met zijn boodschap dat zij zwanger zal worden, zo hebben voorstellingen van hun ontmoeting in Nazaret door de eeuwen verkondigd. Hiermee zijn wij zwanger van Gods toekomst: niet door wat wij zelf doen, hoog weten te houden of voor elkaar krijgen, maar omdat wij genade hebben gevonden in Gods ogen. ‘Voortaan prijzen alle generaties mij – ons – gelukkig, want grote dingen heeft de Machtige aan mij – aan ons – gedaan, heilig is zijn naam’ (1,48v). Maria’s geluk is ons geluk.
            Dit betekent ook dat ons geluk geluk is dat erom vraagt te worden gedeeld. Zoals Maria haar geluk met haar nicht Elisabet deelt. Niet door haar eigen zwangerschap te verkondigen, maar door aandacht te geven aan de zwangerschap van Elisabet. Deze zwangerschap mag dan een wonder zijn, gezien haar gevorderde leeftijd, maar die is vanwege diezelfde leeftijd ongetwijfeld ook zwaar en Maria aarzelt niet om haar nicht tot steun te zijn. In dat gebaar herkent de toekomst in de schoot van Elisabet de toekomst in de schoot van Maria en springt op. Johannes, het kind van Elisabet, wordt zo al voor zijn geboorte de verkondiger van de nieuwe toekomst die de engel voor zíjn geboorte aan zijn vader Zacharias heeft aangekondigd: in de geest en de kracht van Elia gaat hij voor de God van Israël uit (1,17).

Via Maria leven wij dus in het licht van de toekomst die aan God behoort. Dat het verkrijgen van toekomst in de gestalte van zwangerschap en een aanstaand kind een goddelijk teken is, dat maakt de profeet Jesaja duidelijk. De teksten worden vooral in de kersttijd gelezen. ‘Zie, de jonge vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en u zult hem de naam Immanuël geven’, verkondigt profeet (Jes. 7,14). God is met ons in elke zwangerschap en in de toekomst die zich aankondigt. Ook al gelooft niemand er nog in dat het anders kan worden, God gelooft erin en blijft toekomst geven. ‘Een kind wordt geboren, een zoon wordt ons gegeven’ (9,5): de filosofe Hannah Arendt heeft dit de meest hoopvolle boodschap genoemd die kan klinken. Steeds weer nieuwe kinderen die nieuwe dingen kunnen en zullen gaan doen. Te midden van de bedreiging, tegen de verdrukking in. Zoals het Magnificat zingt van vreugde te midden van bedreiging en verdrukking. Van vreugde om de doorbreking van bedreiging en verdrukking.
            De geschiedenis van zwangerschap en pijnlijke geboorte in precaire en gevaarlijke omstandigheden, dat is Gods geschiedenis. De lezing uit de Openbaring van Johannes maakt dit duidelijk. De vrouw die met kosmische proporties als een teken aan de hemel staat – ‘omkleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren’ (Openb. 12,1) – is ook de vrouw die zwanger is en schreeuwt in haar weeën en barensnood (12,2). Haar kind wordt bedreigd en wordt maar ternauwernood in veiligheid gebracht, de vrouw moet vluchten naar de woestijn (12,4-6). Zoals Jezus na zijn verrijzenis nog altijd de wonden van zijn gewelddadige dood draagt, zo houdt de geschiedenis die God met mensen gaat en in de ruimte van zijn aanwezigheid opneemt, zijn pijnlijkheid en moeizaamheid, zijn omstredenheid en gevaarlijkheid. Zo blijft onze geschiedenis terwijl het Gods geschiedenis wordt.
           Ook haar tenhemelopneming voltrekt zich aan Maria namens ons. In haar zien we dat onze geschiedenis, hoe onbeduidend zij ook kan lijken – immers, wat voor gewicht legt een jonge vrouw in een afgelegen uithoek van het Romeinse rijk in de schaal van het wereldgeschiedenis? – in God is opgenomen en kosmisch belang heeft. Alleen al in het simpele feit dat deze geschiedenis er is. Het simpele feit dat wij bestaan maakt duidelijk dat wij genade hebben gevonden bij God. Ons bestaan is en wordt ons gegund. Onze toekomst wordt ons telkens opnieuw gegeven, niet zelden voor de poorten van de hel of voor de muil van de alles verslindende draak weggesleept. Zoals onze lotgevallen in God van kosmische betekenis zijn, zo zijn de omvattende en dragende krachten van goed en kwaad, van leven en dood, van uitzichtloosheid en perspectief in ons leven aanwezig. En maakt het uit wat ons overkomt en wat wij doen.

In onze tijd voelen veel mensen zich niet gezien, niet gehoord, niet van betekenis in de ogen van anderen. Misschien komt dat wel mede doordat de kerk met te weinig overtuiging zingt dat zij met heel haar hart haar Heer roemt en met al haar adem juicht om God, haar redder, omdat zij die zich verheven wanen uiteengeslagen zijn en de vernederden op een hoge plaats zijn gezet (Luc. 1,46v.51v). En dat ze daarom zelf met te weinig overtuiging naar deze overtuiging leeft. Maria is ten hemel opgenomen omdat zij niet bang was zich op de wegen van alledaagse en de buitengewone vreugde en hoop, verdriet en angst te wagen, waar het leven in zijn alledaagse en minder alledaagse aspecten zich afspeelt. Dat zou ook de weg van de kerk moeten zijn.
            Maria is die weg bij uitstek namens haar, namens ons gegaan. Niet opdat wij haar niet zouden hoeven gaan, maar juist zodat wij zouden weten dat het ook onze weg is. Ten hemel.

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld prof. dr. Erik Borgman

webdesign: Artis